← België

S. contra V.

Obsah (40)Art. 555Art. 962Art. 963Art. 964Art. 965Art. 966Art. 967Art. 968Art. 969Art. 970Art. 971Art. 972Art. 972bisArt. 973Art. 974Art. 975Art. 976Art. 977Art. 978Art. 979Art. 980Art. 981Art. 982Art. 983Art. 984Art. 985Art. 986Art. 987Art. 988Art. 989Art. 990Art. 991Art. 991bisArt. 991terArt. 991qArt. 991sArt. 991oArt. 991nArt. 991dArt. 991u

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Fiches 6 - 10 Overeenkomstig artikel 32, eerste streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering besluit de strafrechter tot nietigheid van een bewijselement dat is verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm; die bepaling geldt niet voor een deskundigenverslag waarin de eed of de geschreven handtekening van de deskundige ontbreekt, voor zover de nietigheid die artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek daarvoor telkens bepaalt, in de loop van de strafprocedure is opgeheven; evenmin vereist het in artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces dat in het geval van het ontbreken van de eed of de handtekening van de deskundige op diens verslag, dat verslag steeds nietig wordt verklaard of uit het bewijs wordt geweerd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Fiches 11 - 13 De artikelen 962 tot 991undecies Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op een door de onderzoeksrechter bevolen deskundigenonderzoek, ongeacht diens mogelijkheid om in specifieke gevallen bepaalde van die artikelen toepasselijk te verklaren door in zijn opdracht ernaar te verwijzen of de inhoud ervan over te nemen, in dat geval leidt de schending van een dergelijke bepaling tot nietigheid in zoverre die in een toepasselijk verklaard artikel is bepaald

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Verloop van het deskundigenonderzoek en vereisten voor het eindverslag - Toepassing van de regels van het burgerlijk proces op het deskundigenonderzoek - Grens - Mogelijkheid van de onderzoeksrechter om voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing te verklaren - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 962

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 963

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 964

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 965

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 966

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 967

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 968

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 969

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 970

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 971

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 973

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 974

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 975

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 976

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 977

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 979

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 980

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 981

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 983

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 984

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 985

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 986

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 987

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 988

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 989

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 990

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991ter

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uinquies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

exies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

epties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991o

cties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991n

ovies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991d

ecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991u

ndecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Verloop van het deskundigenonderzoek en vereisten voor het eindverslag - Toepassing van de regels van het burgerlijk proces op het deskundigenonderzoek - Grens - Mogelijkheid van de onderzoeksrechter om voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing te verklaren - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 962

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 963

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 964

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 965

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 966

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 967

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 968

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 969

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 970

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 971

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 973

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 974

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 975

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 976

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 977

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 979

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 980

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 981

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 983

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 984

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 985

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 986

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 987

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 988

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 989

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 990

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991ter

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uinquies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

exies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

epties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991o

cties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991n

ovies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991d

ecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991u

ndecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Verloop van het deskundigenonderzoek en vereisten voor het eindverslag - Toepassing van de regels van het burgerlijk proces op het deskundigenonderzoek - Grens - Mogelijkheid van de onderzoeksrechter om voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing te verklaren - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 962

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 963

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 964

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 965

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 966

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 967

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 968

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 969

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 970

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 971

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 973

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 974

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 975

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 976

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 977

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 979

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 980

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 981

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 983

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 984

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 985

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 986

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 987

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 988

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 989

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 990

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991ter

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uinquies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

exies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

epties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991o

cties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991n

ovies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991d

ecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991u

ndecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 14 - 16 De artikelen 978, § 1 en, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek over het eindverslag van de gerechtsdeskundige en artikel 982 Gerechtelijk Wetboek over het gezamenlijk advies van het college van gerechtsdeskundigen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, behoudens voor wat betreft de in artikel 978, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde verplichting van de deskundige om zijn verslag te ondertekenen; die verplichting heeft hier evenwel geen ruimere draagwijdte dan deze die is bepaald in artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek; meer bepaald vereist artikel 978, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, samengenomen met de artikelen 555/11, § 3, eerste lid, en 555/15 Gerechtelijk Wetboek, niet op straffe van nietigheid dat het verslag wordt ondertekend door een deskundige die is opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Voorwaarde van een ondertekend eindverslag met opgave van stukken en een kostenstaat - Toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek - Grens - Verzuim van een handtekening van een deskundige - Effect op de toelaatbaarheid van het deskundigenverslag als bewijs à charge Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

, §§ 1 en 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Voorwaarde van een ondertekend eindverslag met opgave van stukken en een kostenstaat - Toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek - Grens - Verzuim van een handtekening van een deskundige - Effect op de toelaatbaarheid van het deskundigenverslag als bewijs à charge Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

, §§ 1 en 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Voorwaarde van een ondertekend eindverslag met opgave van stukken en een kostenstaat - Toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek - Grens - Verzuim van een handtekening van een deskundige - Effect op de toelaatbaarheid van het deskundigenverslag als bewijs à charge Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

