← België

Y. contra D.

Obsah (4)Art. 473Art. 137Art. 139Art. 140

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 473

, eerste lid en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging - Foltering - Verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 473, eerste en tweede lid, Strafwetboek - Veroordeling uit hoofde van de feiten - Gevolgen voor het slachtoffer - Vraagstelling aan de deskundige over de letsels van het slachtoffer - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 473

, eerste lid en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging - Foltering - Verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 473, eerste en tweede lid, Strafwetboek - Veroordeling uit hoofde van de feiten - Gevolgen voor het slachtoffer - Vraagstelling aan de deskundige over de letsels van het slachtoffer - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 473

, eerste lid en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 Om te worden aanzien als een terroristische groep in de zin van artikel 139, eerste lid, Strafwetboek, volstaat het dat een groep de intentie heeft om terroristische misdrijven te plegen en niet vereist is dat de groep reeds een terroristisch misdrijf heeft gepleegd of het plegen van een concreet terroristisch misdrijf voorbereidt, dan wel het plegen van een specifiek terroristisch misdrijf voor ogen heeft, zodat voor het bewezen verklaren van het bestaan van een terroristische groep de rechter dan ook geen concreet, in tijd en ruimte bepaald misdrijf als bedoeld in artikel 137 Strafwetboek dient aan te wijzen dat die groep van plan was te plegen; dat de groep in onderling overleg moet optreden om terroristische misdrijven in de zin van artikel 137 Strafwetboek te plegen, betekent dat de groep dient te handelen met een bepaalde mate van overleg tussen minstens sommige van zijn leden maar het is niet vereist dat alle leden bij dat overleg zijn betrokken

(1).
(1)Zie ook Cass. 22 mei 2024, AR P.24.0088.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240522.2F.14 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Terroristische groep - Artikel 139, eerste lid, Strafwetboek - Constitutieve bestanddelen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 137

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 139

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 5 Om te worden aanzien als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1, Strafwetboek, volstaat het te weten of te moeten weten dat men zou kunnen bijdragen tot het plegen van een al dan niet terroristisch misdrijf door de groep of door sommige leden van de groep en niet vereist is dat een hier bedoelde deelnemer zelf de intentie heeft een al dan niet terroristisch misdrijf te plegen noch dat een dergelijke deelnemer alle andere deelnemers aan de groep kent, noch dat hij volledig op de hoogte is van alle activiteiten en intenties van de groep

(1).
(1)Zie I. DE LA SERNA, “Des infractions terroristes”, in C. DE VALKENEER en I. DE LA SERNA, À la découverte de la justice pénale: Paroles de juriste, Larcier, 2015, 199; A. FRANSEN en J. KERKHOFS, “Het materieel terrorismestrafrecht” in J. KERKHOFS, A. SCHOTSAERT en P. VAN LINTHOUT (eds.), Contra-terrorisme: De gerechtelijke aanpak van terrorisme in België, Brussel, Larcier, 2018,
(3)28; A. WINANTS, “De invloed van terrorisme op de strafwetgeving: actualia materieel strafrecht”, NC 2019/ 14, 343; W. YPERMAN, “De terroristische misdrijven in artikelen 137 en 140 Sw.: geen legistieke voltreffer”, T. Strafr., 2020/5, 323. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Deelname aan de activiteiten van een terroristische groep - Artikel 140, § 1, Strafwetboek - Constitutieve bestanddelen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 140

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 6 De rechter kan oordelen dat een persoon waarvan hij vaststelt dat die een centrale rol in de terroristische groep speelt, een leidende persoon binnen die groep is in de zin van artikel 140, § 2, Strafwetboek en die centrale rol kan blijken uit alle aan de rechter voorgelegde gegevens, zoals de actieve of vooraanstaande rol van de betrokkene in de groep, de vastgestelde materiële gedragingen van de betrokkene, het feit dat de betrokkene namens de groep kan spreken, dat hij acties van de groep kan coördineren of dat hij initiatieven kan nemen om groepsleden aan te zetten tot bepaalde handelingen en het is niet vereist is dat de rechter met onderscheiden redenen het opzet van de beklaagde als leidende persoon motiveert; meerdere personen kunnen de hoedanigheid van leidende persoon binnen een terroristische groep hebben en het feit dat een andere persoon dan de beklaagde als spilfiguur van de groep wordt aanzien en dat de beklaagde binnen de groep een ondergeschikte rol ten aanzien van een derde vervult, sluiten zijn leiderschap niet uit. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Leidende persoon binnen een terroristische groep - Artikel 140, § 2, Strafwetboek - Elementen waaruit een centrale rol binnen de terroristische groep kan worden afgeleid - Meerdere personen die leidend persoon zijn - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 140

, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 8 Weliswaar levert het enkele feit van de verheerlijking van terrorisme niet het door artikel 140, § 1 en § 2, Strafwetboek bedoelde misdrijf op, maar de rechter kan het verheerlijken van terrorisme wel betrekken bij een onderzoek naar het bewezen zijn van het door artikel 140 Strafwetboek bepaalde misdrijf

(1).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1692.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.20 met concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Deelname aan de activiteiten van een terroristische groep - Leidinggevende rol in een terroristische groep - Verheerlijking van terrorisme - Niet constitutief van de misdrijven bepaald in artikel 140, §§ 1 en 2 - Element te betrekken in de bewijsvoering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 140

, §§ 1 en 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Terrorisme - Deelname aan de activiteiten van een terroristische groep - Leidinggevende rol in een terroristische groep - Verheerlijking van terrorisme - Niet constitutief van de misdrijven bepaald in artikel 140, §§ 1 en 2 - Element te betrekken in de bewijsvoering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 140, §§ 1 en 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing M.

Y., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. II B. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Manu Bande, advocaat bij de balie Antwerpen. III A. A., beklaagde, aangehouden, eiser, vertegenwoordigd mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/203, waar de eiser woonplaats kiest, tegen P. D. K., verweerder. IV Z. A., beklaagde, met als raadsman mr. Rafael Jaspers, advocaat bij de balie Antwerpen. V M. E. A., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. VI L. S., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Nino Darsalia, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 september

