← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen à charge - Horen van getuige over wijze waarop bewijs is verzameld - Verbalisanten - Geen toetsing aan de criteria ter beoordeling van het al dan niet horen van getuige à charge - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Verantwoording - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Horen van getuigen à charge - Horen van getuige over wijze waarop bewijs is verzameld - Verbalisanten - Geen toetsing aan de criteria ter beoordeling van het al dan niet horen van getuige à charge - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Verantwoording - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht van verdediging - Horen van getuigen à charge - Horen van getuige over wijze waarop bewijs is verzameld - Verbalisanten - Geen toetsing aan de criteria ter beoordeling van het al dan niet horen van getuige à charge - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Verantwoording - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Recht van verdediging - Horen van getuigen à charge - Horen van getuige over wijze waarop bewijs is verzameld - Verbalisanten - Geen toetsing aan de criteria ter beoordeling van het al dan niet horen van getuige à charge - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Verantwoording - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Recht van verdediging - Horen van getuigen à charge - Horen van getuige over wijze waarop bewijs is verzameld - Verbalisanten - Geen toetsing aan de criteria ter beoordeling van het al dan niet horen van getuige à charge - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Verantwoording - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 12 - 14 Een vereniging zoals bedoeld in artikel 2bis, § 3, b, Drugswet vereist het bestaan van een georganiseerde groep van minstens twee personen, met als doel de ongeoorloofde bedrijvigheid met betrekking tot slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope stoffen, die voorkomen op de krachtens deze wet door de Koning vastgestelde lijst; leidend persoon in een dergelijke vereniging, zoals bedoeld in artikel 2bis, § 4, b, Drugswet, is degene die een actieve rol speelt bij de organisatie en het bestaan van de vereniging, die binnen de vereniging de belangrijke beslissingen neemt en die een zekere mate van gezag over de leden van de vereniging heeft

(1).
(1)Zie Cass. 20 november 2024, AR P.24.1175.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241120.2F.15. Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Vereniging als bedoeld in artikel 2bis, § 3, b, Drugswet - Verzwarende omstandigheid - Leidend persoon als bedoeld in artikel 2bis, § 4, b, Drugswet - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 3, b en 4, b - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Verdovende middelen - Vereniging als bedoeld in artikel 2bis, § 3, b, Drugswet - Verzwarende omstandigheid - Leidend persoon als bedoeld in artikel 2bis, § 4, b, Drugswet - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 3, b en 4, b - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Vereniging als bedoeld in artikel 2bis, § 3, b, Drugswet - Verzwarende omstandigheid - Leidend persoon als bedoeld in artikel 2bis, § 4, b, Drugswet - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 3, b en 4, b - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiche 15 Het openbaar ministerie heeft onder meer als opdracht de rechter bij te staan in de uitlegging van de wet en de toepassing ervan op de hem voorgelegde zaken; die bijstandsplicht houdt de verplichting in om de rechter op onpartijdige wijze in te lichten over de oplossing die het proces volgens de wet moet kennen, ook al is die oplossing strijdig met de door het openbaar ministerie genomen vordering en aldus beperkt de opdracht van het openbaar ministerie zich niet tot die van aanklager, wiens betrachting erin bestaat de beklaagde te doen veroordelen
(1).
(1)Cass. 30 april 2014, AR P.13.1869.F, AC 2014, nr. 307, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2; Cass. 19 december 2012, AR P.12.1310.F, AC 2012, nr. 701, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.1. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Opdracht van het openbaar ministerie - Bijstand van de rechter in de uitlegging en toepassing van de wet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 16 Het loyaliteitsbeginsel houdt in dat alle door het openbaar ministerie verzamelde gegevens bij het strafdossier worden gevoegd, inzonderheid de gegevens à décharge en die loyaliteit houdt eveneens in dat, wanneer het openbaar ministerie om redenen van privacy of het onderzoeksgeheim enkel een selectie van in een ander onderzoeksdossier aanwezige bewijsgegevens aan het strafdossier kan toevoegen, die selectie ook alle relevante gegevens à décharge bevat
(1).
