id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.5 Rolnummer: F.21.0037.N Zaak: BS FINANCIEN c. PRODUITS INDUSTIELS LORRAINS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-02-11 Raadplegingen: 452 - laatst gezien 2026-06-15 10:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Het bestaan van een bijzondere situatie is aangetoond in de zin van artikel 239 CDW wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval volgt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten, en hij zonder de bijzondere omstandigheden het aan boeking achteraf van de douanerechten verbonden nadeel niet zou hebben ondervonden; daarbij dient het belang van de gemeenschap bij de volledige naleving van de douanewetgeving te worden afgewogen tegen het belang van de marktdeelnemer te goeder trouw geen schade te lijden die verder gaat dan het normale handelsrisico
(1).
(1)Het Hof verwijst naar HvJ 25 juli 2008, CAS SpA t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, C-204/07. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij in- of uitvoer - Bijzondere situatie - Begrip Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 239 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Fiche 2 Artikel 905.1 CTW, dat de gevallen bepaalde waarin de lidstaten waaronder de beschikkende douaneautoriteit ressorteert de zaak dienden te verwijzen naar de Commissie ter behandeling volgens de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909, is een regel van procesrecht waarvan de opheffing onmiddellijk van toepassing is, zodat ook in hangende gedingen van deze bepaling geen toepassing meer kan worden gemaakt, ook al betreffen deze gedingen rechten die vóór de opheffing van het CTW opeisbaar werden. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij in- of uitvoer - Bijzondere situatie - Verwijzing naar de Commissie - Vereiste Wettelijke bepalingen: Verordening 2454/93/EEG van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 02-07-1993 - Art. 905.1 - 42 Link Justel databank 19930702-42 Fiche 3 Artikel 241 CDW, krachtens hetwelk de terugbetaling door de douaneautoriteiten van bedragen aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer geen geeft aanleiding tot betaling van moratoire interest door genoemde autoriteiten, is niet van toepassing op de terugbetaling van douanerechten met toepassing van artikel 239 CDW
(1).
(1)Het Hof verwijst naar HvJ 18 januari 2017, Wortmann KG Internationale Schuhproduktionen t. Hauptzollamt Bielefeld, C-365/
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij in- of uitvoer - Bijzondere situatie - Moratoire interest Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 239 - 32 Link Justel databank 19921012-32 EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 241 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0037.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt gewestelijke directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen PRODUITS INDUSTRIELS LORRAINS (PIL) sarl, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 54000 Nancy (Frankrijk), Avenue de la Garenne 2bis, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 oktober
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 24 december 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste en tweede onderdeel
- Overeenkomstig artikel 239.1 CDW kan tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238: - welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld; - welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden; de gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité; aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat artikel 239 CDW een algemene billijkheidsclausule is die inhoudt dat invoerrechten worden kwijtgescholden wanneer aan twee voorwaarden is voldaan, te weten dat er een bijzondere situatie bestaat en noch van klaarblijkelijke nalatigheid, noch van een frauduleuze handeling van de zijde van de belastingschuldige sprake is (onder meer HvJ 25 juli 2008, CAS SpA t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, C-204/07, r.o. 86). Het bestaan van een bijzondere situatie is aangetoond in de zin van artikel 239 CDW wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval volgt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten, en hij zonder de bijzondere omstandigheden het aan boeking achteraf van de douanerechten verbonden nadeel niet zou hebben ondervonden. Daarbij dient het belang van de gemeenschap bij de volledige naleving van de douanewetgeving te worden afgewogen tegen het belang van de marktdeelnemer te goeder trouw geen schade te lijden die verder gaat dan het normale handelsrisico (onder meer HvJ 25 juli 2008, CAS SpA t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, C-204/07, r.o. 88 en 93).