, §§ 1 en 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 17 - 19 Wanneer de rechter een aan de politie afgelegde verklaring van een verdachte bepalend acht voor diens schuldigverklaring, vereist het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, dat aan die verdachte de bijstand van een raadsman wordt verleend, behoudens indien er dwingende redenen of uitzonderlijke omstandigheden zijn om hem dit recht te ontzeggen; de verklaring van een verdachte moet geacht worden bepalend te zijn voor zijn schuldigverklaring van zodra die verklaring een relevante impact heeft of, gelet op de concrete omstandigheden, moet hebben op de beoordeling van de schuld; dit kan reeds het geval zijn van zodra de verklaring richting geeft aan het onderzoek waarvan de rechter het resultaat betrekt bij de schuldbeoordeling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Waarborg van een eerlijk proces - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Gebruik van verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als bewijs à charge - Criterium van verklaringen die wel of niet bepalend zijn voor de schuldigverklaring - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Gebruik van verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als bewijs à charge - Criterium van verklaringen die wel of niet bepalend zijn voor de schuldigverklaring - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Gebruik van verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als bewijs à charge - Criterium van verklaringen die wel of niet bepalend zijn voor de schuldigverklaring - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 20 - 23 Het feit dat ter gelegenheid van bepaalde politieverhoren het recht van een verdachte op de fysieke bijstand van een advocaat niet werd geëerbiedigd zonder dat daarvoor een dwingende reden of een uitzonderlijke omstandigheid voorhanden was, leidt niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM; het staat immers aan de rechter om te onderzoeken of die beperking de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast in het licht van de omstandigheden van de zaak; bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over de betrouwbaarheid en de juistheid ervan in het licht van de omstandigheden waarin het werd verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 24 - 27 Een appelgerecht dat vaststelt dat een strafvervolging niet binnen een redelijke termijn is beslecht zoals vereist door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR moet remediëren aan die verdragsrechtelijke schending; indien er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, kan die remediëring bestaan in het uitspreken van een straf die reëel en meetbaar lager is dan de straf die door het appelgerecht zou zijn opgelegd bij afwezigheid van een overschrijding van de redelijke termijn; niet is vereist dat het appelgerecht uitdrukkelijk melding maakt van de straf die het zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn; het volstaat dat het appelgerecht ondubbelzinnig aangeeft dat het omwille van de overschrijding een lagere straf oplegt dan de straf die het zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding; het appelgerecht kan daarvoor de redenen van het beroepen vonnis overnemen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Vonnisgerechten - Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1148.N G. S., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent, tegen
  1. M. V.,
  2. E. D.,
  3. A.-M. V.,
  4. L. D.,
  5. G. D., burgerlijke partijen, verweerders, bijgestaan door mr. Luc Arnou en mr. Michele Walgraeve, beiden advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 juni
  6. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Op 9 december 2024 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 17 december 2024 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. De raadsman van de eiseres heeft op 31 december 2024 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  7. Het arrest spreekt de eiseres vrij voor de telastlegging B. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  8. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eiseres veroordeelt tot het betalen van een provisionele schadevergoeding aan de verweerders 1 en 2, een deskundige aanstelt, de beslissing over de definitieve schadevergoedingen aan die verweerders aanhoudt en de zaak onbepaald uitstelt in afwachting van de neerlegging van het eindverslag van de gerechtsdeskundige. Het verzendt de zaak voor verdere afhandeling van de door de eerste rechter aangehouden burgerlijke belangen opnieuw naar de eerste rechter. Dit is geen eindbeslissing als bedoeld in artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering noch, behoudens voor wat betreft het beginsel van aansprakelijkheid, een beslissing bedoeld in artikel 420, tweede lid, van dat wetboek. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 407 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2, 555/6 en 555/15 Gerechtelijk Wetboek: het arrest stelt vast dat dr. R., dit is één van de deskundigen die deel uitmaakte van het door de onderzoeksrechter aangestelde college van gerechtsdeskundigen, ten tijde van zijn aanstelling niet was opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en dat hij het eindverslag van 10 december 2021 niet heeft ondertekend; het arrest oordeelt vervolgens dat de eedformule de enige formaliteit inzake het deskundigenonderzoek is die is voorgeschreven op straffe van nietigheid, alsook dat de nietigheid wegens het ontbreken van de handtekening onder het deskundigenverslag is gedekt door het beroepen vonnis; de deskundige die niet in het register is opgenomen, dient overeenkomstig artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek zijn verslag op straffe van nietigheid te ondertekenen; aangezien de nietigheidssanctie zodoende bij wet is bepaald, dient tot nietigheid te worden besloten op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; overeenkomstig artikel 407 Wetboek van Strafvordering wordt enkel de nietigheid gedekt ingevolge een onregelmatigheid inzake de eed en niet de nietigheid ingevolge een onregelmatigheid inzake de niet-ondertekening van het verslag; elke beklaagde heeft recht op een eerlijk proces.
  10. Artikel 407 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In strafzaken zijn de nietigheden voortkomend uit enige onregelmatigheid betreffende de eed van getuigen, deskundigen of tolken gedekt, wanneer een vonnis of arrest op tegenspraak, behalve datgene dat een maatregel van inwendige aard inhoudt, gewezen is zonder dat de nietigheid door een van de partijen is voorgedragen of door de rechter ambtshalve is uitgesproken.” Overeenkomstig artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek moet de gerechtsdeskundige die is aangesteld zonder in het nationaal register van gerechtsdeskundigen te zijn ingeschreven, op straffe van nietigheid zijn verslag ondertekenen, waarbij hij zijn handtekening laat voorafgaan door de volgende schriftelijke eed: “Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.” Uit die tekst blijkt een nauwe band tussen de handtekening en de eed van de deskundige voor wat betreft de regelmatigheid van het deskundigenverslag als bewijs.