(1)Cass. 12 mei 2015, AR P.13.1399.N, AC 2015, nr. 303, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.2; Cass. 19 december 2012, AR P.12.1310.F, AC 2012, nr. 701, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.1. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Loyaliteitsbeginsel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 17 - 18 De plicht de rechter bij te staan in de uitlegging van de wet en de toepassing ervan en het loyaliteitsbeginsel, evenals de door artikel 28bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering aan de procureur des Konings opgelegde verplichting om te waken voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld, maken inherent deel uit van de opdracht van het openbaar ministerie; het feit dat artikel 28bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bij de vermelde wet van 18 januari 2024 in die zin is aangevuld dat het opsporingsonderzoek à charge en à décharge moet worden gevoerd, verandert daaraan niets. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Opdracht van het openbaar ministerie - Bijstandsplicht - Loyaliteit - Onderzoek à charge en à décharge - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Opdracht van het openbaar ministerie - Bijstandsplicht - Loyaliteit - Onderzoek à charge en à décharge - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 19 - 20 De loyaliteit van het openbaar ministerie wordt vermoed, maar de beklaagde kan aannemelijk maken dat zij in een bepaald geval niet is geëerbiedigd en dat zijn recht op een eerlijk proces daardoor is aangetast; daarvoor zijn nauwkeurige en objectieve gegevens vereist en die omstandigheid doet geen afbreuk aan het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op tegenspraak en op wapengelijkheid
(1).
(1)Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1076.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, met concl. van advocaat-generaal B. De Smet, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.10; Cass. 19 december 2012, AR P.12.1310.F, AC 2012, nr. 701, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.
  1. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Vermoeden van loyaliteit - Weerlegging - Nauwkeurige en objectieve gegevens - Geen afbreuk aan het recht van verdediging en recht op eerlijk proces - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Loyaliteit van het openbaar ministerie - Vermoeden - Weerlegging - Nauwkeurige en objectieve gegevens - Geen afbreuk aan het recht van verdediging en recht op eerlijk proces - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1097.N I L. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. II I E.B., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. III D. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. IV
  2. T. K., beklaagde,
  3. A. S., beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Xavier Potvin, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 juni
  4. De eisers I en IV voeren geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser II
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat de opgevraagde en bewaarde zendmastgegevens in deze zaak niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het bewijs van de feiten en dat deze overigens beperkte retrogegevens in het kader van dit dossier slechts één van de elementen zijn die bij de beoordeling van de schuld mee in overweging worden genomen; zo gebeurde de identificatie van onder meer de eiser II volgens de appelrechters in hoofdzaak op grond van terugkerende en gelijkaardige gebruikersnamen, de inhoud van de gevoerde communicaties, verstuurde foto's en de gemeenschappelijke contacten; uit de feitelijke overwegingen en vaststellingen van het arrest blijkt echter dat de zendmastgegevens wel degelijk een cruciale en doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de identificatie van de eiser II en bij het bewijs van de hem ten laste gelegde feiten; bijgevolg kan het arrest niet wettig beslissen dat de zendmastgegevens niet doorslaggevend waren en dat het gebruik van die gegevens het recht op een eerlijk proces niet miskent.
  6. Overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt enkel tot nietigheid van een onregelmatig verkregen bewijselement besloten indien hetzij de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, hetzij de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, hetzij het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
  7. Het staat aan de strafrechter om de toelaatbaarheid van bewijs dat is verkregen door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens te beoordelen overeenkomstig dat artikel, uitgelegd in het licht van onder meer het beginsel van doeltreffendheid zoals vooropgesteld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
  8. Het vereiste van doeltreffendheid van de door het Unierecht geboden rechtsbescherming, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, brengt voor de nationale strafrechter de verplichting mee om bewijs dat door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens is verkregen, in het kader van een strafrechtelijke procedure buiten beschouwing te laten indien de beklaagde niet in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar te leveren op dat bewijs, dat betrekking heeft op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten.
