← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.8 Rolnummer: P.24.1732.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-01-17 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-06-18 23:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 2 Artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering verzetten zich niet ertegen dat de strafuitvoeringsrechter het voorhanden zijn van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden enkel grondt op het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde, dat concreet wordt toegelicht. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechter - Modaliteit van beperkte detentie - Tegenaanwijzingen - Manifest risico voor de fysieke integriteit van derden - Verwijzing naar het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Modaliteit van beperkte detentie - Tegenaanwijzingen - Manifest risico voor de fysieke integriteit van derden - Verwijzing naar het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering verplichten de strafuitvoeringsrechter bij de beoordeling van het bestaan van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing niet te antwoorden op door een veroordeelde ingediende stukken of om naar die stukken te verwijzen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechter - Modaliteit van beperkte detentie - Tegenaanwijzingen - Manifest risico voor de fysieke integriteit van derden - Motiveringsplicht - Geen antwoord op ingediende stukken - Geen verwijzing naar ingediende stukken - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Modaliteit van beperkte detentie - Tegenaanwijzingen - Manifest risico voor de fysieke integriteit van derden - Motiveringsplicht - Geen antwoord op ingediende stukken - Geen verwijzing naar ingediende stukken - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1732.N I en II P. V. D., veroordeelde tot vrijheidsstraf, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 13 december 2024 (nr. 24/4121) (hierna vonnis I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 13 december 2024 (nr. 24/4122) (hierna vonnis II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het vonnis I. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan betreffende het vonnis II. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel betreffende het vonnis I Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis I wijst eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie af op grond van de tegenaanwijzing dat er een manifest risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden en dit enkel met een verwijzing naar zijn strafrechtelijk verleden; dat is een passe-partout motivering aangezien die motivering kan worden gebruikt in om het even welke zaak waarin om deze strafuitvoeringsmodaliteit wordt verzocht; een dergelijke passe-partout motivering impliceert een gebrek aan antwoord. 2. Artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering verzetten zich niet ertegen dat de strafuitvoeringsrechter het voorhanden zijn van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden enkel grondt op het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde, dat concreet wordt toegelicht. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Het vonnis I grondt het oordeel over het voorhanden zijn van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing op het volgende: - het zeer zwaar strafrechtelijk verleden van de veroordeelde met onder meer drie veroordelingen wegens opzettelijke slagen, al dan niet met ziekte of ongeschiktheid tot gevolg, alsook liefst negen veroordelingen wegens bezit en verkoop van verdovende middelen, waarvan één in combinatie met het zonder vergunning opslaan van wapens en het dragen van een verboden wapen; - het gegeven dat de laatste veroordeling, voorwerp van deze strafuitvoering, een effectieve gevangenisstraf betreft van dertig maanden wegens bezit en verkoop van verdovende middelen; - de appelrechters hebben die veroordeling gemotiveerd door onder meer te verwijzen naar het feit dat de eiser feiten blijft plegen, waardoor een alternatieve bestraffing niet langer voldoende is om hem daarvan te weerhouden. Dit betreft geen passe-partout motivering die kan worden aangenomen ter afwijzing van om het even welk verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie, maar is een redengeving die specifiek op de eiser betrekking heeft. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis I wijst eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie af op grond van de tegenaanwijzing dat er een manifest risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden en dit door enkel te verwijzen naar eisers strafrechtelijk verleden; het maakt geen melding van de door de eiser ingediende stukken waaruit blijkt dat de eiser een drughulpverlening kan aanvatten; indien het vonnis I dit had gedaan, kon er aan die tegenaanwijzing worden tegemoet gekomen met het opleggen van bijzondere voorwaarden; de motivering van het vonnis I is noch dienstig noch duidelijk; het vonnis is niet naar recht verantwoord daar het dossier onvolledig is. 5. Artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering verplichten de strafuitvoeringsrechter bij de beoordeling van het bestaan van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing niet te antwoorden op door een veroordeelde ingediende stukken of om naar die stukken te verwijzen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 6. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het vonnis I heeft ter afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie op grond van de tegenaanwijzing van het risico voor de fysieke integriteit van derden enkel verwezen naar zijn strafrechtelijk verleden; het heeft niet verwezen naar de door de eiser aan het dossier toegevoegde stukken waaronder stukken betreffende de drughulpverlening; die stukken bevinden zich niet in het dossier niettegenstaande de griffie heeft bevestigd dat ze werden ontvangen; het vonnis I werd gewezen op basis van een onvolledig dossier; het vonnis I is daardoor ook niet naar recht verantwoord. 8. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste en tweede onderdeel moet het om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen worden verworpen. 9. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Middelen betreffende het vonnis II Eerste middel 10. Het middel heeft voor wat betreft de afwijzing van het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht in zijn drie onderdelen dezelfde strekking als de drie onderdelen van het enig middel betreffende het vonnis I. Het moet dan ook omwille van de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede middel 11. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 28, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering: het vonnis II oordeelt met de reden dat de eiser aangeeft als hulparbeider te werken, maar daarvan geen bewijzen voorlegt, dat de tegenaanwijzing van het niet in zijn behoeften kunnen voorzien voorhanden is; de eiser heeft nochtans die bewijzen wel degelijk ingediend; het vonnis is dan ook niet naar recht verantwoord. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis II is tegenstrijdig gemotiveerd omdat het melding maakt van het gebrek aan neerlegging van stukken betreffende de tewerkstelling als hulparbeider, terwijl het vonnis I dit niet doet. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek: het vonnis II oordeelt ten onrechte dat de eiser geen bewijzen voorlegt van een tewerkstelling als hulparbeider; de eiser heeft die stukken wel degelijk ingediend; het vonnis heeft een onregelmatigheid begaan bij de vaststelling van de feiten. 12. Het vergeefs met het eerste middel bekritiseerde oordeel over het voorhanden zijn van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden schraagt de afwijzende beslissing betreffende de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht. Het middel dat in zijn drie onderdelen het oordeel over het voorhanden zijn van de door artikel 28, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing bekritiseert, kan dan ook niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen I en II. Veroordeelt de eiser tot de kosten van de cassatieberoepen I en II. Bepaalt de kosten in het geheel op 6,11 euro, waarvan op het cassatieberoep I 3,05 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 3,06 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.8 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250722.VAK.1 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260401.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.