  1. De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser IV voert grieven aan. De eiser V voert geen middel aan. De eiseres VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre het is gericht tegen de beslissing op de burgerlijke vordering van de verweerder 1 aangezien dit, behoudens voor wat betreft het beginsel van aansprakelijkheid, geen eindbeslissing is. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder III, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing van het arrest over de burgerlijke vordering van de verweerder III, is het cassatieberoep van de eiser III, in zoverre gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, niet ontvankelijk.
  3. In zoverre gericht tegen zijn vrijspraak voor de telastlegging D.1, is het cassatieberoep van de eiser III bij gebrek aan belang evenmin ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memories
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III zijn memorie ter kennis heeft gebracht aan de verweerder III, zoals nochtans vereist door artikel 429 Wetboek van Strafvordering.
  5. In zoverre de memorie van de eiser III betrekking heeft op de beslissing van het arrest over de burgerlijke vordering van de verweerder III, is zij, voor wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, niet ontvankelijk.
  6. Overeenkomstig artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie na verloop van twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep, geen memories of stukken meer indienen, met uitzondering van de daar bedoelde akten of noten.
  7. Uit de datumstempel van de griffie blijkt dat de memorie van de eiser IV ter griffie is neergelegd op 20 december 2024, dit is meer dan twee maanden na het instellen van het cassatieberoep door die eiser op 3 oktober
  8. De memorie van de eiser IV is niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser III
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67, 461, eerste lid, 468, 471, eerste, zesde en zevende lid, 472, 473 en 483 Strafwetboek en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de eiser III schuldig aan diefstal met geweld of bedreiging en met verzwarende omstandigheden, waaronder foltering (telastlegging A); het arrest vraagt aan de aangestelde gerechtsdeskundige onder meer om advies te geven over de mate waarin de bij de verweerder III vastgestelde letsels of aandoeningen werden veroorzaakt door de feiten en laat zodoende de mogelijkheid open dat de vastgestelde letsels niet werden veroorzaakt door de feiten; zodoende is deze opdracht in tegenspraak met de beslissing op strafrechtelijk gebied, aangezien de lastens de eiser III bewezen verklaarde telastlegging noodzakelijk impliceert dat de bij de verweerder III vastgestelde letsels het gevolg zijn van geweld dat bij de feiten werd gebruikt; indien dit niet het geval is, vervalt immers de verzwarende omstandigheid van het gebruik van geweld en bedreigingen en is de lastens de eiser III uitgesproken straf niet naar recht verantwoord; er bestaat derhalve een tegenstrijdigheid tussen de redenen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van de telastlegging A en de aan de gerechtsdeskundige gegeven opdracht.
  10. Het arrest verklaart de eiser III schuldig aan de telastlegging A met de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 473, eerste en tweede lid, Strafwetboek. Die bepalingen luiden als volgt: “In de gevallen van de artikelen 468, 469, 470 en 471 is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, indien het geweld of de bedreiging, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft. Dezelfde straf wordt toegepast, indien de boosdoeners de personen hebben onderworpen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid.”
  11. Het slachtoffer van het geweld of de bedreiging vermeld in artikel 473, eerste lid, Strafwetboek of van de foltering vermeld in artikel 473, tweede lid, Strafwetboek, kan letsels of aandoeningen vertonen die niet door dat geweld, die bedreiging of die foltering zijn veroorzaakt. Bijgevolg doet de in het middel vermelde vraagstelling aan de gerechtsdeskundige de veroordeling van de eiser III voor de telastlegging A niet teniet en heft ze die veroordeling niet op. Aldus bestaat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser III
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 137, 139 en 140 Strafwetboek: het arrest leidt uit de feiten die het vaststelt en die in wezen bestaan uit samenkomsten, propaganda, onderricht en het verspreiden en onderhouden van een salafistisch gedachtegoed, ten onrechte af dat de eiser III leider was van een terroristische groep (telastlegging C); de vastgestelde feiten verantwoorden hoogstens de kwalificatie van het verheerlijken van terrorisme, wat eventueel kan vallen onder het toepassingsgebied van artikel 140bis Strafwetboek; de activiteiten van een terroristische groep als bedoeld in artikel 139 Strafwetboek dienen erop te zijn gericht in de toekomst terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 137 Strafwetboek te plegen; het arrest onderbouwt nergens concreet dat de beweerde groep die intentie had; evenmin stelt het arrest aan de hand van enig materieel feit vast dat de groep “in onderling overleg optrad” om terroristische misdrijven te plegen.