  11. Hieruit volgt dat artikel 407 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de nietigheid die voortvloeit uit het niet naleven van de in artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek bepaalde verplichtingen door de gerechtsdeskundige, zowel met betrekking tot de eedaflegging als met betrekking tot de ondertekening van zijn eindverslag.
  12. Overeenkomstig artikel 32, eerste streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering besluit de strafrechter tot nietigheid van een bewijselement dat is verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm. Die bepaling geldt niet voor een deskundigenverslag waarin de eed of de geschreven handtekening van de deskundige ontbreekt, voor zover de nietigheid die artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek daarvoor telkens bepaalt, in de loop van de strafprocedure is opgeheven.
  13. Evenmin vereist het in artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces dat in het geval van het ontbreken van de eed of de handtekening van de deskundige op diens verslag, dat verslag steeds nietig wordt verklaard of uit het bewijs wordt geweerd.
  14. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Het arrest (p. 23-24) oordeelt onder meer als volgt: - de onregelmatigheid met betrekking tot de eedaflegging is gedekt door het beroepen vonnis; - er zijn geen eigen regels in het strafrecht die op straffe van nietigheid voorschrijven dat het eindverslag moet ondertekend zijn door de gerechtsdeskundige. De regels van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. Dat het eindverslag niet fysiek is geparagrafeerd en is voorzien van een handtekening op het einde door deskundige R. is eveneens gedekt door het beroepen vonnis; - de ondertekening van het eindverslag in strafzaken en in burgerlijke zaken moet volgens dezelfde regels van het Gerechtelijk Wetboek geschieden. Met die redenen, die zowel slaan op de eedaflegging als op het ondertekenen van het deskundigenverslag door de deskundige, verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 407 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2, 555/6, 555/15, 978, § 1 en § 2, en 982 Gerechtelijk Wetboek: uit de vaststellingen die het arrest bevat, kan het niet wettig afleiden dat deskundige R. slechts was aangesteld om te adviseren met betrekking tot de medische beeldvorming en dat er, doordat de deskundigen P. en M. diens besluitvorming van 29 juni 2021 hebben overgenomen, een betrouwbare besluitvorming als driehoofdig college tot stand is gekomen in de vorm van het eindverslag van 10 december 2021; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het college van deskundigen de opdracht had om als college bij meerderheid van stemmen één gezamenlijk verslag in te dienen, dat het deelrapport van deskundige R. dateert van 29 juni 2021, dit is op een moment waarop het onderzoek aan het lichaam van het kind nog moest plaatsgrijpen, dat in dit deelrapport nergens wordt geadviseerd over de gevolgen van de beschreven letsels noch over de te ondergane behandeling en de mate van arbeidsongeschiktheid en dat uit geen van de vermelde stukken nog enige deelname van deskundige R. als lid van het college van deskundigen blijkt na 29 juni 2021 tot aan de ondertekening van het eindverslag op 10 december 2021 door de deskundigen P. en M.
  17. De artikelen 962 tot 991undecies Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op een door de onderzoeksrechter bevolen deskundigenonderzoek, ongeacht diens mogelijkheid om in specifieke gevallen bepaalde van die artikelen toepasselijk te verklaren door in zijn opdracht ernaar te verwijzen of de inhoud ervan over te nemen. In dat geval leidt de schending van een dergelijke bepaling tot nietigheid in zoverre die in een toepasselijk verklaard artikel is bepaald.
  18. Artikel 982 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “De rechter stelt slechts één deskundige aan, tenzij het nodig acht om meerdere deskundigen aan te stellen. De deskundigen maken één enkel verslag op, zij geven één enkel advies bij meerderheid van stemmen. Bij verschil van mening vermelden zij de onderscheiden meningen met de gronden ervan. Het verslag wordt door alle deskundigen ondertekend. Voor verscheidene deskundigen in een zelfde zaak wordt een gedetailleerde gezamenlijke staat van de kosten en het ereloon opgemaakt, met een duidelijke opgave van ieders aandeel”. Artikel 978, § 1 en § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “§ 1 Het eindverslag wordt gedagtekend en vermeldt de tegenwoordigheid van de partijen bij de werkzaamheden, hun mondelinge verklaringen en hun vorderingen. Het bevat bovendien een opgave van de stukken en nota's die de partijen aan de deskundigen hebben overhandigd; het mag de tekst ervan slechts overnemen in zoverre dat nodig is voor de bespreking. Het verslag wordt op straffe van nietigheid door de deskundige ondertekend. §
  19. Het eindverslag en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige, worden ter griffie neergelegd.”
  20. Die bepalingen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, behoudens voor wat betreft de in artikel 978, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde verplichting van de deskundige om zijn verslag te ondertekenen. Die verplichting heeft hier evenwel geen ruimere draagwijdte dan deze die is bepaald in artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek. Meer bepaald vereist artikel 978, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, samengenomen met de artikelen 555/11, § 3, eerste lid, en 555/15 Gerechtelijk Wetboek, niet op straffe van nietigheid dat het verslag wordt ondertekend door een deskundige die is opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen.
  21. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  22. Het arrest (p. 24-25) oordeelt: “Volgens [de eiseres] zou er geen sprake zijn van een collegiale besluitvorming. De betrouwbaarheid van de inhoud van het verslag zou daardoor zijn aangetast. Het hof (van beroep) wijst op de stukken bijgebracht door het openbaar ministerie neergelegd in het strafdossier op 2 mei