  9. De mate waarin bewijs een doorslaggevende invloed op de schuldbeoordeling kan hebben, is te beoordelen op grond van de concrete gegevens van elke zaak en is onder meer af te wegen tegenover de zwaarwichtigheid van de andere bewijselementen die de rechter bij die beoordeling betrekt. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die niet te verzoenen zijn met het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, met inbegrip van het doeltreffendheidsvereiste.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Met de redenen die het arrest (p. 46-51) bevat en die het middel aanhaalt, oordeelt het arrest onder meer dat: - het hier enkel gaat om welbepaalde, beperkte communicatiegegevens die in strijd met het Unierecht werden bewaard en opgevraagd; - het retroactief telefonie-onderzoek werd gevorderd door een onafhankelijke gerechtelijke instantie, met name de onderzoeksrechter, op basis van gemotiveerde beschikkingen, rekening houdend met de principes van subsidiariteit en proportionaliteit en met het oog op de waarheidsvinding; - de verzamelde gegevens werden opgevraagd en bewaard op grond van de op dat ogenblik geldende wetgeving; - er geen sprake is van een opzettelijk begane onregelmatigheid; - er geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten zijn miskend en evenmin de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs is aangetast; - de ernst van de feiten de onregelmatigheid ruim overstijgt; - er vrij en doeltreffend tegenspraak kon worden gevoerd over alle bewijselementen; - het bewijs geen betrekking heeft op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft; - “Verder het hof (van beroep) op basis van alle voorliggende dossiergegevens [dient] vast te stellen dat de opgevraagde bewaarde retroactieve zendmastgegevens in casu geenszins doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het bewijs van de feiten. Deze overigens beperkte retrogegevens betreffen in het kader van voorliggend dossier immers slechts één van de elementen die bij de beoordeling van de schuld mee in overweging wordt genomen. Zo gebeurde de identificatie van beklaagden in hoofdzaak op grond van terugkerende en gelijkaardige gebruikersnamen, de inhoud van de gevoerde communicaties, verstuurde foto's, de gemeenschappelijke contacten. De bekomen zendmastgegevens waren in casu dan ook niet doorslaggevend.”
  12. Vervolgens somt het arrest (p. 79-80) een geheel van gegevens op, waaronder wachtwoorden, gebruikersnamen, contacten en de inhoud van of bijlagen bij berichten, waarvan het oordeelt dat die volstaan om de eiser II te koppelen aan de PINS die het vermeldt en die in verband staan met de telastleggingen A (invoer van cocaïne met verzwarende omstandigheden).
  13. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser II niet vereist dat de zendmastgegevens uit het bewijs worden geweerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest verwerpt het verzoek van de eiser II tot het horen van de twee onderzoekers als getuigen omdat die onderzoekers geen belastende verklaringen hebben afgelegd, geen eigen vaststellingen in een proces-verbaal hebben weergegeven en geen zintuiglijke waarnemingen hebben gedaan die op een doorslaggevende wijze kunnen dienen als grondslag voor een veroordeling van de eiser II; uit het proces-verbaal 503642/2021 van 5 februari 2021 blijkt echter dat de betrokken onderzoekers vermelden dat zij “na nazicht in hun documentatie” vaststellen dat er drie personen, waaronder blijkbaar de eiser II, worden gekoppeld aan de bijnaam “fish”, wat wel degelijk een feitelijke vaststelling en een voor de eiser II belastend element is; vervolgens verduidelijken de betrokkenen dat zij “loggingegevens” hebben opgevraagd “met betrekking tot de identiteitscontrole voorafgaand aan een vertrekkende of na een aankomende vlucht bij de bevoegde federale politionele diensten” en dat zij uit die gegevens konden afleiden dat de eiser II een vertrekkende vlucht had op 25 januari 2020 en een aankomende vlucht op 12 maart 2020; het opvragen en analyseren van deze gegevens betreft eveneens een feitelijke vaststelling en een belastend gegeven, aangezien dit element doorslaggevend is geweest voor de appelrechters om de eiser II te identificeren als gebruiker van PINS; nu blijkt dat de onderzoekers in het betrokken proces-verbaal toch zintuiglijke waarnemingen en vaststellingen doen, terwijl het arrest oordeelt dat zulks niet het geval is, geeft het arrest van het proces-verbaal 503642/2021 een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het derhalve de bewijskracht van dit proces-verbaal.
  15. Het arrest (p. 55) oordeelt, eensdeels: “[De eiser II] is van oordeel dat de opstellers van het proces-verbaal 503642/2021, [P.] en [V.], als getuige moeten worden gehoord over de link tussen het woord/de bijnaam "Fish" en over wat in het proces-verbaal onder “documentatie” moet worden verstaan.” Het (p. 57) oordeelt, anderdeels: “De politiemensen [P.] noch [V.] hebben rechtstreeks dan wel onrechtstreeks een voor [de eiser [I]I] belastende getuigenverklaring afgelegd. Zij hebben in het zogenaamde moederdossier noch in onderhavig strafonderzoek op enigerlei wijze - bijvoorbeeld in het kader van een verklaring afgelegd in het kader van een verhoor of onder de vorm van de weergave van een eigen vaststelling in een proces-verbaal - getuigenis gedaan van enige door hen gedane zintuiglijke waarneming die op enigerlei wijze, laat staan op een doorslaggevende wijze, kan dienen als grondslag voor een veroordeling van [de eiser II] voor één van de hem ten laste gelegde en als misdrijf gekwalificeerde feiten.”