  13. Artikel 137, § 1, Strafwetboek bepaalt dat als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt het misdrijf, bepaald in de paragrafen 2 en 3 van dat artikel, dat door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
  14. Artikel 139, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat met een terroristische groep wordt bedoeld iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen, als bedoeld in artikel 137 Strafwetboek.
  15. Artikel 140, § 1, Strafwetboek bestraft degene die deelneemt aan enige activiteit van een terroristische groep, zij het ook door het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan een terroristische groep of door het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van een terroristische groep, terwijl hij wist of moest weten dat zijn deelname zou kunnen bijdragen tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf door de terroristische groep. Artikel 140, § 2, Strafwetboek bestraft de leider van een terroristische groep.
  16. Om te worden aanzien als een terroristische groep in de zin van artikel 139, eerste lid, Strafwetboek, volstaat het dat een groep de intentie heeft om terroristische misdrijven te plegen. Niet vereist is dat de groep reeds een terroristisch misdrijf heeft gepleegd of het plegen van een concreet terroristisch misdrijf voorbereidt, dan wel het plegen van een specifiek terroristisch misdrijf voor ogen heeft. Voor het bewezen verklaren van het bestaan van een terroristische groep dient de rechter dan ook geen concreet, in tijd en ruimte bepaald misdrijf als bedoeld in artikel 137 Strafwetboek aan te wijzen dat die groep van plan was te plegen.
  17. Dat de groep in onderling overleg moet optreden om terroristische misdrijven in de zin van artikel 137 Strafwetboek te plegen, betekent dat de groep dient te handelen met een bepaalde mate van overleg tussen minstens sommige van zijn leden. Niet vereist is dat alle leden bij dat overleg zijn betrokken.
  18. Om te worden aanzien als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1, Strafwetboek, volstaat het te weten of te moeten weten dat men zou kunnen bijdragen tot het plegen van een al dan niet terroristisch misdrijf door de groep of door sommige leden van de groep. Niet vereist is dat een hier bedoelde deelnemer zelf de intentie heeft een al dan niet terroristisch misdrijf te plegen. Evenmin vereist is dat een dergelijke deelnemer alle andere deelnemers aan de groep kent.
  19. Verder kan de rechter oordelen dat een persoon waarvan hij vaststelt dat die een centrale rol in de terroristische groep speelt, een leidende persoon binnen die groep is in de zin van artikel 140, § 2, Strafwetboek. Die centrale rol kan blijken uit alle aan de rechter voorgelegde gegevens, zoals de actieve of vooraanstaande rol van de betrokkene in de groep, het feit dat de betrokkene namens de groep kan spreken, dat hij acties van de groep kan coördineren of dat hij initiatieven kan nemen om groepsleden aan te zetten tot bepaalde handelingen.
  20. Weliswaar levert het enkele feit van de verheerlijking van terrorisme niet het door artikel 140, § 1 en § 2, Strafwetboek bedoelde misdrijf op, maar de rechter kan het verheerlijken van terrorisme wel betrekken bij een onderzoek naar het bewezen zijn van het door artikel 140 Strafwetboek bepaalde misdrijf.
  21. De rechter kan het oordeel dat er sprake is van een terroristische groep in de zin van artikel 139, eerste lid, Strafwetboek en van deelname aan een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1 en § 2, Strafwetboek afleiden uit alle hem voorgelegde feiten, beoordeeld in hun onderlinge samenhang. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, maar het Hof gaat na of hij uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  22. Het arrest (p. 46-61) somt een geheel van met elkaar overeenstemmende elementen op, op grond waarvan het in essentie oordeelt als volgt: - de (...), waartoe de eiser III behoorde, had de intentie om de gewapende strijd te voeren. Die groep was onmiskenbaar voorstander van een extremistische gewelddadige interpretatie van de islam die erop gericht is de bestaande politieke regimes met geweld omver te werpen en te vervangen door de islamitische staat. Om dit doel te bereiken had de (...) ontegensprekelijk de intentie om misdrijven opgesomd in artikel 137 Strafwetboek te plegen; - meerdere beklaagden droegen via allerlei media het jihadistisch salafistisch gedachtengoed uit en bedienden zich daarbij van propaganda van terroristische organisaties waaronder IS, waarmee zij groepsleden en derden van die propaganda probeerden te overtuigen; - de feiten van de telastleggingen A en B kunnen niet los worden gezien van het vermelde gedachtengoed dat die beklaagden aanhingen en verspreidden, dit gelet op de observaties, de gevonden video-, audio- en tekstgegevens en de afgeluisterde gesprekken waarin onder meer sprake is van het sympathiseren met de jihad, IS, Sharia4Belgium en het martelaarschap, alsook van jihadistische oorlogsbuit in verband met de feiten van de telastlegging A; - de eiser III had het concrete plan om met anderen het nieuwe gebouw van de lokale politie te Antwerpen op te blazen, zij het dat er nog niet genoeg kapitaal voorhanden was om de explosieven te bekostigen, terwijl korte tijd later de feiten