  23. Het hof (van beroep) leidt uit deze stukken af dat [deskundige R.] wel degelijk heeft kennis genomen van de bevindingen van [deskundigen P. en M.]. Hij heeft zijn standpunt namelijk herbevestigd in een brief van 5 juli 2021 (voorzien van een digitale handtekening) met de mededeling: “Bij deze mijn herbeoordeling van het radiologisch onderzoek verricht bij jongen (...)”. Uit het besluit van zijn verslag van die datum blijkt zodoende dat hij kennis nam, niet alleen van de bevindingen van het radiologisch onderzoek maar ook van de beschikbare klinische gegevens. Samen genomen met de verduidelijkingen van [deskundige P.] in de mail gericht aan het openbaar ministerie en de oorspronkelijke opdracht van de KI, blijkt dat het verslag wel degelijk integraal in college is genomen met dien verstande dat, conform de opdracht van de KI, [deskundige P.] belast was met de leiding van het onderzoek en [deskundige R.] was aangesteld als subspecialistisch deskundige met betrekking tot de medische beeldvorming. Uit de mail van [deskundige P.] van 27 april 2024 blijkt dat [de deskundigen P. en M.] de besluitvorming van [deskundige R.] hebben overgenomen zodat blijkt dat wel degelijk een betrouwbare besluitvorming is tot stand gekomen. De argumentatie omtrent de kostenstaat is, gelet op het voorgaande, niet relevant. De argumentatie van de verdediging mist feitelijke grondslag nu het geen rekening houdt met de herbeoordeling door [deskundige R.] op 5 juli 2021.” Op grond van die redenen konden de appelrechters wettig oordelen dat het deskundigenverslag niet onregelmatig is en er geen verdere beoordeling van de uitsluiting van het bewijs overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering vereist is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  24. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat “het verslag wel degelijk integraal in college is genomen met dien verstande dat, conform de opdracht van de KI, [deskundige P.] belast was met de leiding van het onderzoek en [deskundige R.] was aangesteld als subspecialistisch deskundige met betrekking tot de medische beeldvorming”; het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 februari 2021 heeft de onderzoeksrechter echter gelast met de aanstelling van een college van deskundigen; aldus is er nergens sprake van een aanstelling met beperkte opdracht aan één van de leden van het college, die dan zou kunnen worden overgenomen door de twee overige leden van het college, die de overige werkzaamheden zouden verrichten en vervolgens slechts met twee een eindverslag zouden opstellen en ondertekenen; zodoende miskent het arrest de bewijskracht van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 februari
  26. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat, die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg afleidt, miskent de bewijskracht van die akte niet.
  27. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel, geeft geen uitlegging van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 februari 2021, maar leidt enkel een juridisch gevolg eruit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest leidt uit de stukken bijgebracht door het openbaar ministerie op 2 mei 2024 en meer specifiek uit de e-mail van 27 april 2024 van deskundige P. af dat “het verslag wel degelijk integraal in college is genomen”; uit dit stuk blijkt echter enkel dat het deskundigenverslag van deskundige R. “door hem op 5.7.2021 digitaal ondertekend [werd] - cfr bijlage - en zijn besluitvorming met betrekking tot de medische beeldvorming door de 2 overige leden van het college die verantwoordelijk zijn voor het geheel van het deskundig verslag [werd] overgenomen”; aldus doet het arrest de e-mail van 27 april 2024 liegen door deze passage uit de e-mail te lezen als zou het verslag van 10 december 2021 “integraal in college” zijn genomen en miskent het zodoende de bewijskracht van dat stuk.
  29. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel, geeft geen uitlegging van de e-mail van deskundige P. van 27 april 2024, maar leidt enkel een juridisch gevolg eruit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest dat uit zijn eigen vaststelling dat een deelrapport van 29 juni 2021 met betrekking tot de medische beeldvorming opgesteld door één deskundige nadien werd overgenomen door de twee andere leden van het college die het eindverslag van 10 december 2021 hebben opgesteld en ondertekend, afleidt dat dit deskundig eindverslag wel degelijk “integraal in college" werd genomen, motiveren hun beslissing op tegenstrijdige en onregelmatige wijze.
  31. Het onderdeel dat niet verduidelijkt hoe en waarom het arrest met de vermelde redenen tegenstrijdig of onregelmatig is gemotiveerd, is onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  32. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: ondanks het uitdrukkelijk verzoek van de eiseres om haar verklaringen van 30 december 2015 en 25 april 2016 uit het debat te weren en ondanks de vaststellingen dat de eiseres tijdens deze verhoren geen bijstand heeft genoten van een raadsman en dat er geen dwingende redenen of uitzonderlijke omstandigheden waren om dit recht te ontzeggen, steunt het arrest bij de beoordeling van de schuldvraag uitdrukkelijk op de verklaringen die de eiseres tijdens de vermelde verhoren heeft afgelegd; meer in het bijzonder oordeelt het arrest dat de vermelde verklaringen niet “de enige of doorslaggevende bewijselementen zijn waarop de schuldigverklaring is gegrond”, zodat door deze verklaringen het recht op een eerlijk proces niet is miskend en deze verklaringen dus niet uit het debat moeten worden geweerd; het arrest onderzoekt echter niet hoe deze verklaringen hebben doorgewerkt naar andere bewijselementen waarop het steunt ter beoordeling van de schuldvraag, zoals het deskundigenverslag van 10 december 2021; bovendien mag de strafrechter noch geheel noch gedeeltelijk rekening houden met verklaringen van een beklaagde afgelegd zonder bijstand van een raadsman, van zodra deze verklaringen een belangrijke of bepalende rol spelen bij de schuldvraag; het is daarbij irrelevant dat men tijdens andere fasen van de procedure wel toegang had tot een raadsman zodat men de onregelmatige verklaringen nog heeft kunnen nuanceren of corrigeren; bij de beoordeling van de schuldvraag verwijst het arrest naar onder meer de verklaringen van de eiseres van 30 december 2015 en 25 april 2016, die erop zouden wijzen dat “zij wel degelijk besef heeft van een incident dat in verband staat met de plotse abnormale toestand van [het kind] op 2 november 2015” en schrijft het die toestand toe aan de handelingen die de eiseres die dag rond het middaguur zou hebben gesteld en waarvan zij zelf aangeeft dat dit gebeurde op een wijze die niet passend was bij een baby van die leeftijd; het arrest oordeelt dat het voor het hof van beroep duidelijk is dat deze handelingen hebben bestaan uit hardhandig schudden vooraleer de baby in het park te leggen, hetgeen verder steun vindt in de besluitvorming van de deskundigen, die de inhoud van de verklaringen afgelegd zonder bijstand van een raadsman hebben afgetoetst; aldus is niet uit te sluiten dat de verklaringen van 30 december 2015 en 25 april 2016 hebben gediend om de overtuiging van de appelrechters, verkregen op grond van andere dossierelementen, te bevestigen.
