← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen - Deelneming - Artikel 66, derde lid, Strafwetboek - Verstrekken van hulp of bijstand - Voorwaarden - Wetens en willens verlenen van noodzakelijke hulp of bijstand - Kennis van een misdaad of wanbedrijf - Onvoldoende basis voor een schuldigverklaring als deelnemer aan een misdaad of wanbedrijf - Kennis gepaard gaande met een positieve handeling waarmee noodzakelijke hulp of bijstand aan het plegen van de misdaad of wanbedrijf wordt verleend - Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen - Productie en verkoop van verdovende middelen - Verlenen van hulp of bijstand aan verschillende misdrijven door eenzelfde gedraging - Daad van deelneming aan de productie van verdovende middelen - Daad van deelneming aan verkoop van verdovende middelen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Deelneming - Artikel 66, derde lid, Strafwetboek - Verstrekken van hulp of bijstand - Voorwaarden - Wetens en willens verlenen van noodzakelijke hulp of bijstand - Kennis van een misdaad of wanbedrijf - Onvoldoende basis voor een schuldigverklaring als deelnemer aan een misdaad of wanbedrijf - Kennis gepaard gaande met een positieve handeling waarmee noodzakelijke hulp of bijstand aan het plegen van de misdaad of wanbedrijf wordt verleend - Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen - Productie en verkoop van verdovende middelen - Verlenen van hulp of bijstand aan verschillende misdrijven door eenzelfde gedraging - Daad van deelneming aan de productie van verdovende middelen - Daad van deelneming aan verkoop van verdovende middelen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 4 - 6 Opdat de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek vermelde vermogensvoordelen of van de in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek bedoelde geldwaarde daarvan kan worden uitgesproken tegen degene die als dader, mededader of medeplichtige wordt veroordeeld voor het misdrijf dat de vermogensvoordelen heeft voortgebracht, is niet vereist dat die vermogensvoordelen zijn eigendom zijn of tot zijn vermogen zijn toegetreden, noch dat hij zich heeft verrijkt aangezien die verbeurdverklaring kan worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat hij uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven; hieruit volgt dat de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als deelnemer in de zin van artikel 66 Strafwetboek aan de productie en de verkoop van verdovende middelen ingevolge de terbeschikkingstelling van locaties die noodzakelijk waren voor het plegen van die misdrijven, het vermogensvoordeel van de beklaagde ingevolge die deelneming niet dient te beperken tot de huurgelden die de betrokkene heeft ontvangen maar de rechter dat vermogensvoordeel daarentegen kan berekenen op grond van de totale geraamde opbrengst van de verkoop van de verdovende middelen en lastens de beklaagde de verbeurdverklaring kan bevelen van een deel daarvan, in functie van onder meer het aandeel van de beklaagde in de drugoperatie en zijn bijdrage aan het welslagen ervan. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Voorwaarden - Deelneming - Artikel 66, Strafwetboek - Deelneming aan de productie en de verkoop van verdovende middelen - Berekening van het vermogensvoordeel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Artikel 66, Strafwetboek - Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen - Verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen - Deelneming aan de productie en de verkoop van verdovende middelen - Berekening van het vermogensvoordeel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen - Deelneming - Artikel 66, Strafwetboek - Verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen - Deelneming aan de productie en de verkoop van verdovende middelen - Berekening van het vermogensvoordeel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 8 Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde vermindert om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar, maar het komt aan de veroordeelde toe de gegevens aan te reiken die de rechter in staat moeten stellen te beoordelen in welke mate het bevelen van de vermelde verbeurdverklaring een onredelijke straf voor een beklaagde inhoudt

(1).
(1)Cass. 26 januari 2021, AR P.20.1283.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek - Onredelijk zware straf - Vermindering van het bedrag van de vermogensvoordelen of van de geraamde geldwaarde ervan - Beoordeling door de rechter - Gegevens aan te reiken door de veroordeelde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, zevende lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Straf - Verbeurdverklaring - Vermogensvoordelen - Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek - Onredelijk zware straf - Vermindering van het bedrag van de vermogensvoordelen of van de geraamde geldwaarde ervan - Beoordeling door de rechter - Gegevens aan te reiken door de veroordeelde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis, zevende lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1374.N I M. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. II J. V. Z., beklaagde, eiser. III A. D. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen De Backer, advocaat bij de balie Antwerpen. IV J. V. Z., reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Shanna Schuerewegen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 september

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  2. Overeenkomstig artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering moet cassatieberoep in de regel worden ingesteld door een advocaat die houder is van het in die bepaling bedoelde getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures. Het cassatieberoep II dat is ingesteld door de eiser zelf, is niet ontvankelijk.
