id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 De beslissing tot verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft in de regel een zakelijke werking en slaat aldus op de zaak zelf; de eigendom daarvan wordt aan de Staat overgedragen van zodra het vonnis dat de verbeurdverklaring uitspreekt, in kracht van gewijsde is gegaan
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Aard van de straf - Gevolg - Eigendomsoverdracht - Tijdstip Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 De verplichting van de Staat om verbeurdverklaarde onroerende goederen zelf in gebruik te nemen of te vervreemden, is een rechtstreeks gevolg van de rechterlijke uitspraak waarbij de verbeurdverklaring werd opgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Tenuitvoerlegging - Rechterlijke uitspraak waarbij de verbeurdverklaring is opgelegd - Gevolg voor verplichtingen van de Belgische Staat met betrekking tot de verbeurdverklaarde onroerende goederen Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat - 22-05-2003 - Art. 117, § 1 - 41 ELI link Pub nr 2003003367 Thesaurus CAS: GOEDEREN Vrije woorden: Private domeingoederen - Verbeurdverklaarde onroerende goederen - Rechterlijke uitspraak waarbij de verbeurdverklaring is opgelegd - Verplichtingen Belgische Staat Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat - 22-05-2003 - Art. 117, § 1 - 41 ELI link Pub nr 2003003367 Fiche 5 Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Vordering waarover definitief werd beslist - Latere vordering tussen dezelfde partijen - Niet-identieke oorzaak en voorwerp - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 6 De exceptie van gewijsde geldt wanneer de rechter, op basis van een vergelijking van de draagwijdte van de beslissing waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen met de nieuwe vordering, beslist dat die vordering niet kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de eerdere beslissing ongedaan te maken
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Vordering waarover definitief werd beslist - Latere vordering tussen dezelfde partijen - Draagwijdte eerste beslissing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0458.N
- PITSTOP bv, met zetel te 3530 Houthalen-Helchteren, Weg naar Zwartberg 105, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0597.721.819,
- M. D.,
- H. M.,
- Y. D.,
- A. D., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, Administratie van de Patrimoniumdiensten, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33, bus 473, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 juni
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 19 december 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 42, 3°, Strafwetboek wordt bijzondere verbeurdverklaring toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen. Krachtens artikel 43bis Strafwetboek kan een dergelijke bijzondere verbeurdverklaring door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.
- De tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring mag de omvang van het voordeel dat het oorspronkelijke misdrijf opleverde, niet overschrijden. Bij een verbeurdverklaring tot beloop van een bepaald bedrag wordt bijgevolg het onroerend goed zelf integraal verbeurd verklaard, maar blijven de financiële gevolgen daarvan beperkt in die zin dat, indien de tenuitvoerlegging ervan meer opbrengt dan het bedrag waarvoor verbeurd werd verklaard, het saldo ten goede komt aan de rechthebbende. De beslissing tot verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft in de regel een zakelijke werking en slaat aldus op de zaak zelf. De eigendom daarvan wordt aan de Staat overgedragen van zodra het vonnis dat de verbeurdverklaring uitspreekt, in kracht van gewijsde is gegaan.
- Krachtens artikel 117, § 1, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, hierna Begrotingswet, moeten roerende of onroerende goederen die toebehoren aan de in artikel 2 van die wet bedoelde administraties, instellingen en ondernemingen van de federale Staat en die niet opnieuw kunnen worden gebruikt en voor vervreemding in aanmerking komen, worden vervreemd onder bezwarende titel met de tussenkomst van de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën.
- Uit de samenhang van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek met artikel 117, § 1, Begrotingswet volgt dat de verplichting van de Staat om verbeurdverklaarde onroerende goederen zelf in gebruik te nemen of te vervreemden, een rechtstreeks gevolg is van de rechterlijke uitspraak waarbij de verbeurdverklaring werd opgelegd.
- Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond, de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. Krachtens artikel 24 Gerechtelijk Wetboek heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak. Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van het rechterlijk gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
- Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde. De exceptie van gewijsde geldt bijgevolg wanneer de rechter, op basis van een vergelijking van de draagwijdte van de beslissing waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen met de nieuwe vordering, beslist dat die vordering niet kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de eerdere beslissing ongedaan te maken.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de vorderingen van de eisers betrekking hebben op de openbare verkoop van de bij arrest van 29 mei 2019 van het hof van beroep te Antwerpen verbeurdverklaarde goederen door de Belgische Staat.
- De appelrechters stellen vast dat: - het hof van beroep te Antwerpen in een arrest van 29 mei 2019 lastens de respectieve eisers de bijzondere verbeurdverklaring heeft uitgesproken van zes onroerende goederen, ten belope van een welomschreven bedrag; - de eisers tegen deze verbeurdverklaringen geen cassatieberoep hebben ingesteld, zodat deze beslissingen in kracht van gewijsde zijn getreden; - FinDomImmo, de bevoegde dienst binnen de FOD Financiën, in april 2021 aan de eisers meedeelt dat zij de verbeurdverklaarde goederen verder beheert met het oog op een zo spoedig mogelijke verkoop; - de eisers op 5 mei 2021 een aanbod richten aan FinDomImmo, waarin zij voorstellen om de bedragen ten belope waarvan de verbeurdverklaring is uitgesproken te betalen in ruil voor de vrijgave van de verbeurdverklaarde goederen in hun voordeel; - de eisers op 25 mei 2021 overgaan tot dagvaarding van de verweerder teneinde de openbare verkoop van de voormelde onroerende goederen te verhinderen en te horen zeggen voor recht dat kan worden volstaan met de betaling van de tegenwaarde van de bedragen waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft.
- De appelrechters oordelen vervolgens dat: - de verbeurdverklaring een straf met zakelijke werking is en aldus op de zaak zelf slaat; - de eigendom van de verbeurdverklaarde zaak wordt overgedragen aan de Staat zodra de uitspraak over de verbeurdverklaring in kracht van gewijsde is getreden; - bij een verbeurdverklaring ten belope van een bepaald bedrag het onroerend goed zelf integraal verbeurd wordt verklaard, maar de financiële gevolgen daarvan beperkt blijven in die zin dat, indien de tenuitvoerlegging ervan meer opbrengt dan het bedrag waarvoor verbeurd werd verklaard, het saldo ten goede komt aan diegene van wie het goed werd ontnomen; - de tenuitvoerlegging van de uitgesproken verbeurdverklaring inhoudt dat de verbeurde goederen op grond van artikel 117 Begrotingswet te gelde worden gemaakt, en de eisers enkel aanspraak kunnen maken op vergoeding voor het gedeelte van de verkoopprijs dat de tegenwaarde waarvoor de bijzondere verbeurdverklaring werd uitgesproken, overschrijdt; - de eisers de mogelijkheid hadden de eigendomsontneming te betwisten voor de rechter die daarover besliste.
- De appelrechters die op grond van die redenen oordelen dat de vorderingen van de eisers niet gegrond kunnen worden verklaard zonder het gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 mei 2019 te miskennen en de vordering van de eisers onontvankelijk te verklaren, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De in het eerste onderdeel vergeefs aangevochten beslissing draagt de beslissing dat de vorderingen van de eisers onontvankelijk zijn. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
- Gelet op het voorgaande dient de in subsidiaire orde voorgestelde prejudiciële vraag niet te worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 369,66 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen en in openbare rechtszitting van 31 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250131.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2025:ARR.20251215.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div