  33. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  34. Wanneer de rechter een aan de politie afgelegde verklaring van een verdachte bepalend acht voor diens schuldigverklaring, vereist het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, dat aan die verdachte de bijstand van een raadsman wordt verleend, behoudens indien er dwingende redenen of uitzonderlijke omstandigheden zijn om hem dit recht te ontzeggen.
  35. De verklaring van een verdachte moet geacht worden bepalend te zijn voor zijn schuldigverklaring van zodra die verklaring een relevante impact heeft of, gelet op de concrete omstandigheden, moet hebben op de beoordeling van de schuld. Dit kan reeds het geval zijn van zodra de verklaring richting geeft aan het onderzoek waarvan de rechter het resultaat betrekt bij de schuldbeoordeling.
  36. Het feit dat ter gelegenheid van bepaalde politieverhoren het recht van een verdachte op de fysieke bijstand van een advocaat niet werd geëerbiedigd zonder dat daarvoor een dwingende reden of een uitzonderlijke omstandigheid voorhanden was, leidt evenwel niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM. Het staat immers aan de rechter om te onderzoeken of die beperking de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast in het licht van de omstandigheden van de zaak. Bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over de betrouwbaarheid en de juistheid ervan in het licht van de omstandigheden waarin het werd verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties.
  37. Het arrest neemt, voor wat betreft de verhoren die de eiseres op 30 december 2015 en 25 april 2016 heeft afgelegd zonder de fysieke bijstand van een raadsman, de volgende redenen over van het beroepen vonnis (p. 12-14): - de rechtbank verwijst in het bijzonder naar de overeenstemmende medico-legale vaststellingen van de aangestelde wetsdokters L. en W. en van het aangestelde college van deskundigen. Alle deskundigen besluiten dat de op 2 november 2015 vastgestelde letsels bij het kind (bilaterale subdurale hematomen, bilaterale retinale bloedingen en acute encefalopathie) duiden op een niet-accidenteel hoofdtrauma, type shaken-baby syndroom. Er kan volgens de deskundigen geen andere oorzaak van de letsels worden vastgesteld. Het college van deskundigen verduidelijkt dat het letselbilan bij het kind werd veroorzaakt door buitensporig heftig schudden, waarbij wordt verwezen naar twee tot vijf schudbewegingen per seconde gedurende 5 seconden. Nog volgens het college treden de letsels meestal tijdens of onmiddellijk aansluitend op het schudden op. Wanneer de symptomen later optreden, gebeurt dit meestal binnen de 6 uur en ten laatste binnen de 24 uur; - uit de verklaringen van de vader van het kind en van de eiseres blijkt dat de vader het kind op 2 november 2015 omstreeks 7.45 uur in goede algemene toestand bij de eiseres heeft afgezet. Uit de verklaringen van de moeder en de eiseres blijkt dat de eiseres haar omstreeks 14.40 uur opbelde, waarna zij ter plaatse kwam. Nadien belde de eiseres de hulpdiensten; - uit een samenlezing van de verklaringen van de eiseres van 4 november 2015, 5 november 2015, 30 december 2015, 25 april 2016 en 2 juni 2017, die door de eiseres werden bevestigd op de rechtszitting van 5 september 2023, blijkt dat het kind in het begin van de ochtend rustig was. Vanaf 10 uur was hij onrustig (huilen en wrikkelen). De eiseres verklaarde dat ze hem van zijn park naar het kinderbedje boven droeg, waar hij niet wilde slapen. Ze legde hem daarna terug beneden in zijn babysit, waar hij opnieuw onrustig werd. Ze probeerde hem eten te geven, maar hij wilde niets eten. Ze heeft hem dan terug in het park gelegd en hij heeft geslapen tussen 12 en 14.20 uur. Daarna was hij terug onrustig en toen ze hem opnam, was hij slap en draaiden zijn oogjes weg. Ze probeerde hem wakker te maken maar het lukte niet, waarna ze de moeder verwittigde. De eiseres verklaarde ook dat zij gestresseerd was rond de middag omdat alle kindjes op hetzelfde ogenblik moeten eten en dat zij op dat moment een emotioneel moeilijke periode doormaakte. Ze verklaarde dat het kan zijn dat zij op dat ogenblik het kind wat vlugger in zijn park heeft gelegd en dat ze daarbij onvoorzichtig kan zijn geweest. Ze heeft het kind met beide handen vastgenomen onder de oksels, met haar duimen aan de voorzijde en haar vingers onder zijn schouders, waarbij ze zijn hoofdje niet heeft vastgehouden. Ze heeft het kind niet geschud; - de verklaring van de eiseres dat zij onvoorzichtig is geweest door het kind vlugger in het park te leggen waarbij zij hem met beide handen vastnam onder de oksels zonder het hoofdje vast te houden, strookt niet met voormelde medico-legale vaststellingen. Deze handeling kan volgens het college van deskundigen het letselbilan van het kind niet verklaren. De verklaring van de eiseres is op dat punt dan ook naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig; - uit het strafdossier kan met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de eiseres het kind op 2 november 2015 tussen 7.45 uur en 14.40 uur ernstig heeft geschud, met de vastgestelde letsels tot gevolg; - de eiseres heeft hierbij wetens en willens gehandeld, zodat het algemeen opzet zoals vereist door de artikelen 392, 398 en 400 Strafwetboek bewezen voorkomt. Uit de medische vaststellingen blijkt immers dat een accidentele oorzaak uitgesloten is. Het gegeven dat de eiseres niet de bedoeling had om het kind schade toe te brengen noch dat zij de concrete schadelijke gevolgen van haar gedrag heeft gewild, is hierbij niet relevant. Het moreel bestanddeel bij het misdrijf opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen heeft immers alleen betrekking op het toebrengen van de slag of de verwonding; - in deze omstandigheden en in het licht van het geheel van het strafproces is de rechtbank van oordeel dat de verhoren van 30 december 2015 en 25 april 2016 het recht op een eerlijk proces van de eiseres, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, niet hebben miskend. Deze verhoren dienen derhalve niet uit het debat te worden geweerd.