  3. Overeenkomstig artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet. Het cassatieberoep IV, ingesteld op 26 september 2024 en derhalve na het cassatieberoep II, ingesteld op 25 september 2024, is niet ontvankelijk.
  4. Het middel van de eiser IV, dat geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep IV, behoeft geen antwoord. Eerste middel van de eiser I
  5. Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan de verkoop van amfetamine (telastleggingen B.2 en B.3) op grond van zijn bewezenverklaarde deelneming aan de productie van amfetamine door de terbeschikkingstelling van twee loodsen (telastleggingen A.2 en B.2); die terbeschikkingstelling beschouwt het arrest ten onrechte als een positieve daad van deelneming aan de verkoop van amfetamine; de ter beschikking gestelde loodsen leverden weliswaar een bijdrage aan de productie van de amfetamine, maar waren volstrekt irrelevant voor de latere verkoop ervan (eerste onderdeel); met de redenen die het arrest vermeldt, stelt het de kennis van de eiser I in verband met de latere verkoop van amfetamine en zijn latere betaling met winst uit die verkoop ten onrechte gelijk aan een positieve daad (tweede onderdeel).
  6. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek stelt deelneming aan een misdaad of wanbedrijf strafbaar, met name wanneer de beklaagde door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd. In de regel vereist die deelneming vanwege de beklaagde een positieve daad die aan de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samengaat.
  7. Voor de toepassing van artikel 66, derde lid, Strafwetboek is vereist dat de verstrekte hulp of bijstand wetens en willens werd verleend en dat deze hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of die hulp of bijstand groot of klein is. Evenmin moet deze deelnemingsgedraging gericht zijn op alle constitutieve bestanddelen van het hoofdmisdrijf. Bijgevolg kan met eenzelfde gedraging hulp of bijstand aan verschillende misdrijven worden verleend in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek. Een daad van deelneming aan de productie van verdovende middelen kan dan ook een daad van deelneming aan de verkoop van die verdovende middelen uitmaken.
  8. De enkele omstandigheid dat een persoon kennis heeft of moet hebben gehad van een misdaad of een wanbedrijf, volstaat niet voor zijn schuldigverklaring als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan die misdaad of dat wanbedrijf. Die omstandigheid is evenwel niet aan de orde wanneer de rechter vaststelt dat de kennis van de betrokkene gepaard gaat met het bewust stellen van een positieve handeling waarmee hij noodzakelijke hulp verleent tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf.
  9. De rechter oordeelt onaantastbaar of er in een concreet geval is voldaan aan de vermelde vereisten. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 33-35) oordeelt als volgt: - de eiser I stelde wetens en willens twee locaties ter beschikking voor de inrichting en exploitatie van amfetaminelabo's. Het was daarbij voor de eiser I zonder twijfel duidelijk dat de productie van zowel de precursor BMK als het eindproduct amfetamine enkel ertoe strekte winsten te genereren bij de verkoop van de geproduceerde amfetamine via het illegale circuit; - er is in de locaties ook een daadwerkelijke, grootschalige en professionele amfetamineproductie geweest die gericht was op verkoop; - het afgewerkte product, te weten de in het illegale circuit verkoopbare amfetamine, werd niet meer aangetroffen; - het opstarten van een professioneel uitgebouwd amfetaminelabo en de navolgende productie van grote hoeveelheden amfetamine vindt vanzelfsprekend pas plaats nadat men de zekerheid heeft verkregen dat de geproduceerde amfetamine tegen een bepaalde prijs kan worden verkocht, gelet op de omvang van de vereiste investeringen waaronder de “huur” van een geschikte locatie, die zekerheid vereist over het bestaan van een afzetmarkt voor het eindproduct; - het staat op grond van de beslissing van de eerste rechter reeds definitief vast dat de eiser I door middel van het verlenen van hand- en spandiensten deelnam aan de productie van BMK en amfetamine, dit louter met het oog op het realiseren van financieel geldgewin uit de verkoop van het illegale eindproduct; - eisers handelen was noodzakelijk opdat kon worden overgegaan tot de verkoop van amfetamine vermits zonder het ter beschikking stellen van de locaties niet had kunnen worden overgegaan tot de productie aldaar van amfetamine die vervolgens kon worden verkocht; - de eiser I heeft, gelet op het voormelde, wetens en willens aan de uitvoering van de telastleggingen B.2 en B.3 meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat dit misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd, zoals het in concreto heeft plaatsgevonden.
