← België

GRANDRICH INTERNATIONAL TRADING c. BS FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.2 Rolnummer: F.22.0172.N Zaak: GRANDRICH INTERNATIONAL TRADING c. BS FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-02-11 Raadplegingen: 871 - laatst gezien 2026-06-18 17:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.2 Fiche 1 Uit de tekst en de opzet van artikel 351, tweede lid, WIB92 blijkt dat de wetgever vooral gewild heeft dat de belastingplichtige middels de kennisgeving bedoeld in dat artikel in staat zou worden gesteld opmerkingen te maken of, met kennis van zaken, met de voorgenomen aanslag in te stemmen; aldus volstaat het dat komt vast te staan dat de belastingplichtige de kennisgeving werkelijk heeft ontvangen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag van ambtswege en forfaitaire aanslag Vrije woorden: Kennisgeving van aanslag van ambtswege - Vereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 351 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Artikel 351, tweede lid, WIB92 verzet er zich niet tegen dat de administratie tijdens de procedure bijkomende gegevens en argumenten aanvoert ter ondersteuning van wat in de kennisgeving van de aanslag van ambtswege wordt aangevoerd; uit het feit alleen dat de administratie achteraf bijkomende gegevens en argumenten in aanmerking neemt en dat de rechter die bijkomende gegevens en argumenten aanneemt als rechtvaardiging van de aanslag van ambtswege, kan niet worden afgeleid dat de kennisgeving niet regelmatig gemotiveerd was
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag van ambtswege en forfaitaire aanslag Vrije woorden: Kennisgeving van aanslag van ambtswege - Bijkomende gegevens en argumenten achteraf - Motivering - Regelmatigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 351 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2025, nr. 1876, p. 7-
  1. - BUYSSE, Christian; Noot''Substance over form': ook bij 'kennisgeving aanslag van ambtswege'' Fiscologue-Fiscologue - 2025, n° 1876, p. 7-
  2. - BUYSSE, Christian; Note''Substance over form': aussi pour la notification d'imposition d'office' Tekst van de beslissing Nr. F.22.0172.N GRANDRICH INTERNATIONAL TRADING ltd, met zetel te Tsim Sha Tsui, Kwonloon (Hong Kong), 9/F Surson Commercial Building, 140-142 Austin Road, eiseres, met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te West-Vlaanderen, met kantoor te 8020 Oostkamp, Hertsbergestraat 4, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal gewestelijke directie BBI Brussel, met kantoor te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 33 bus 49, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart
  3. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 22 januari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (…) Tweede onderdeel
  4. Krachtens artikel 351, tweede lid, WIB92 geeft de administratie, vóór de aanslag van ambtswege wordt gevestigd, bij ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruikt maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.
  5. Uit de tekst en de opzet van artikel 351, tweede lid, WIB92 blijkt dat de wetgever vooral gewild heeft dat de belastingplichtige middels de kennisgeving bedoeld in dat artikel in staat zou worden gesteld opmerkingen te maken of, met kennis van zaken, met de voorgenomen aanslag in te stemmen. Aldus volstaat het dat komt vast te staan dat de belastingplichtige de kennisgeving werkelijk heeft ontvangen.