  16. Met die redenen geeft het arrest geen uitlegging van de bewoordingen van het proces-verbaal 503642/2021, maar leidt het enkel een juridisch gevolg eruit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest weigert ten onrechte de onderzoekers P. en V. als getuigen à charge ter rechtszitting te horen; het begrip getuige is een autonoom begrip, ongeacht de draagwijdte die aan dat begrip wordt gegeven in het nationaal recht; artikel 6.1 en 6.3.d EVRM is dan ook van toepassing op elke getuigenverklaring die op doorslaggevende wijze kan dienen als grondslag voor een veroordeling; personen die op enige wijze kennis dragen van het misdrijf of de omstandigheden ervan, moeten als getuigen worden beschouwd; dat geldt eveneens voor de personen die in het belang van de waarheidsvinding over de vervolgde feiten kunnen verklaren wat zij hebben gezien en gehoord; de strafrechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à charge of à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; met de in het proces-verbaal 503642/2021 vermelde vaststellingen hebben de onderzoekers P. en V. eigen vaststellingen gedaan lastens de eiser II en deze genoteerd in een proces-verbaal voor de gerechtelijke overheid; op basis van deze vaststellingen werd de eiser II geïdentificeerd als de gebruiker van bepaalde PINS, wat doorslaggevend bewijs heeft uitgemaakt; de compenserende factor dat de eiser II tegenspraak over de processen-verbaal heeft kunnen voeren, volstaat niet om zijn verzoek tot getuigenverhoor af te wijzen, evenmin als de reden dat de appelrechters zich op grond van het strafdossier voldoende voorgelicht achten zonder dat de politiemensen moeten worden gehoord.
  18. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en het daardoor gewaarborgde recht om een getuige à charge onder eed te horen op de rechtszitting, volgt dat de drie criteria ter beoordeling van het al dan niet bestaan van de verplichting om de getuige te horen en meer bepaald de juridische of feitelijke onmogelijkheid om de getuige te horen, het doorslaggevende karakter van de verklaring van de getuige bij de schuldbeoordeling en de aan- of afwezigheid van compenserende factoren, enkel gelden voor een getuige die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen heeft afgelegd over de schuld van de beklaagde aan hem ten laste gelegde feiten.
  19. Indien een beklaagde verzoekt om een getuige te horen louter over de wijze waarop bewijs is verzameld, zoals een politieambtenaar over de resultaten van opzoekingen en naspeuringen die hij in het kader van een strafonderzoek heeft uitgevoerd, waaronder het opvragen, het analyseren en het vergelijken van gegevens, het inwinnen van informatie bij derden of het afleiden van gevolgen uit onderzochte stukken, dient de rechter dit verzoek in beginsel niet te toetsen aan de voormelde criteria. Het feit dat een politieambtenaar bepaalde aspecten van die bewijsverzameling heeft vermeld in een proces-verbaal, dan wel het loutere feit dat de bewijsverkrijging steunt op zintuigelijke activiteiten van politieambtenaren, leidt niet tot een ander besluit.
  20. In een dergelijk geval staat het integendeel aan de vonnisrechter om, overeenkomstig de in strafzaken geldende bewijsstandaard en met eerbiediging van het recht van verdediging van de beklaagde over de gehele procedure, onaantastbaar de bewijswaarde van de bevindingen van de verbalisanten te beoordelen, naast de bewijswaarde van de andere aan tegenspraak onderworpen feitelijke gegevens, met inbegrip van de vraag of die bevindingen dan wel die gegevens al dan niet bijkomende toelichting vereisen door middel van een getuigenverhoor onder eed ter rechtszitting.
  21. Het feit dat de partij die om het verhoor van de getuige verzoekt, niet enigszins aannemelijk maakt dat er een ernstige grond tot betwisting van de bewijsverkrijging bestaat, kan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige verantwoorden. Dit is eveneens het geval wanneer het gaat om bewijsverkrijging die de uitkomst van de zaak niet op een doorslaggevende wijze kan bepalen.