  12. Op grond van die redenen, waarmee het arrest het wetens en willens ter beschikking stellen van de loodsen aanwijst als de concrete positieve deelnemingshandeling van de eiser I, niet enkel voor de productie van amfetamine, maar ook voor de verkoop ervan als finaliteit van de productie, kan het wettig oordelen dat de eiser I deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek is aan de telastleggingen B.2 en B.
  13. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
  14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de eiser voldoende zekerheid moet hebben over de verkoop van de amfetamine omdat hij anders als deelnemer aan het misdrijf zou worden geconfronteerd met de hoge kostprijs van onder meer de huur van de locatie; het oordeelt, anderzijds, dat de eiser I hoe dan ook werd betaald met de huur van de loods, die een kostprijs voor de productie van de amfetamine uitmaakte en dus niet afhankelijk was van de winst; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  15. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de overeengekomen vergoedingen die een vereniging als bedoeld in artikel 2bis, § 3, b), Drugwet aan een van de deelnemers van die vereniging moet betalen voor welbepaalde prestaties die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van een drugoperatie, een kost van die drugoperatie uitmaken en, anderdeels, dat die vereniging de nodige zekerheid moet hebben over de opbrengst van de drugoperatie om alle eraan verbonden kosten te kunnen betalen. Dat de prestaties van de deelnemer bestaan in de terbeschikkingstelling van locaties aan de vereniging en dat de overeengekomen vergoeding wordt betaald onder de vorm van huurgelden, maakt geen verschil. Aldus sluiten de bekritiseerde redenen elkaar niet uit en heffen zij elkaar niet op. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser III
  16. Het middel voert schending aan van artikel 66, derde lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser III deelnemer in de zin van de vermelde bepaling is aan de feiten van de telastleggingen B.1 (eerste onderdeel), B.2 en B.3 (tweede onderdeel), bestaande in de verkoop van amfetamine geproduceerd in locaties die ter beschikking werden gesteld door (telastlegging B.1) of door bemiddeling van (telastleggingen B.2 en B.3) de eiser III; het arrest oordeelt dat de eiser III heeft deelgenomen aan de productie van BMK en amfetamine ingevolge de terbeschikkingstelling van die locaties, maar laat na aan te duiden welke deelnemingsgedraging aan welk constitutief bestanddeel van de handel in verdovende middelen de eiser III zou hebben gesteld; de enkele kennis bij de eiser III van de voorgenomen verkoop van de amfetamine geproduceerd in locaties die hij aan de vereniging ter beschikking heeft gesteld of voor de terbeschikkingstelling waarvan hij heeft bemiddeld, volstaat niet om te besluiten tot de vermelde deelneming.
  17. Voor wat betreft de toepassingsvereisten van artikel 66, derde lid, Strafwetboek, heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser I.
  18. Met de redenen die het arrest met betrekking tot de telastleggingen B.1 (p. 23-25) en B.2-B.3 (p. 38-40) vermeldt en die gelijkaardig zijn als deze vermeld onder het eerste middel van de eiser I, oordeelt het arrest dat de deelnemingshandelingen van de eiser III aan de telastleggingen B.1, B.2 en B.3 bestaan in het wetens en willens ter beschikking stellen van de loodsen voor de productie van BMK en amfetamine, dan wel de bemiddeling voor die terbeschikkingstelling, als noodzakelijke bijdrage aan de verkoop van de geproduceerde amfetamine. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser III deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek is aan de telastleggingen B.1, B.2 en B.
  19. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III Eerste onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest bepaalt de lastens de eiser III verbeurdverklaarde vermogensvoordelen in billijkheid, hoewel er voldoende nauwkeurige gegevens voorliggen om de vermogensvoordelen concreet te bepalen; het arrest bepaalt de vermogensvoordelen op grond van de verkoopwaarde van de verdovende middelen, hoewel uit het strafdossier blijkt dat de eiser III enkel een vermogensvoordeel genoot uit het ter beschikking stellen van zijn loods; aldus bepaalt het arrest het wederrechtelijke vermogensvoordeel niet op een nauwkeurige wijze en beantwoordt het eisers desbetreffende verweer niet.
