id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.16 Rolnummer: P.25.0018.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2025-01-17 Raadplegingen: 686 - laatst gezien 2026-06-15 10:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde ondervraging moet verlopen; noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat dit verhoor het karakter moet aannemen van een geleide ondervraging; niet is vereist dat de onderzoeksrechter vragen stelt betreffende elk detail van de aan de inverdenkinggestelde verweten feiten of specifieke vragen stelt betreffende alle telastleggingen; het is noodzakelijk maar het volstaat dat de inverdenkinggestelde de gelegenheid krijgt om zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging kan uitoefenen
(1).
(1)Cass. 9 augustus 2022, AR P.22.1036.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.2; Cass. 14 januari 2020, AR P.20.0037.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.20, AC 2020, nr. 39; Cass. 26 maart 2019, AR P.19.0265.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5, AC 2019, nr. 185. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Vereiste van de voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter - Verloop van de ondervraging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.2 Vrije woorden: Informatie over de redenen van arrestatie en de beschuldigingen - Bevel tot aanhouding - Vereiste van de voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter - Verloop van de ondervraging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, tweede en derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Bevel tot aanhouding - Vereiste van de voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter - Verloop van de ondervraging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 7 Volgens de artikelen 21, § 4 en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet oordelen de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling, naar aanleiding van de eerste verschijning van de aangehouden inverdenkinggestelde voor het onderzoeksgerecht, over de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding; daarbij kunnen zij de motivering van dat bevel verbeteren door een reden aan te vullen, een juiste reden in de plaats te stellen van een foutieve reden of duidelijker de omstandigheden te omschrijven waaruit ernstige aanwijzingen van de schuld kunnen worden afgeleid
(1); de onregelmatigheid van het bevel tot aanhouding wegens het ontbreken van elke vermelding van de in artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet bedoelde feitelijke omstandigheden is echter niet herstelbaar; geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel staat eraan in de weg dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, voor de vaststelling van de ernstige aanwijzingen van schuld verwijst naar een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie waarvan het de redenen overneemt; het onderzoeksgerecht kan hierbij ook rekening houden met ernstige schuldaanwijzingen waarover de inverdenkinggestelde niet voorafgaandelijk werd ondervraagd.
(1)Cass. 6 juni 2023, AR P.23.0806.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.20; Cass. 23 juni 1994, AR P.94.0808.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940623.11, AC 1994, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Ernstige aanwijzingen van schuld - Eerste handhaving van de voorlopige hechtenis - Wettigheidscontrole door het onderzoeksgerecht - Aanvulling, verbetering of concretisering van de schuldaanwijzingen - Voorwaarden - Overname van redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.2 Vrije woorden: Informatie over de redenen van arrestatie en de beschuldigingen - Bevel tot aanhouding - Ernstige aanwijzingen van schuld - Eerste handhaving van de voorlopige hechtenis - Wettigheidscontrole door het onderzoeksgerecht - Aanvulling, verbetering of concretisering van de schuldaanwijzingen - Voorwaarden - Overname van redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Eerste handhaving - Wettigheidscontrole - Ernstige aanwijzingen van schuld - Aanvulling, verbetering of concretisering van de schuldaanwijzingen - Voorwaarden - Overname van redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Voorlopige hechtenis - Eerste handhaving - Wettigheidscontrole - Ernstige aanwijzingen van schuld - Eerste handhaving van de voorlopige hechtenis - Wettigheidscontrole door het onderzoeksgerecht - Aanvulling, verbetering of concretisering van de schuldaanwijzingen - Voorwaarden - Overname van redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0018.N B. P., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.2 EVRM en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het oordeel dat het aan het bevel tot aanhouding voorafgaand verhoor door de onderzoeksrechter wetsconform is verlopen, is niet naar recht verantwoord; de eiser werd ondervraagd over en in verdenking gesteld wegens in-, uit- en vervoer van verdovende middelen met de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging (telastlegging A) en het deel uitmaken van een criminele organisatie (telastlegging B); wat de telastlegging A betreft, ontbreekt een verdere concretisering met betrekking tot de plaats en de tijd, terwijl met betrekking tot de telastlegging B de samenstelling van de criminele organisatie niet in het proces-verbaal van verhoor wordt gepreciseerd; de kennisgeving van de feiten waarover de eiser zou worden ondervraagd, bestond uit ambigue telastleggingen, zonder mededeling van de eigenlijke feiten waarop deze zijn gebaseerd; de eiser deelde bij de ondervraging aan de onderzoeksrechter mee dat hij wilde antwoorden op gerichte vragen, maar dat hij niet begreep waarop de vraag om zijn “vrij verhaal” te doen betrekking had; uit de vermelding in het bevel tot aanhouding dat uit het proces-verbaal (…) van 6 december 2024 blijkt dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser deel uitmaakt van een criminele organisatie die zich inliet met de import van cocaïne vanuit Zuid-Amerika, kan het arrest niet wettig afleiden dat de eiser de mogelijkheid had om zijn opmerkingen over de feiten naar voor te brengen; er werden noch tijdens het politieverhoor, noch tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter aan de eiser vragen gesteld over concrete misdrijven, terwijl de onderzoeksrechter de eiser enkel heeft gevraagd of hij zijn verklaringen bij de politiediensten al dan niet bevestigde; de onderzoeksrechter kon het verhoor overigens ook niet delegeren aan de politiediensten; de eiser kon bijgevolg zijn recht van verdediging niet uitoefenen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de telastleggingen A en B in dezelfde bewoordingen worden omschreven in het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter en in het bevel tot aanhouding. Het arrest (p. 10, laatste alinea en p. 11, eerste alinea) oordeelt dat de vermelding van de plaats en de periode van de vermeende feiten in het bevel tot aanhouding niet alleen betrekking heeft op de telastlegging B, maar ook op de telastlegging A. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de telastlegging A niet werd geconcretiseerd naar plaats en tijd van de beweerde feiten, mist het feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de onderzoeksrechter zich bij het aan het bevel tot aanhouding voorafgaand verhoor ertoe heeft beperkt de eiser te vragen of hij zijn verklaring bij de politiediensten al dan niet bevestigde, noch dat de onderzoeksrechter het verhoor over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen, zou hebben gedelegeerd aan de politiediensten. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Artikel 5.2 EVRM bepaalt dat iedere gearresteerde onverwijld in een taal, welke hij verstaat, op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht. Volgens artikel 16, § 2, eerste lid, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet moet de onderzoeksrechter, tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen horen.
- De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde ondervraging moet verlopen. Noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat dit verhoor het karakter moet aannemen van een geleide ondervraging. Niet is vereist dat de onderzoeksrechter vragen stelt betreffende elk detail van de aan de inverdenkinggestelde verweten feiten of specifieke vragen stelt betreffende alle telastleggingen. Het is noodzakelijk maar het volstaat dat de inverdenkinggestelde de gelegenheid krijgt om zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging kan uitoefenen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 10, laatste alinea, p. 11, eerste alinea en p. 12-14) oordeelt met betrekking tot de inverdenkingstelling en het verhoor van de onderzoeksrechter als volgt: - de feiten van de telastleggingen A en B hebben onmiskenbaar betrekking op het gegeven dat de eiser verdacht wordt van (A) in-, uit- en vervoer van verdovende middelen met de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging zoals bedoeld in de artikelen 2bis, § 1, § 3, b, § 4 en § 6, eerste lid, en 2quater, eerste lid, 5°, Drugwet en de artikelen 2, 12°, 14° en 18°, 3, 6, § 1, 8, 50 en 61, en de bijlagen I tot V van het koninklijk besluit van 6 september 2017, en (B) het deel uitmaken van een criminele organisatie zoals bedoeld in de artikelen 324bis en 324ter, § 1, Strafwetboek, waarbij de aanduiding “vanaf 21.09.2022 tot op heden te Oost-Vlaanderen (gerechtelijke arrondissement Oost-Vlaanderen) en elders in het Belgisch rijk” betrekking heeft op zowel de telastlegging A als de telastlegging B; - uit de inhoud van het proces-verbaal van het verhoor door de onderzoeksrechter blijkt ook dat de eiser door de onderzoeksrechter in kennis werd gesteld van deze feiten, waarvan hij wordt verdacht; - de eiser verklaarde bij de onderzoeksrechter dat hij zijn verklaring, afgelegd bij de politie, bevestigde, dat hij daar niets meer aan wenste toe te voegen en dat hij er bij bleef dat hij niets te maken heeft met criminele organisatie of smokkel van verdovende middelen; - waar de onderzoeksrechter de eiser op het feit wees dat er veel voorafgaand onderzoek werd gevoerd en dat er gesprekken werden onderschept die lijken te wijzen op zijn betrokkenheid bij de onderzochte feiten en hem nogmaals vroeg naar zijn commentaar terzake, antwoordde de eiser louter dat hij wil antwoorden op alle gestelde vragen; - toen de eiser nogmaals de gelegenheid kreeg om zijn vrij verhaal te doen, antwoordde hij dat hij niet begreep waarover dit gaat en dat hij verder niets meer wenste toe te voegen; na een onderbreking van het verhoor voor een vertrouwelijk overleg met zijn advocaat voegde de eiser daaraan toe dat hij wil antwoorden op gerichte vragen in een systeem van vraag en antwoord; - dat zowel de eiser als zijn advocaat, die bij het verhoor aanwezig was, tijdens het verhoor geen idee zouden hebben gehad van de concrete feiten waarop de voormelde telastleggingen betrekking hadden, lijkt niet geloofwaardig; - op de vraag of hij na (voor)lezing van zijn verhoor, zijn verklaringen wenste te verbeteren of daaraan iets wenste toe te voegen, antwoordde de eiser ontkennend; - de omstandigheid dat de advocaat van de eiser op het einde van het verhoor, op vraag van de onderzoeksrechter, verklaarde dat het jammer is dat niet meer vragen worden gesteld, doet aan dit alles geen afbreuk; - het voorafgaand verhoor door de onderzoeksrechter is naar het oordeel van het hof van beroep dan ook wetsconform verlopen en er is bijgevolg geen aanleiding om het bevel tot aanhouding onregelmatig te verklaren. Met die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser voorafgaand aan het bevel tot aanhouding door de onderzoeksrechter op een regelmatige en wetsconforme wijze werd ondervraagd over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en dat de eiser in zijn opmerkingen werd gehoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.2 EVRM en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet: door te steunen op ernstige aanwijzingen van de schuld waarover de eiser niet werd ondervraagd, is het bevel tot aanhouding niet naar recht verantwoord; de eiser was niet in staat de schuldaanwijzingen te weerleggen, aangezien hem slechts een misdrijfkwalificatie werd meegedeeld; de eiser werd door de onderzoeksrechter dan ook niet adequaat in kennis gesteld van schuldaanwijzingen waartegen hij zich kon verdedigen; dit blijkt ook uit het arrest, dat het bevel tot aanhouding immers heeft aangevuld door de overname van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, waarin feitelijke elementen staan waarover de eiser nooit werd ondervraagd; de kamer van inbeschuldigingstelling vermocht die onregelmatigheid in het bevel tot aanhouding niet te verhelpen.