van de telastlegging A werden gepleegd door verschillende leden van de (...) (arrest, p. 56-57: “Tot slot dient nog gewezen te worden op het afgeluisterd gesprek op 10 januari 2022 tussen [de eisers III en VI] waarin in duidelijke bewoordingen gewag wordt gemaakt van concrete plannen voor de aanslag op een politiekantoor ([…]). Uit deze communicatie blijkt dat [de eiser III] deelgenoot was van een plan om een bomaanslag te plegen op het hoofdgebouw van de lokale politie te Antwerpen dat in aanbouw was. [De eiser III] deelt daarbij vele details, nl. dat 1° de explosieven geplaatst zouden worden wanneer het gebouw nog in aanbouw was en tot ontploffing zouden worden gebracht als het in gebruik zou worden genomen, 2° er niet voldoende kapitaal voorhanden was om de dure C4 die nodig was om dit plan te kunnen uitvoeren, aan te kopen, 3° er reeds op verkenning werd gegaan in het gebouw, 4° de plannen dateren van zes maanden tot een jaar geleden (zie ook infra). Opvallend is ook dat de home-invasion werd gepleegd enkele dagen na het gesprek dat [de eiser III] met [de eiseres VI] had over een gebrek aan kapitaal voor het aankopen van explosieven.”, alsook p. 76, zesde gedachtestreepje: “Op 10 januari 2022 passeert [de eiseres VI] samen met [de eiser III] het nieuwe politiegebouw in aanbouw, waarbij [de eiser III] vertelt over broeders die plannen hadden voor een aanslag op het nieuwe politiegebouw; hij vertelt dat ze op prospectie gingen om explosieven in het gebouw te plaatsen, maar dat van de plannen werd afgezien omdat kwalitatieve C4 erg duur is’. [De eiser III] zegt op een gegeven ogenblik ook ‘je moest eens weten waarmee we bezig zijn’, waarmee hij zichzelf betrekt in deze plannen. Als [de eiseres VI] vraagt of hij dit meent antwoordt [de eiser III] bevestigend; hij voegt er nog aan toe ‘dat het hoofd van de politie en de terrorismeafdeling’ daar zouden zitten en het enig probleem was dat ze geen geld hadden voor de aankoop van goede explosieven”); - de eiser III nam onmiskenbaar belangrijke verantwoordelijkheden op zich met betrekking tot de goede organisatie van de groep en de duurzaamheid van de structuur van de groep. Hij fungeerde ook als centraal aanspreekpunt wat betreft religieuze en ideologische kwesties.
  23. Op grond van die redenen, waarmee de appelrechters een verband leggen tussen de door de eiser III en andere leden van de (...) gepleegde feiten van de telastlegging A, de bestemming van minstens een gedeelte van de verhoopte buit van die feiten, het door beklaagden verheerlijkte en gepropageerde jihadistisch salafistisch gedachtengoed en de aanslag die de eiser III van plan was uit te voeren op het gebouw waarin de lokale politie te Antwerpen zou worden gehuisvest, kan het arrest wettig het bestaan vaststellen van een terroristische groep in de zin van artikel 139, eerste lid, Strafwetboek, in het kader waarvan in onderling overleg werd samengewerkt om een terroristisch misdrijf te plegen en waarbinnen de eiser III een leidende rol vervulde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II
  24. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 140, § 1 en § 2, Strafwetboek en artikel 195, tweede (thans vijfde) lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser II ten onrechte schuldig als leidend persoon binnen de terroristische groep; een dergelijke schuldigverklaring vereist volgens de wetsgeschiedenis van artikel 140 Strafwetboek het bewijs dat betrokkene de belangrijkste verantwoordelijkheden op zich nam en dat hij omwille van zijn centrale rol in de terroristische groep de nagestreefde doelen zou kennen en hieromtrent beslissingen zou nemen; het arrest stelt deze omstandigheden niet vast, evenmin als het opzet van de eiser II om wetens en willens de functie van leider van de terroristische groep te hebben vervuld; het arrest verduidelijkt ook niet waarom het de eiser II niet schuldig verklaart aan het in artikel 140, § 1/1, Strafwetboek bedoelde misdrijf van nemer van beslissingen in het raam van de activiteiten van de terroristische groep.
  25. De rechter kan oordelen dat een persoon waarvan hij vaststelt dat die een centrale rol in de terroristische groep speelt, een leidende persoon binnen die groep is. Die centrale rol kan blijken uit alle aan de rechter voorgelegde gegevens, zoals de actieve of vooraanstaande rol van de betrokkene in de groep, het feit dat de betrokkene namens de groep kan spreken, dat hij acties van de groep kan coördineren of dat hij initiatieven kan nemen om groepsleden aan te zetten tot bepaalde handelingen. Meerdere personen kunnen de hoedanigheid van leidende persoon binnen een terroristische groep hebben. Het feit dat een andere persoon dan de beklaagde als spilfiguur van de groep wordt aanzien en dat de beklaagde binnen de groep een ondergeschikte rol ten aanzien van een derde vervult, sluiten zijn leiderschap niet uit.
  26. De rechter kan het moreel bestanddeel om leidend persoon binnen een terroristische groep te zijn, afleiden uit de vastgestelde materiële gedragingen van de betrokkene. Niet vereist is dat de rechter met onderscheiden redenen het opzet van de beklaagde als leidende persoon motiveert.
  27. De rechter oordeelt op grond van de door hem vastgestelde feiten onaantastbaar of een beklaagde de hoedanigheid heeft van leidend persoon binnen een terroristische groep. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