  21. Opdat de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek vermelde vermogensvoordelen of van de in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek bedoelde geldwaarde daarvan kan worden uitgesproken tegen degene die als dader, mededader of medeplichtige wordt veroordeeld voor het misdrijf dat de vermogensvoordelen heeft voortgebracht, is niet vereist dat die vermogensvoordelen zijn eigendom zijn of tot zijn vermogen zijn toegetreden, noch dat hij zich heeft verrijkt. Die verbeurdverklaring kan immers worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat hij uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven.
  22. Hieruit volgt dat de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als deelnemer in de zin van artikel 66 Strafwetboek aan de productie en de verkoop van verdovende middelen ingevolge de terbeschikkingstelling van locaties die noodzakelijk waren voor het plegen van die misdrijven, het vermogensvoordeel van de beklaagde ingevolge die deelneming niet dient te beperken tot de huurgelden die de betrokkene heeft ontvangen. De rechter kan dat vermogensvoordeel daarentegen berekenen op grond van de totale geraamde opbrengst van de verkoop van de verdovende middelen en lastens de beklaagde de verbeurdverklaring bevelen van een deel daarvan, in functie van onder meer het aandeel van de beklaagde in de drugoperatie en zijn bijdrage aan het welslagen ervan. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. Met eigen redenen en redenen die het overneemt van het beroepen vonnis (p. 32-34), oordeelt het arrest (p. 54-56) als volgt: - op basis van de politionele vaststellingen, onder meer het afval en de lege verpakkingen die werden teruggevonden, wordt de minimale opbrengst van de locatie te (…) bepaald op 229.120,00 euro en deze van de locatie te (…) op 498.000,00 euro, terwijl het vermogensvoordeel verkregen uit de productie te (…) niet kan worden bepaald, terwijl er daar wel degelijk een productie heeft plaatsgevonden; - de eiser III baatte het labo in (…) uit en was (mede)verantwoordelijk voor de labo’s in Limburg; - voor wat betreft de opbrengst uit het labo te (…) geldt dat lastens de eiser III een verbeurdverklaring kan worden uitgesproken nu de eiser III schuldig is verklaard aan de feiten van de telastleggingen A.3, B.3 en C.3; - voor wat betreft de opbrengst uit het labo te (…) staat niets eraan in de weg dat het wederrechtelijk vermogensvoordeel wordt bepaald op grond van de verkoopprijs van de amfetamine. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiser III en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 43bis, laatste lid, Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser III in gebreke bleef om concrete elementen aan te reiken waaruit zou blijken dat de verbeurdverklaring van een wederrechtelijk vermogensvoordeel van 300.000,00 euro voor hem een onredelijke straf zou uitmaken; het redelijke van de straf wordt door de rechter in concreto beoordeeld, onder meer op basis van de financiële draagkracht van de veroordeelde en de ernst van de gepleegde feiten; hieruit volgt dat de appelrechters moesten nagaan of de hoogte van de verbeurdverklaring in concreto al dan niet in verhouding staat met eisers financiële draagkracht; hierbij kunnen de appelrechters zich niet beperken tot de vaststelling dat de eiser III zelf niet voldoende concrete elementen aanreikt, maar kan verwacht worden dat de appelrechters zelf een in concreto beoordeling maken op basis van de gegevens die voorliggen, zoals de nog erg lange openstaande gevangenisstraf van de eiser III, de aangereikte berekening van het effectief verworven vermogensvoordeel, het berekende vermogensvoordeel en het onderzoek ter rechtszitting; de appelrechters hebben evenwel nagelaten om in concreto na te gaan of de opgelegde verbeurdverklaring van 300.000,00 euro in verhouding staat met de financiële draagkracht van de eiser III.
  25. Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde vermindert om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.
  26. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, maar het komt aan de veroordeelde toe de gegevens aan te reiken die de rechter in staat moeten stellen te beoordelen in welke mate het bevelen van de vermelde verbeurdverklaring een onredelijke straf voor een beklaagde inhoudt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  27. In zijn appelconclusie heeft de eiser III de appelrechters gevraagd om minstens gebruik te willen maken van hun matigingsbevoegdheid inzake de uit te spreken verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, teneinde geen onredelijke of buitenproportionele bestraffing op te leggen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III tot staving van zijn vermelde vraag meer specifieke gegevens heeft aangevoerd. Aangezien de eiser III aldus geen concrete gegevens aan de appelrechters heeft aangereikt aan de hand waarvan zij de redelijkheid van de uit te spreken verbeurdverklaring konden afwegen, is de beslissing met de in het onderdeel bekritiseerde redenen regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 397,71 euro, waarvan op het cassatieberoep I 99,42 euro is verschuldigd en op de cassatieberoepen II, III en IV elk 99,43 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.