  22. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die niet te verzoenen zijn met het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging.
  23. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  24. Na een omstandige toelichting over de historiek van het dossier en over de technische procedés en analyses op grond waarvan de beklaagden konden worden geïdentificeerd als gebruikers van bepaalde SKY ECC-toestellen, oordeelt het arrest (p. 79-81) onder meer als volgt: “[De eiser II] de gebruiker van al deze PIN's omdat: - De PIN's hetzelfde wachtwoord hebben. - De PIN's overeenkomsten in de gebruikersnamen hebben. - De PIN's gemeenschappelijke contacten hebben. - De PIN's dezelfde locatie van het mastverkeer hebben. - De PIN's elkaar quasi opvolgen. - De PIN's (…) en (…) op hetzelfde moment geen registraties de Belgische masten en op hetzelfde moment opduiken in Dubai. - De gebruiker van de PIN (…) zegt in de berichten dat hij “van D. is”, “van D. N. moet komen” en uit de berichten blijkt dat hij in de buurt van de [(…)-lei] te D. woont. [De eiser II] woont in de [(…)-straat] te D. waar de [(…)-lei] op uitgeeft. - De gebruiker van de PIN (…) zegt geen auto te hebben. [De eiser II] heeft geen wagen. - De gebruiker van de PIN (…) als voornaamste contactpersoon de PIN's had die werden toegeschreven aan [E.], zijnde zijn broer. - De evolutie in de paswoorden van deze PIN's logica vertoont en aansluit bij zijn identiteit: drie van de vier PIN's hadden zijn voornaam in het paswoord (…) en bij de laatste PIN waarvoor dit paswoord gebruikt werd, werd het paswoord veranderd in (…), hetgeen nog steeds gelijkenissen vertoont met het oorspronkelijke paswoord, en hetgeen ook gebruikt werd als paswoord voor de laatste PIN (…), reden waarom er ook niet moet worden aangenomen dat het toestel bij deze wijziging van het paswoord aan een derde doorgegeven werd. - De PIN (…) werd niet onder Belgische mast geregistreerd tussen 25.01.2020 en 12.03.
  25. [De eiser II] vertrok met het vliegtuig vanuit de luchthaven van Zaventem op 25.01.2020 en kwam daar terug toe op 12.03.
  26. - Voor alle besproken PIN's door de houder van het toestel gelijkaardige gebruikersnamen gebezigd zijn, waaronder (…), (…) en Fish, telkens in allerhande varianten (bv. alleen de medeklinkers: fsh) die vaak in verband kunnen worden gebracht met de wijziging van PIN, bv. de toevoeging van “new” aan een eerder gebezigde gebruikersnaam”; - dat de koppeling tussen de eiser II en de gebruikte SKY ECC PINS niet op grond van inhoudelijke communicatie kon worden vastgesteld, neemt niet weg dat de hoger besproken informatie volstaat om de eiser II aan de besproken PINS te koppelen; - de identificatie is gesteund op voldoende feitelijke elementen, voortvloeiend uit het strafonderzoek; - het is voor het hof van beroep duidelijk dat de verschillende schrijfwijzen van het woord “fish” (vrij vertaald: vis) in de opeenvolgende gebruikersnamen louter het gevolg is van spellingsfouten, maar dat wel steeds het woord “fish” werd bedoeld; - de veronderstellingen die in de namens de eiser II neergelegde appelconclusie worden gemaakt, worden door het hof van beroep niet bijgetreden, dit onder verwijzing naar de hoger aangehaalde elementen die samen beschouwd aantonen dat de eiser II de gebruiker van de hoger besproken PINS was; - wat betreft het adres van de eiser II moet overigens worden vastgesteld dat de vervolgde feiten zich allemaal na 12 augustus 2020 voordeden, en dat de eiser II nog steeds op het voormelde adres woont, zoals overigens ook blijkt uit de namens hem neergelegde appelconclusie; - wat betreft de toegang tot de vluchtgegevens geldt dat de federale politie verantwoordelijk is voor de grensbewaking op de luchthaven, zodat het duidelijk is dat de passages van de eiser II op de luchthaven te Zaventem eigen politionele vaststellingen betreffen. Er wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de vaststelling van de verbalisanten onjuist is, en het heeft geen bijkomende bewijswaarde van desbetreffend nog bijkomend bewijsmateriaal op te vragen, vermits dit ook steeds zal teruggaan op dezelfde politionele vaststellingen. Het arrest (p. 41) oordeelt eveneens: “[De eiser II] bekritiseert ook het feit dat het hem niet duidelijk is welke de "documentatie" is waarin de onderzoekers stellen dat er drie personen gekoppeld worden aan de bijnaam "Fish", maar dat heeft hem niet in de weg gestaan om desbetreffend tegenspraak te voeren en op te werpen dat zulks op zich wat hem betreft geen bewijs vormt. Het openbaar ministerie haalt aan dat deze "documentatie" de ANG-databank betreft, en de argumentatie van [de eiser II] om te stellen dat zulks niet het geval kan zijn overtuigt niet (…).” Daarnaast oordeelt het arrest (p. 57) dat de eiser II de kans heeft gehad en benut om over de processen-verbaal in een openbare rechtszitting tegenspraak te voeren, alsook dat het hof van beroep zich op grond van het strafdossier zoals het thans voorligt voldoende voorgelicht acht om een oordeel te vellen over de telastleggingen in de verwijzingsbeschikking, zonder dat bijkomend deze politiemensen moeten worden verhoord.