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van gietstukken uit de Volksrepubliek China en die werd aanvaard bij Besluit van de Commissie van 19 januari 2006, tussen 2006 en 2010 werd nageleefd door de Chinese leveranciers waardoor een marktsituatie is ontstaan waarbij gedurende jaren geen noodzaak bestond om antidumpingrechten te heffen zodat van de verweerster niet kon worden verwacht bij de prijszetting rekening te houden met de inning van zeer hoge antidumpingrechten; - de antidumpingrechten waarvan de verweerster terugbetaling vordert, goederen betreffen die door haar werden besteld tussen 24 november 2009 en 22 juni 2010, hetzij voor de wederinvoering van de antidumpingrechten met ingang van 15 juli 2010, na de publicatie op 14 juli 2010, terwijl er een langere tijd verloopt tussen de bestelling van de goederen en, rekening houdend met hun transport, hun inklaring in het vrije verkeer in het douanegebied van de Europese Unie; - de leveranciers van de verweerster de verbintenis niet schonden en factureerden aan een prijs die in lijn ligt met die gangbaar in de Europese Unie; - de inbreuk op de verbintenis die de grondslag vormde voor de intrekking van het Besluit van 19 januari 2006, blijkbaar fraude uitmaakte en er dus in wezen geen sprake is van een loutere overtreding van de verbintenis door een van de Chinese leveranciers, zodat aldus geen sprake meer is van een “normaal handelsrisico” aangegaan bij een “normale handelstransactie” zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 268/2006 van de Raad van 14 februari 2006; dit een abnormaal commercieel risico uitmaakt vermits de verweerster niet moet worden geacht te moeten uitgaan van prijsmanipulaties door andere marktdeelnemers; - het antidumpingrecht weliswaar datgene is dat geldend is op het ogenblik van de inklaring, maar dat gezien de tijd die verstrijkt tussen de bestelling en de levering van de goederen, het gevolg van deze fraude, zijnde de wederinvoering van de heffing van de antidumpingrechten bij de inklaring, voor de verweerster niet normaal voorzienbaar was bij het plaatsen van haar bestellingen uit China; - de wederinvoering van de antidumpingrechten is doorgevoerd met onmiddellijke ingang op 15 juli 2010, na de publicatie op 14 juli 2020, zonder overgangsmaatregelen gericht op het voorkomen van situaties zoals die waarin de verweerster is gaan verkeren; - het voorgaande in zijn geheel in acht genomen, ook de billijkheid die ten grondslag ligt aan artikel 239 CDW, vereist dat de vordering tot terugbetaling van de verweerster wordt ingewilligd aangezien de wederinvoering van de antidumpingrechten bijzonder zware gevolgen heeft voor de onderneming van de verweerster gelet op het enorm hoge bedrag aan rechten dat ermee gemoeid is; - wel degelijk aangetoond is dat haar situatie, indien de antidumpingrechten verschuldigd zouden blijven, uitzonderlijk is vergeleken met die van andere deelnemers die dezelfde activiteit verrichten, al was het maar in vergelijking met de Europese importeur van de goederen geleverd door de Chinese leverancier bij wie fraude werd vastgesteld; - de eiser op dit punt zijn aanvoeringlast niet invult door aan te geven van welke andere importeurs of groepen van importeurs na 15 juli 2010 dergelijke antidumpingrechten nog opnieuw op grote schaal en voor dergelijke grote bedragen als hier aan de orde gevorderd werden, zodat het hof van beroep aanneemt dat wel degelijk is aangetoond dat de verweerster in een uitzonderlijke situatie verkeert ten aanzien van andere Europese marktdeelnemers met dezelfde activiteit.
- Op grond van het geheel van deze elementen kon de appelrechter naar recht oordelen dat aan de zijde van de verweerster sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW, die de terugbetaling wettigt van de antidumpingrechten. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Verordening (EEG) 2454/93 van 2 juli 1993 van de Commissie houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna CTW) werd opgeheven bij artikel 1 van verordening (EU) nr. 2016/481 van 1 april 2016 met ingang van 1 mei
- Artikel 905.1 CTW, dat de gevallen bepaalde waarin de lidstaten waaronder de beschikkende douaneautoriteit ressorteert de zaak dienden te verwijzen naar de Commissie ter behandeling volgens de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909, is een regel van procesrecht waarvan de opheffing onmiddellijk van toepassing is, zodat ook in hangende gedingen van deze bepaling geen toepassing meer kan worden gemaakt, ook al betreffen deze gedingen rechten die vóór de opheffing van het CTW opeisbaar werden. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel
- Krachtens artikel 241 CDW geeft de terugbetaling door de douaneautoriteiten van bedragen aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer geen aanleiding tot betaling van moratoire interest door genoemde autoriteiten. Moratoire interest wordt echter wel betaald wanneer de nationale bepalingen daarin voorzien. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in het arrest Wortmann KG Internationale Schuhproduktionen t. Hauptzollamt Bielefeld van 18 januari 2017, C-365/15, dat: - zowel uit haar ontstaansgeschiedenis als uit de context waarin ze is opgenomen, blijkt dat artikel 241 CDW betrekking heeft op de situatie waarin, nadat de douaneautoriteit de betrokken goederen heeft vrijgegeven, blijkt dat op de voorlopige aanslag van de rechten een correctie naar beneden moet worden aangebracht, als gevolg waarvan de door de marktdeelnemer betaalde invoerrechten geheel of gedeeltelijk aan hem moeten worden terugbetaald (r.o. 26-27): - de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling aantoont dat ze werd gemotiveerd door het feit dat de douaneautoriteiten de douaneaangiften in de meeste gevallen pas achteraf controleren, zodat de mogelijkheid dat een dergelijke controle aanleiding geeft tot een terugbetaling van reeds betaalde invoerrechten zeer reëel is (r.o. 28). Artikel 241 CDW is bijgevolg niet van toepassing op de terugbetaling van douanerechten met toepassing van artikel 239 CDW. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 490,47 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, in openbare rechtszitting van 24 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div