  28. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  29. Het arrest (p. 63-66 en 80) oordeelt: - “ [De eiser II] had nauwe contacten met [de eiser III] en dient, gelet op hetgeen hiervoor is gesteld, eveneens als een leider van de (...) aanzien te worden. Hij was herhaaldelijk aanwezig bij de nabesprekingen op het (...)plein en neemt onder meer het voortouw bij de nabespreking op het (...)plein in de nacht van 4 op 5 augustus
  30. Uit de audio-opname gemaakt naar aanleiding van deze nabespreking blijkt duidelijk dat het gewelddadig jihadistisch- salafisme en het martelaarschap worden verheerlijkt, waarbij op een dwingende onderrichtende toon wordt gesproken. Hij was ook erg actief op sociale media, zoals WhatsApp en Telegram en deelde uitgesproken jihadistisch salafistische content met andere leden van de groep. Net als [de eiser III] en beklaagde […] was ook [de eiser II] er zich genoegzaam van bewust dat de door hem uitgedragen visie op islam en de door hem verzamelde informatie/content een extreem jihadistisch-salafistische inslag hadden. Hij maande de groep bijvoorbeeld aan tot voorzichtigheid met betrekking tot het gebruik van hun gsm-toestel en met betrekking tot de nieuwe leden van de groep. De grote hoeveelheid van de bij [de eiser II] aangetroffen lezingen en video’s aangaande het gedachtengoed van radicale jihadistisch-salafistische predikers kan in de gegeven omstandigheden niet afgedaan worden als ‘het louter opzoeken uit nieuwsgierigheid of interesse’. Dit gaat veel verder. Het staat vast dat [de eiser II] betrokken was bij het opstellen van een nasheed [lied] die door verschillende leden van de groep werd ingezongen, evenals bij het verspreiden van terroristische propaganda en het oprichten van een website”; - “[Beklaagden] maakten allen deel uit van een gestructureerde en in onderling overleg optredende terroristische groep, de zogenaamde (...). Deze groep werd in hoofdzaak geleid door [de eiser III], daarin ondersteund door de beklaagden […] en [de eiser II], die eveneens een coördinerende en sturende rol hadden en dus ook als leiders dienen te worden beschouwd. De (...) werd opgericht met als doel het publiekelijk verkondigen en verheerlijken van de heilige oorlog, het martelaarschap en de islamisering van het Westen. Beklaagden verheerlijken en verspreiden de ideologie van het jihadistisch salafisme, waarbij IS en Sharia4Belgium als voorbeeld worden gesteld. Middels het organiseren van bijeenkomsten in de garagebox en in Bergerven, het organiseren van een groepsgebed en het voorbereiden en organiseren van onderricht en lessen, waar het extreme en gewelddadig jihadistisch salafistisch gedachtengoed werd uitgelegd en gepropageerd, werden moslimjongeren gerekruteerd en geïndoctrineerd, teneinde hen zover te krijgen dat ze handelen overeenkomstig de gewapende jihad. Het staat vast dat degenen die een leidinggevende rol vervulden binnen de (...), een heel belangrijke rol hebben gespeeld bij het indoctrinatie- en radicaliseringsproces van haar aanhangers.”
  31. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser II wetens en willens een leidend persoon binnen de terroristische groep was en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed.
  32. Het arrest dat aldus op gemotiveerde wijze vaststelt waarom de eiser II te aanzien is als een leidend persoon binnen de terroristische groep, dient niet te motiveren waarom het hem niet schuldig verklaart als nemer van beslissingen binnen dezelfde groep.
  33. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
  34. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede (thans vijfde) lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser II geen afdoende elementen aanreikt om toe te laten te besluiten dat het opleggen van de bestraffing zijn toekomst en reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de aard en de ernst van de feiten, zou hypothekeren; in zijn appelconclusie en de door hem neergelegde stukken heeft de eiser II uitdrukkelijk gevraagd rekening te houden met de specifieke persoonlijke toestand, alsook met de verslagen van de islamoloog en de afgenomen maatschappelijke enquête, die een positief beeld van de eiser II en diens reclasseringsmogelijkheden schetsen; het arrest verwijst voor de aard van de straf en het gegeven dat een straf met probatie-uitstel niet aangewezen wordt geacht naar de persoonlijkheid van de eiser II, terwijl deze persoonlijkheid op basis van de dossierelementen en stukken geenszins als negatief element naar voren komt, wel integendeel; het arrest neemt deze elementen dan ook niet in overweging, minstens blijkt zulks geenszins uit de motivering, waardoor het arrest niet nauwkeurig antwoordt op het door de eiser II gevoerde verweer voor wat betreft de straftoemeting.