  27. Hieruit blijkt dat de appelrechters, in het licht van de reeds in het strafdossier beschikbare bewijsgegevens, oordelen, eensdeels, dat het horen van de politieambtenaren P. en V. als getuigen à charge onder eed ter rechtszitting niet vereist is om op doorslaggevende wijze bij te dragen tot hun oordeelsvorming over de schuld van de eiser II aan de bewezen verklaarde feiten en, anderdeels, dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser II niet worden miskend door het niet horen van die politieambtenaren. Op grond van die redenen, waarmee de appelrechters oordelen dat de eiser II niet enigszins aannemelijk maakt dat de vaststellingen van de verbalisanten vatbaar zijn voor ernstige betwisting, kan het arrest wettig oordelen dat de politieambtenaren P. en V. niet als getuigen ter rechtszitting onder eed moesten worden gehoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet: met de redenen die het bevat, onderzoekt het arrest niet of de politieambtenaren P. en V. als getuigen à décharge moeten worden gehoord en passen zij de desbetreffende criteria ontwikkeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet toe; de appelrechters steunen de beslissing tot schuldigverklaring van de eiser II aan de telastleggingen A op redenen die verband houden met de tijdens het strafonderzoek afgelegde belastende verklaringen van de getuigen, namelijk de vaststellingen van de politieambtenaren P. en V. met betrekking tot bepaalde PINS zoals opgetekend in het proces-verbaal nr. 503642/2021; de eiser II heeft bovendien gevraagd dat de voormelde personen op de rechtszitting als getuige zouden worden gehoord in het licht van zijn recht op een eerlijk proces; bijgevolg konden de appelrechters het verzoek tot getuigenverhoor van de eiser II slechts afwijzen na de vermelde criteria te hebben toegepast.
  29. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II aan de appelrechters heeft gevraagd om de politieambtenaren P. en V. te horen als getuigen à décharge, noch dat zijn verzoek om over te gaan tot het getuigenverhoor van die politieambtenaren als dusdanig moest worden begrepen. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM verplicht de appelrechters niet om ambtshalve een getuigenverhoor à décharge te organiseren of om redenen te vermelden waarom zij dat niet doen. Dat belet het Hof niet om aan de hand van de redenen die het arrest wel bevat, zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beperken zich tot het oordeel dat de politieambtenaren P. en V. niet als getuigen kunnen worden beschouwd, terwijl de eiser II in conclusies uitvoerig heeft gemotiveerd dat zijn vermeende identificatie wel degelijk berust op de vaststellingen door die politieambtenaren op grond van de voor hen voorhanden zijnde documentatie, dat deze vaststellingen onbetrouwbaar zijn en dat het recht op een eerlijk proces van de eiser II is miskend indien de voormelde politieambtenaren niet zouden worden gehoord; aldus hebben de appelrechters nagelaten te antwoorden op de conclusies van de eiser II, terwijl de veroordeling van de eiser II wel is gesteund op de onbetrouwbare vaststellingen van de politieambtenaren.
  31. In zoverre het onderdeel, onder het mom van een motiveringsgebrek, opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  32. Het feit dat het antwoord van de rechter ontoereikend is, kan geen schending uitmaken van artikel 149 Grondwet, dat alleen een vormvereiste oplegt en geen verband houdt met de relevantie van het op een conclusie gegeven antwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  33. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel is eisers verweer beantwoord, zonder dat moet worden ingegaan op alle tot staving van dat verweer aangehaalde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken.