  6. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het gegeven dat artikel 351 WIB92 vereist dat aan de belastingplichtige kennis wordt gegeven van het voornemen de aanslag van ambtswege te vestigen door middel van een aangetekende brief, wijst op het belang van de kennisgeving ten aanzien van de belastingplichtige; - die bepaling doelt op het respecteren van het recht van verdediging van de belastingplichtige ten aanzien van het voornemen van de administratie om van ambtswege een aanslag op te leggen; - de administratie verwijst naar rechtspraak volgens welke aan de doelstelling van de bepaling is voldaan indien blijkt dat de kennisgeving de belastingplichtige werkelijk heeft bereikt; - of het doel van de bepaling is bereikt, in elk concreet geval feitelijk dient te worden onderzocht en beoordeeld; het moet vaststaan dat de kennisgeving werkelijk is gebeurd en het volstaat niet dat daarover twijfel bestaat; - indien de administratie aantoont dat de kennisgeving aan het juiste adres van de belastingplichtige is verzonden, zij niet het bewijs dient te leveren dat de belastingplichtige de kennisgeving daadwerkelijk heeft ontvangen; - onverminderd de vraag ten gronde of het fiscale domicilie van de eiseres al dan niet in België is gelegen, formeel vaststaat dat de kennisgeving niet aan het juiste officiële adres van de eiseres is verzonden, en het in dat geval de administratie toekomt te bewijzen dat de belastingplichtige de kennisgeving daadwerkelijk heeft ontvangen; - de eiseres in haar feitenrelaas erkent dat zij de kennisgevingen van de aanslag van ambtswege heeft ontvangen, maar ervoor heeft gekozen om er niet op te reageren, en daaruit blijkt dat de kennisgeving haar doel heeft bereikt en de rechten van verdediging van de eiseres niet geschonden zijn; - de administratie bovendien op 17 november 2015, voorafgaand aan de kennisgevingen, een kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn naar de eiseres had verstuurd, zowel naar haar officieel adres als naar het adres in België van Mannequins Bonami nv, en in deze kennisgeving heeft vermeld dat alle correspondentie naar het adres in België wordt verstuurd, maar de eiseres op deze kennisgeving, verzonden naar het officieel adres in Hong Kong, niet heeft gereageerd. Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  7. Krachtens artikel 351, tweede lid, WIB92 geeft de administratie, vóór de aanslag van ambtswege wordt gevestigd, bij ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruikt maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.
  8. De kennisgeving van de aanslag van ambtswege, die krachtens artikel 351, tweede lid, WIB92 moet worden verstuurd, is bedoeld om de belastingplichtige in staat te stellen zijn opmerkingen te maken of, met kennis van zaken, met de voorgenomen aanslag in te stemmen. Artikel 351, tweede lid, WIB92 verzet er zich niet tegen dat de administratie tijdens de procedure bijkomende gegevens en argumenten aanvoert ter ondersteuning van wat in de kennisgeving van de aanslag van ambtswege wordt aangevoerd. Uit het feit alleen dat de administratie achteraf bijkomende gegevens en argumenten in aanmerking neemt en dat de rechter die bijkomende gegevens en argumenten aanneemt als rechtvaardiging van de aanslag van ambtswege, kan niet worden afgeleid dat de kennisgeving niet regelmatig gemotiveerd was.
  9. De appelrechter stelt vast dat: - de administratie op 10 december 2015 aan Hong Kong een vraag om inlichtingen heeft verstuurd, waarvan ontvangst bevestigd werd op 9 maart 2016; - de administratie op 29 november 2016 een tweede verzoek om inlichtingen aan Hong Kong richtte; - de beide verzoeken om inlichtingen door de Hongkongse bevoegde autoriteiten op 13 september 2017 werden beantwoord; - op dat moment de aanslagen gevestigd waren; - de administratie in haar conclusie van het antwoord van de Hongkongse administratie gebruikt maakt. Vervolgens oordeelt de appelrechter dat: - de administratie de vragen aan Hong Kong heeft gesteld voorafgaand aan de vestiging van de aanslagen; - het dus niet zo is dat de administratie na de vestiging van de aanslagen bijkomend onderzoek heeft gevoerd, noodzakelijk voor de motivering van de aanslagen; - het de administratie is toegestaan na de vestiging van de aanslagen bijkomende argumenten en stukken voor te leggen ter ondersteuning van de reeds aangevoerde elementen waarop de aanslagen zijn gesteund, namelijk ter ondersteuning van de stelling dat de werkelijke zetel van de eiseres in België is gelegen; - de eiseres tijdig van het antwoord van Hong Kong kennis heeft gekregen en ten aanzien van deze stukken haar rechten van verdediging heeft kunnen laten gelden.
  10. De appelrechter die op grond van die redenen beslist dat er geen schending van artikel 351 WIB92 kan worden vastgesteld en het recht van verdediging van de eiseres niet werd miskend, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 281,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 24 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.