  35. Het arrest (p. 88) houdt voor de straftoemeting ten aanzien van de eiser II rekening met de volgende elementen: - de aard en grote ernst van het bewezen verklaarde feit van de telastlegging C.3; - eisers hoedanigheid van leider van een terroristische groep; - eisers gunstig strafverleden; - eisers sociale en persoonlijke toestand, zoals die blijkt uit de elementen van het strafdossier, de bijgebrachte stukken en de toelichting ter rechtszitting; - de nood tot bescherming van de maatschappij; - de vergeldingsbehoefte en de bijdrage tot preventie; - de aard van de bewezenverklaarde feiten die vereist dat aan de eiser II ook een geldboete wordt opgelegd; - de aard en de grote ernst van de bewezen verklaarde feiten die vereist dat de eiser II levenslang wordt ontzet uit de rechten bepaald in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek, met het oog op maximale preventie. Verder oordeelt het arrest dat het opleggen van een mildere straf dan de eerste rechter of een straf gekoppeld aan uitstel of probatie-uitstel, mede gelet op de bijzondere aard en ernst van de feiten en eisers persoonlijkheid, een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op de bewezenverklaarde feiten zou inhouden en de eiser II onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen.
  36. Hieruit volgt dat het arrest rekening houdt met het verweer van de eiser II inzake de straftoemeting en dat het dit verweer beantwoordt, zonder dat het eveneens moet antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  37. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de aan de eiser II op te leggen straffen en is het niet ontvankelijk. Middel van de eiseres VI Eerste onderdeel
  38. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 139 en 140, § 1, Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest verklaart de eiseres VI schuldig aan deelneming aan enige activiteit van een terroristische groep, zonder bij de eiseres VI actieve daden vast te stellen die een dergelijke deelneming zouden uitmaken en zonder het desbetreffende verweer vervat in de appelconclusie van de eiseres VI te beantwoorden.
  39. In zoverre het onderdeel niet preciseert welk verweer van de eiseres VI het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  40. Het arrest oordeelt onder meer dat de eiseres VI hulp aan de terroristische groep heeft verleend door allerhande hand- en spandiensten te leveren, zoals haar instemming om de eiser III te helpen bij het ontwikkelen van zijn website door het vertalen van inhoud van het Engels naar het Nederlands, het nalezen en op spelling verbeteren van de cursus die de eiser III gebruikte tijdens de lessen in de garagebox, het waarschuwen van de eiser III voor infiltranten en het geven aan de eiser III van tips voor een online oproep tot de islam. Aldus vermeldt het arrest de concrete actieve daden waaruit het de deelneming van de eiseres VI aan de terroristische groep afleidt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 139 en 140, § 1, Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest is intern tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds oordeelt het arrest dat de eiseres VI bewust heeft deelgenomen aan de activiteiten van de (...) en actief heeft bijgedragen aan de activiteiten van deze groep, terwijl zij wist dat haar deelname zou kunnen bijdragen tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf door de terroristische groep; deze vaststelling impliceert dat de eiseres VI volledig op de hoogte was van de activiteiten en intenties van de groep en dat zij bewust handelingen heeft gesteld ter ondersteuning daarvan; anderzijds blijkt echter uit de motivering van het arrest dat de eiseres VI niet op de hoogte was van de plannen en activiteiten van de (...); aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  42. Om te worden aanzien als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1, Strafwetboek, volstaat het te weten of te moeten weten dat men zou kunnen bijdragen tot het plegen van een al dan niet terroristisch misdrijf door de groep of door sommige leden van de groep. Niet vereist is dat een hier bedoelde deelnemer zelf de intentie heeft een al dan niet terroristisch misdrijf te plegen. Evenmin vereist is dat een dergelijke deelnemer alle andere deelnemers aan de groep kent, noch dat hij volledig op de hoogte is van alle activiteiten en intenties van de groep. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  43. Het arrest (p. 77) oordeelt dat geen twijfel erover kan bestaan dat de eiseres VI in de gegeven omstandigheden wist dat de (...) een terroristische groep betrof en kennis had van de terroristische misdrijven die deze terroristische groep beoogde te plegen. In zoverre het onderdeel dat oordeel niet in de kritiek betrekt, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  44. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest is afgeleid uit de vermelde onjuiste rechtsopvatting en onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk Ambtshalve onderzoek
  45. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  46. Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen van de eisers I, III en V, verkrijgt het arrest ten aanzien van die eisers kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over hun onmiddellijke aanhouding, hun cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep II zoals vermeld. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 646,29 euro, waarvan de eiser I, de eiser III en de eiser V 107,71 euro zijn verschuldigd en de eiser II, de eiser IV en de eiseres VI 107,72 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240522.2F.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.