  34. Met die redenen is de eiser II eveneens in staat de beslissing te begrijpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser II Eerste onderdeel
  35. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek en artikel 2bis Drugwet: de appelrechters verklaren de eiser II schuldig als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek aan de telastleggingen A; zij beperken zich ertoe “de betrokkenheid” van de eiser II bij de diverse telastleggingen vast te stellen, zonder ook te beslissen welke de aard van zijn strafbare deelneming dan wel is; tevens laten deze motieven het Hof niet toe de wettigheid van de bestreden beslissing te toetsen aangezien zij niet toelaten uit te maken welke de aard van de aan de eiser II verweten strafbare deelneming is.
  36. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als deelnemer aan een misdrijf, de verplichting om in de bewoordingen van de artikelen 66 of 67 Strafwetboek of in gelijkaardige bewoordingen de deelnemingsvorm vast te stellen die hij bewezen acht.
  37. Overeenkomstig artikel 66, eerste en vierde lid, Strafwetboek worden als daders van een misdaad of een wanbedrijf gestraft, zij die door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks hebben uitgelokt. Degene die niet zelf alle constitutieve bestanddelen van het hem ten laste gelegde misdrijf heeft gesteld, maar de opdracht daartoe heeft gegeven aan derden die deze opdracht hebben uitgevoerd, is strafbaar overeenkomstig die bepalingen.
  38. Met de redenen die het arrest (p. 82-84) bevat, onder meer dat de eiser II met andere daders de uithalingen, het transport en de logistieke afhandeling van de cocaïne besprak, waaronder in geëncrypteerde groepchats die hij zelf heeft aangemaakt, dat hij een oplossing zocht bij het zich voordoen van problemen, dat hij opdracht gaf om foto’s te nemen vóór de opening van de zakken en dat hij berichten ontving over het verloop van het ophalen en het transport van de cocaïne, alsook met de redenen op grond waarvan het arrest oordeelt dat de eiser II binnen de vereniging de hoedanigheid van leidend persoon had, stelt het vast dat de eiser II opdrachtgever was van de feiten van de telastleggingen A. Daarmee stelt het arrest, bij afwezigheid van specifiek verweer van de eiser II, in voldoende duidelijke bewoordingen vast dat de eiser II aan die telastleggingen heeft deelgenomen in de zin van artikel 66, eerste en vierde lid, Strafwetboek. Aldus laten de redenen van het arrest het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  39. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek en artikel 2bis Drugwet: de appelrechters leiden uit de door hen vastgestelde feitelijke gegevens af dat de eiser II “binnen de vereniging de hoedanigheid van leidend persoon had”, zonder op enig ogenblik vast te stellen dat de eiser II bevelen heeft gegeven of een zekere mate van gezag had over de andere leden van de vereniging; de schuldigverklaring van de eiser II aan de verzwarende omstandigheid van leiderschap van een vereniging en de navolgende bestraffing zijn derhalve niet naar recht verantwoord.
  40. Een vereniging zoals bedoeld in artikel 2bis, § 3, b, Drugwet vereist het bestaan van een georganiseerde groep van minstens twee personen, met als doel de ongeoorloofde bedrijvigheid met betrekking tot slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope stoffen, die voorkomen op de krachtens deze wet door de Koning vastgestelde lijst. Leidend persoon in een dergelijke vereniging, zoals bedoeld in artikel 2bis, § 4, b, Drugwet, is degene die een actieve rol speelt bij de organisatie en het bestaan van de vereniging, die binnen de vereniging de belangrijke beslissingen neemt en die een zekere mate van gezag over de leden van de vereniging heeft. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  41. Op grond van de redenen die het arrest (p. 82-84) vermeldt in verband met eisers betrokkenheid bij de vereniging, in het bijzonder dat de eiser II de opdracht gaf om foto's te nemen vooraleer de containers mochten worden geopend om de tassen eruit te halen, kan het arrest wettig oordelen dat de eiser II de hoedanigheid van leidend persoon van de vereniging had omdat hij bevelen heeft gegeven en het vereiste gezag had. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  42. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: de appelrechters verklaren de eiser II schuldig aan de feiten van druginvoer met de verzwarende omstandigheid van leiderschap van een vereniging, zonder daarbij op enigerlei wijze te verantwoorden op welke wijze de eiser II bevelen zou hebben gegeven binnen de vereniging of over andere leden van deze vereniging gezag zou hebben gevoerd, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht en stellen zij het Hof niet in staat de wettigheid van de bestreden beslissing te toetsen.