  38. Het arrest (p. 26-28) oordeelt daarover met eigen redenen als volgt: - de verhoren van 30 december 2015 en 25 april 2016 zijn afgenomen zonder fysieke bijstand van een advocaat en zonder dat er zich uitzonderlijke omstandigheden of dwingende redenen hebben voorgedaan die konden verantwoorden dat de bijstand van een advocaat aan de eiseres werd ontzegd; - uit het strafdossier blijkt echter niet dat de verklaringen afgelegd door de eiseres op 30 december 2015 en 25 april 2016 de enige of doorslaggevende bewijselementen zijn waarop de schuldigverklaring is gegrond. De eiseres heeft in de loop van het strafonderzoek ook op andere tijdstippen, zowel voor als na de betwiste verklaringen van 30 december 2015 en 25 april 2016, verklaringen afgelegd waarbij het recht op de bijstand van een advocaat wel was gegarandeerd; - de eiseres heeft bij haar eerste politioneel verhoor op 4 november 2015 de gelegenheid gekregen zich te laten bijstaan door een advocaat. Zij heeft daarvan, na telefonisch overleg met haar advocaat, rechtsgeldig afstand gedaan. Bij de onderzoeksrechter is zij verhoord met fysieke bijstand van een advocaat. Ook later in de strafprocedure, meer bepaald op 2 juni 2017, is zij verhoord met bijstand van een advocaat. De eiseres heeft in de loop van het strafonderzoek meermaals de gelegenheid gekregen om haar eerdere verklaringen te nuanceren en op bepaalde punten te corrigeren. Tijdens het verhoor van 25 april 2016 overhandigde ze een vooraf opgestelde verklaring waarvan zij meedeelde dat zij deze verklaring samen met haar advocaat had geschreven. Op 2 juni 2017 werd zij verhoord met bijstand van haar raadsman. Tijdens dit verhoor bracht zij correcties en nuanceringen aan aan haar verhoor van 30 december
  39. Over haar verhoor van 25 april 2016 had zij geen opmerkingen; - het hof van beroep leidt hieruit af dat de eiseres in de loop van het vooronderzoek meermaals met haar advocaat heeft kunnen overleggen over hoe zij zich tegenover de ten laste gelegde feiten zou opstellen. Haar advocaat heeft haar op diverse tijdstippen vertrouwelijke aanwijzingen kunnen geven die zij ook heeft gevolgd; - naast de eigen verklaringen van de eiseres is in dit dossier meer relevant bewijsmateriaal voorhanden. De verklaringen van 30 december 2015 en 25 april 2016 zijn dan ook niet de enige of doorslaggevende bewijselementen in de beoordeling. Er zijn meerdere getuigen verhoord over het tijdsverloop en het gedrag van de eiseres op de dag van de feiten, er is sms-verkeer, er zijn medico-legale vaststellingen van de dag van de feiten, er is medische beeldvorming en grondig onderzoek door een college van gerechtsdeskundigen.
  40. Het arrest houdt voor de beslissing over de schuldigverklaring van de eiseres voor het overige rekening met de volgende gegevens: - de in het beroepen vonnis vermelde feiten over de gebeurtenissen op 2 november 2015, aangevuld met getuigenverklaringen van buren van de eiseres; - de verklaring van de eiseres van 30 december 2015 over wat er zich volgens haar heeft afgespeeld op 2 november 2015 rond het middageten, die wordt geciteerd als volgt: “Op dat ogenblik was het mij eventjes te veel, ik was nerveus en dan is er iets gebeurd dat eigenlijk niet had mogen gebeuren. In een snelle handeling was ik de controle eventjes kwijt. Ik heb nooit de intentie gehad om iemand te kwetsen of pijn te doen. [Het kind] wilde niet eten, hij wilde niet drinken, er was niets goed. Ik heb [het kind] in een snelle handeling van de babysit bruut in zijn park gelegd. Ik heb [het kind] zeker niet door elkaar geschud. Ik heb enorm veel spijt, het besef dat het eventueel door mij zou zijn dat [het kind] dit is overkomen kan ik moeilijk vatten”; - het feit dat de eiseres in haar verklaring van 25 april 2016 haar verklaring nuanceerde en zei: “Ik heb [het kind] wat vlugger verlegd van de ene plaats naar de andere. Dat was van het babysitje op de grond naar het park. Het was een heel druk moment omdat alle kindjes hun eten moesten hebben. Ik heb [het kind] dan vastgenomen en vlug vanuit het babysitje in het park gelegd. Ik diende daarbij een draaibeweging naar links te maken.” Ze verklaarde verder dat ze het kind daarbij met beide handen had vastgenomen onder de oksels, met haar duimen aan de voorzijde en haar vingers onder zijn schouders. Ze heeft zijn hoofdje niet vastgehouden bij deze beweging. Over haar privésituatie verklaarde ze: “Ik zat op dat moment in een mentaal moeilijke periode. Ik had een lange relatie achter de rug en de persoon met wie ik die relatie had, had recent contact gezocht met mij. Ik had het daar moeilijk mee. Ik was ondertussen ook wat meer alcohol beginnen drinken, soms om bepaalde zaken te kunnen vergeten”; - de verklaring van de eiseres van 2 juni 2017, waarin zij haar verklaring van 30 december 2015 nuanceerde. Het woord “bruut” wou ze veranderen in het feit dat ze het kind in een snelle handeling gewoon wat vlugger in zijn park heeft gelegd dan meestal. Het gebeurde in een vloeiende beweging. Over haar mentale toestand verklaarde ze: “Ik voelde mij ambetant bij het feit dat [het kind] niet wilde eten en niet wilde slapen. Daardoor was ik nerveus omdat de andere kindjes ook moesten eten en heb ik [het kind] in een snelle handeling verlegd zonder zijn hoofd voldoende te ondersteunen. Ik begrijp niet dat die handeling zo’n gevolgen zou kunnen hebben.” Haar verklaring afgelegd op 25 april 2016 wou ze niet gewijzigd zien; - de verklaringen van de eiseres wijzen erop dat zij wel degelijk besef heeft van een incident dat in verband staat met de plotse abnormale toestand van het kind op 2 november 2015 omstreeks 14.20 uur. De toestand van het kind is niet uit het niets gekomen, maar is te wijten aan de handelingen die de eiseres stelde op 2 november 2015 rond het middaguur en waarvan zij zelf, zelfs in haar meest minimaliserende verklaring, aangeeft dat dit gebeurde op een wijze die niet passend was bij een baby van vijf maanden oud; - het is voor het hof van beroep, zoals voor de eerste rechter, duidelijk dat deze handelingen erin bestonden dat de eiseres het kind bewust hardhandig heeft geschud. Het incident was veel erger dan zij ook voor zichzelf wil doen uitschijnen; - alleen hevige schudhandelingen kunnen namelijk overeenstemmen met de feitelijke zekerheid dat het kind geen uitwendige verwondingen vertoonde, maar inwendig wel een acute hersenbloeding had en ernstige overdruk met een algehele malaise (encefalopathie) en fulminante retinale bloedingen. Het staat voor het hof van beroep boven elke redelijke twijfel vast dat de eiseres het kind hardhandig heeft dooreengeschud alvorens zij hem in het park heeft gelegd. Het incident kan niet worden geïdentificeerd met de versie beschreven door de eiseres; - deze vaststelling vindt verder steun in de besluitvorming van het college van deskundigen. Het hof van beroep heeft deze besluitvorming afgetoetst aan de in beslag genomen medische stukken en de door de eiseres bijgebrachte medische literatuur. Het hof van beroep heeft daarbij vastgesteld dat deze besluitvorming integraal overeenstemt met het medisch (beeld)materiaal en de bevindingen van de diverse kinderartsen, kinderneurologen, pediatrisch radiologen, kindercardioloog, kinderrevalidatie-artsen en artsen verbonden aan het Centrum voor medische genetica van het UZ Gent, die het kind klinisch hebben opgevolgd van bij de geboorte, onmiddellijk na de feiten van 2 november 2015, gedurende de periode van opname en gedurende zijn daaropvolgende