- Volgens de artikelen 21, § 4 en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet oordelen de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling, naar aanleiding van de eerste verschijning van de aangehouden inverdenkinggestelde voor het onderzoeksgerecht, over de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding. Daarbij kunnen zij de motivering van dat bevel verbeteren door een reden aan te vullen, een juiste reden in de plaats te stellen van een foutieve reden of duidelijker de omstandigheden te omschrijven waaruit ernstige aanwijzingen van de schuld kunnen worden afgeleid. De onregelmatigheid van het bevel tot aanhouding wegens het ontbreken van elke vermelding van de in artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet bedoelde feitelijke omstandigheden is echter niet herstelbaar.
- Geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel staat eraan in de weg dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, voor de vaststelling van de ernstige aanwijzingen van schuld verwijst naar een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie waarvan het de redenen overneemt. Het onderzoeksgerecht kan hierbij ook rekening houden met ernstige schuldaanwijzingen waarover de inverdenkinggestelde niet voorafgaandelijk werd ondervraagd.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 en 5.4 EVRM en de artikelen 21, § 4 en § 5, 23, 4°, en 30, § 1, § 3, derde lid, en § 4, Voorlopige Hechteniswet: door niet te antwoorden op eisers appelconclusie, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed; de eiser voerde in zijn appelconclusie aan dat het door het ontbreken van een inventaris van het strafdossier onmogelijk is de chronologie van het voegen van de stukken na te gaan, te meer aangezien er ook werd geput uit een ander strafdossier waarbij hij niet betrokken is; evenmin beantwoordt het arrest eisers verweer dat een gerechtelijk onderzoek slechts kan worden gesplitst mits het recht van verdediging wordt geëerbiedigd; deze verweermiddelen worden door de appelrechters niet beantwoord.
- Artikel 5.3 EVRM en de artikelen 21, § 4 en § 5, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet zijn vreemd aan de grief, die betrekking heeft op de verplichting van de raadkamer om te antwoorden op conclusies van de partijen. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het arrest (p. 15-16) oordeelt dat de omstandigheid dat het dossier niet geïnventariseerd is, niet impliceert dat de eiser geen kennis kon nemen van het hele dossier, niet automatisch tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging is geschonden, de eiser dit ook niet aannemelijk maakt en het recht van verdediging van de eiser niet werd miskend. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters eisers verweer over het ontbreken van een inventaris.
- De eiser voerde in zijn appelconclusie aan dat het voorliggende strafdossier om een “geheel onduidelijke reden” werd afgesplitst van een ander strafdossier, terwijl de regels van de samenhang hiervoor een rechtshandeling van de raadkamer vereisen en de eerbiediging van het recht van verdediging. Met het oordeel dat de eiser niet pertinent verwijst naar de regels van de samenhang, verwerpt en beantwoordt het arrest ook dit verweer.
- In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 en 5.4 EVRM: door eisers verweer te verwerpen waarin hij had aangevoerd dat zijn recht van verdediging werd miskend door de afsplitsing van de gerechtelijke onderzoeken, miskent het arrest eisers recht om daadwerkelijk verweer te voeren; het arrest gaat niet na waarom en hoe er werd overgegaan tot het afsplitsen van gerechtelijke onderzoeken, noch of er hierdoor sprake is geweest van het partieel voorleggen van stukken; hierdoor wordt eisers recht miskend om op een effectieve wijze de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding te controleren.
- In zoverre het onderdeel is afgeleid uit het in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940623.11 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.20 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div