  43. Met de redenen bedoeld in het antwoord op het tweede onderdeel is het Hof in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is de eiser II evenals de samenleving in staat de beslissing te begrijpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  44. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het tweede onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen evenmin worden aangenomen. Eerste middel van de eiser III
  45. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 28bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op tegenspraak en op wapengelijkheid: het arrest gaat ten onrechte ervan uit dat het openbaar ministerie en de politieambtenaren worden geacht loyaal op te treden en worden geacht alle stukken à charge en à décharge voor te leggen tot de verdediging het tegendeel aannemelijk maakt aan de hand van nauwkeurige en objectieve gegevens; de wapengelijkheid vereist dat de partijen onbeperkt toegang hebben tot het strafdossier; het is pas met de wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III dat artikel 28bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering werd aangepast met de zin dat het opsporingsonderzoek à charge en à décharge wordt gevoerd; tot dan was het openbaar ministerie niet aan die verplichting gebonden; naar algemene opvatting is het openbaar ministerie een procespartij die ernaar streeft de beklaagde te doen veroordelen; het arrest legt de aanvoeringslast over de onvolledigheid van het strafdossier dan ook ten onrechte bij de eiser III.
  46. Het openbaar ministerie heeft onder meer als opdracht de rechter bij te staan in de uitlegging van de wet en de toepassing ervan op de hem voorgelegde zaken. Die bijstandsplicht houdt de verplichting in om de rechter op onpartijdige wijze in te lichten over de oplossing die het proces volgens de wet moet kennen, ook al is die oplossing strijdig met de door het openbaar ministerie genomen vordering. Aldus beperkt de opdracht van het openbaar ministerie zich niet tot die van aanklager, wiens betrachting erin bestaat de beklaagde te doen veroordelen.
  47. Het loyaliteitsbeginsel houdt in dat alle door het openbaar ministerie verzamelde gegevens bij het strafdossier worden gevoegd, inzonderheid de gegevens à décharge. Die loyaliteit houdt eveneens in dat, wanneer het openbaar ministerie om redenen van privacy of het onderzoeksgeheim enkel een selectie van in een ander onderzoeksdossier aanwezige bewijsgegevens aan het strafdossier kan toevoegen, die selectie ook alle relevante gegevens à décharge bevat.
  48. Die verplichtingen, evenals de door artikel 28bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering aan de procureur des Konings opgelegde verplichting om te waken voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld, maken inherent deel uit van de opdracht van het openbaar ministerie. Het feit dat artikel 28bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bij de vermelde wet van 18 januari 2024 in die zin is aangevuld dat het opsporingsonderzoek à charge en à décharge moet worden gevoerd, verandert daaraan niets.
  49. De loyaliteit van het openbaar ministerie wordt vermoed, maar de beklaagde kan aannemelijk maken dat zij in een bepaald geval niet is geëerbiedigd en dat zijn recht op een eerlijk proces daardoor is aangetast. Daarvoor zijn nauwkeurige en objectieve gegevens vereist. Die omstandigheid doet geen afbreuk aan het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op tegenspraak en op wapengelijkheid.
  50. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel van de eiser III
  51. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert de schuldigverklaring van de eiser III aan de telastleggingen B.1, B.2, B.3, B.5, B.6, B.7, B.8 en E.1 enkel door een verwijzing naar de redenen van het beroepen vonnis; aldus kan de beslissing niet op zichzelf bestaan en is de beslissing niet regelmatig gemotiveerd.
  52. Geen enkele bepaling verbiedt een appelrechter een voor hem ontwikkeld verweer te beantwoorden door overname van de redenen van de eerste rechter. De appelrechter maakt zich door de overname die redenen immers eigen. Aldus houdt een dergelijke overname van redenen geen motiveringsgebrek in. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  53. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  54. Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen van de eisers II en III, verkrijgt het arrest voor wat betreft die eisers kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over hun onmiddellijke aanhouding, de cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 569,31 euro, waarvan de eiser I 142,32 euro is verschuldigd en de eisers II, III en IV elk 142,33 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250121.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241120.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.