revalidatieperiode; - van een onvoorzichtigheid is geen sprake geweest. De feiten zijn wel degelijk het gevolg van een bewuste handeling van de eiseres, meer bepaald het hardhandig schudden van het toen vijf maanden oude kind. Elke versie van de eiseres over wat zich op 2 november 2015 rond het middaguur heeft voorgedaan, is in strijd met het specifieke letselbilan en bijgevolg ongeloofwaardig; - dat de eiseres achteraf (en tot op vandaag) moeite heeft om zichzelf te herkennen in deze feiten is begrijpelijk, maar slechts een subjectief gegeven. Er kan namelijk niet worden gesteld dat de eiseres de gevolgen van haar handelingen voor het kind heeft gewild. Het gegeven dat de eiseres niet de bedoeling had om het kind schade toe te brengen, is echter juridisch niet relevant. De eiseres was op 2 november 2015 overigens buiten haar normale doen. Het hof van beroep verwijst ter zake naar de volgende, objectieve elementen van het strafdossier: (a) het aangetroffen sms-verkeer waaruit blijkt dat de eiseres op de dag van de feiten weinig animo had om te werken en zin had om te slapen, wat haar niet lukte, (b) de vaststelling dat de eiseres die dag uitzonderlijk niet kon rekenen op de bijstand van haar moeder, (c) de herhaalde verklaringen van de eiseres waarin zij erop wees dat ze zich in een moeilijke periode bevond omwille van een relatiebreuk, (d) de herhaalde verklaringen van de eiseres dat zij op het moment van het middaguur nerveus was, (e) de vaststelling dat een buur van de eiseres op het ogenblik van de feiten vaststelde dat de adem van de eiseres naar alcohol rook, (f) de verklaring van een andere buurvrouw waaruit blijkt dat de eiseres de avond voordien bijzonder laat naar bed was gegaan en (g) de verklaringen van de eiseres waarin ze toegeeft dat ze de avond voordien veel alcohol had gedronken, wat ongetwijfeld een negatieve invloed moet hebben gehad op haar fysiek en mentaal draagvermogen op het ogenblik van de feiten; - de subjectieve perceptie van de eigen persoonlijkheid van de eiseres doet dan ook geen afbreuk aan de vaststelling van het hof van beroep dat de feiten van telastlegging A integraal bewezen zijn gebleven.
  41. Uit het geheel van die vaststellingen blijkt dat het arrest uit de verklaringen van de eiseres op 30 december 2015 en 25 april 2016 geen schuldelementen afleidt die in essentie niet ook reeds blijken uit andere gegevens, in het bijzonder de verklaringen die de eiseres wel met de fysieke bijstand van haar raadsman heeft afgelegd, de verklaringen van derden en de omstandige medische gegevens. Daaruit blijkt ook dat de eiseres zowel tijdens haar navolgend verhoor met de bijstand van een raadsman als ter gelegenheid van haar verklaringen tijdens de onderzoeken op de rechtszittingen de gelegenheid heeft gehad haar voorgaande verklaringen te nuanceren en te corrigeren. Verder blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, in het bijzonder uit het gegeven dat het college van gerechtsdeskundigen de verklaringen van de eiseres heeft afgetoetst aan de medische bevindingen, niet dat die verklaringen het onderzoek zouden hebben gestuurd in een welbepaalde richting. Evenmin blijkt uit de vermelde redenen dat het logenstraffen door het arrest van bepaalde verklaringen van de eiseres een impact heeft gehad op haar schuldigverklaring.
  42. Hieruit volgt dat het arrest naar recht de beslissing verantwoordt dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiseres niet zijn miskend doordat haar zonder de fysieke bijstand van een raadsman aan de politie afgelegde verklaringen van 30 december 2015 en 25 april 2016 niet uit het debat zijn geweerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  43. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiseres schuldig aan de telastlegging A met inbegrip van de verzwarende omstandigheid bedoeld in artikel 399, eerste lid, Strafwetboek; het wijst het verzoek van de eiseres tot het horen van de artsen L. en A. als getuigen à décharge ter rechtszitting af als overbodig wegens het reeds uitgevoerde genetisch onderzoek, zonder daarbij in te gaan op het verweer van de eiseres dat volgens de actuele medische kennis genetisch onderzoek tot een andere conclusie kan leiden inzake de voorbeschiktheid van het kind voor na de feiten vastgestelde symptomen en zonder te toetsen welke de impact van het niet-horen ter rechtszitting is op het recht op een eerlijk proces van de eiseres in zijn totaliteit.
  44. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. Artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR heeft dezelfde draagwijdte.
  45. Deze verdragsbepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting te horen.
  46. Uit artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter aan wie wordt gevraagd een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dit verzoek moet toetsen aan de hand van de volgende drie criteria: i) het voldoende onderbouwd zijn van het verzoek tot het horen van de getuige à décharge op de rechtszitting en de relevantie van die getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging; ii) het voorhanden zijn van afdoende redenen voor de beslissing dat de getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en dus voor de beslissing de getuige niet te horen ter rechtszitting; iii) de impact van de beslissing de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting op het recht van de beklaagde op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd.
  47. De beoordeling van de relevantie van de getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging mag niet abstract gebeuren, maar vereist een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak. De rechter moet bijgevolg zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst.
  48. De rechter is evenwel niet verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge: het volstaat dat de beklaagde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging.
  49. Het arrest (in het bijzonder p. 40-43) stelt onder meer vast dat het kind pas een ernstige ontwikkelingsachterstand heeft opgelopen na de feiten, dat de zeer beperkte taalontwikkeling van het kind volgens diverse medische attesten te wijten is aan de impact van de feiten op de hersenen, dat volgens het genetisch onderzoek het kind weliswaar drager is van een variant van het EHMT1-gen, maar dat de diagnose van het Kleefstra-syndroom niet is vastgesteld, alsook dat noch de EHMT1-gen variant noch het Kleefstra-syndroom hersenbloedingen veroorzaken. Aldus vermeldt het arrest de concrete omstandigheden eigen aan de zaak waaruit het afleidt dat het horen van de door de eiseres vermelde artsen als getuige à décharge op de rechtszitting geen relevantie heeft voor het voorwerp van de beschuldiging en stelt het vast dat het niet-horen van die artsen het recht op een eerlijk proces van de eiseres in zijn geheel beschouwd niet aantast. Die beslissing is naar recht verantwoord en begrijpelijk, zonder dat de appelrechters daarvoor verder moesten ingaan op de technisch-medische aanvoeringen van de eiseres. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  50. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest verwerpt het verzoek van de eiseres tot het organiseren van een getuigenverhoor ter rechtszitting door de briefwisseling van dr. A. zo uit te leggen dat “de conclusie luidt dat [het kind] geen Kleefstra-syndroom kent”, waaruit zou blijken dat de medische piste Kleefstra-syndroom werd “uitgesloten”; uit de in het onderdeel aangehaalde stukken blijkt evenwel slechts dat er “duidelijke twijfel is over de betekenis van de variant”, er “voorlopig” geen enkel symptoom aan deze EHMT1-variant kan worden geweten en dr. A. eindigt met “Ik vermoed dat, gezien er geen typische Kleefstra symptomen zijn, deze variant naar de toekomst toe een onschuldige genetische variatie zal blijken te zijn. Tot op heden kunnen we enkel stellen dat we bij deze jongen klinisch geen diagnose van Kleefstra syndroom kunnen weerhouden”; bijgevolg is er geen sprake van “conclusies” of “slotconclusies”, laat staan van het “uitsluiten” van deze medische piste; aldus miskent het arrest de bewijskracht van de e-mails van dr. A. van 13 oktober
  51. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een akte indien de uitlegging die de rechter van de akte geeft een mogelijke uitlegging is, desgevallend naast andere, die niet onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud van de akte.
  52. Met de redenen die het onderdeel vermeldt, geeft het arrest van de e-mails van dr. A. van 13 oktober 2021 een uitlegging die niet volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  53. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verwerpt het verzoek van de eiseres tot aanstelling van een nieuw college van deskundigen en minstens de vraag tot het getuigenverhoor ter rechtszitting van de artsen L. en A. omdat dit overbodig zou zijn, zonder deze afwijzing te motiveren aan de hand van de drie criteria geldend ter beoordeling van een verzoek tot het horen van een getuige à décharge, zonder toe te lichten hoe het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd intact zou zijn gebleven en zonder in te gaan op het verweer van de eiseres inzake de gewijzigde stand van de wetenschap; aldus is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
  54. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter tot in het detail moet ingaan op elk argument dat een partij voor hem aanvoert. Aldus kan de rechter voor het beantwoorden van een technisch-medisch verweer dat een partij voor hem aanvoert, verwijzen naar medische verslagen die het tegendeel aantonen en die de rechter betrouwbaar acht. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  55. Het arrest verwijst voor het onaantastbare oordeel over de bewezen verklaarde verzwarende omstandigheid van artikel 400 Strafwetboek, zoals van toepassing, onder meer naar gelijkluidende verslagen van de artsen, naar de medische beeldvorming en naar de medische ingrepen na de feiten. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres en is de beslissing tot het afwijzen van een getuigenverhoor of de aanstelling van een nieuw college van deskundigen regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
  56. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters beperken zich ertoe de redenen van het beroepen vonnis over de overschrijding van de redelijke termijn over te nemen zonder daarbij op reële en meetbare wijze te verantwoorden hoe de door hen opgelegde straf in concreto wordt verminderd in verhouding tot de straf die zij in hoger beroep zouden hebben opgelegd indien de zaak zonder vertraging berecht zou zijn geweest.
  57. Een appelgerecht dat vaststelt dat een strafvervolging niet binnen een redelijke termijn is beslecht zoals vereist door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR moet remediëren aan die verdragsrechtelijke schending. Indien er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, kan die remediëring bestaan in het uitspreken van een straf die reëel en meetbaar lager is dan de straf die door het appelgerecht zou zijn opgelegd bij afwezigheid van een overschrijding van de redelijke termijn.
  58. Niet is vereist dat het appelgerecht uitdrukkelijk melding maakt van de straf die het zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn. Het volstaat dat het appelgerecht ondubbelzinnig aangeeft dat het omwille van de overschrijding een lagere straf oplegt dan de straf die het zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding. Het appelgerecht kan daarvoor de redenen van het beroepen vonnis overnemen.
  59. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  60. De eerste rechter (beroepen vonnis, p. 15) stelt de overschrijding van de redelijke termijn vast en oordeelt dat hij bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van de eiseres een straf zal opleggen die op reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld. De eerste rechter vermeldt verder de redenen op grond waarvan hij de eiseres wegens de bewezen verklaarde telastlegging A veroordeelt tot een gevangenisstraf van achttien maanden met volledig uitstel van tenuitvoerlegging voor de duur van vijf jaar. Tot die redenen behoort de overschrijding van de redelijke termijn.
  61. Het arrest vermeldt de redenen op grond waarvan het de aldus uitgesproken straf voor de bewezen gebleven telastlegging A bevestigt. Het (p. 44) verwijst daarbij onder meer naar “de overwegingen, vervat in het beroepen vonnis (blz. 15-16) met inbegrip van de motivering aangaande de overschrijding van de redelijke termijn, die alhier als hernomen worden beschouwd”. Aldus blijkt dat de appelrechters gelet op de overschrijding van de redelijke termijn de aan de eiseres opgelegde straf reëel en meetbaar hebben verminderd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  62. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede (lees vijfde) lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters die vaststellen dat de redelijke termijn werd overschreden en daarbij een straf opleggen die niet lager is dan het wettelijk minimum, zonder daarbij op reële en meetbare wijze te motiveren hoe de straf wordt verlaagd in verhouding tot de straf die zij zouden hebben opgelegd mocht er geen vertraging in de berechting van de zaak geweest zijn, laten het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  63. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel kan het Hof zijn wettigheidscontrole uitoefenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  64. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 216,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251029.2F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.