← België

MORTELMANS PHILIP ARCHITECTEN contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250203.3N.3 Rolnummer: C.24.0261.N Zaak: MORTELMANS PHILIP ARCHITECTEN contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-02-21 Raadplegingen: 1265 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Indien de verhuurder, op grond van zijn bijzonder voorrecht van artikel 20, 1°, Hypotheekwet, beslag legt op stofferende goederen die aan een derde toebehoren en die derde, op grond van artikel 1514 Gerechtelijk Wetboek, die goederen wil terugvorderen, moet de derde niet enkel zijn eigendomsrecht op de goederen bewijzen, maar eveneens de kwade trouw van de verhuurder, namelijk dat deze op het tijdstip van het binnenbrengen van de goederen in het onroerend goed kennis had of behoorde te hebben van dit eigendomsrecht

(1).
(1)Cass. 4 december 2003, AR C.02.0174.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031204.4, AC 2003, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Vrije woorden: Verhuurder van een onroerend goed - Waarde van hetgeen het verhuurde stoffeert - Goederen toebehorend aan derden - Goede trouw - Beoordeling - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek III - Titel XVIII: Voorrechten en hypotheken. - Hypotheekwet - 16-12-1851 - Art. 20, 1° - 01 ELI link Pub nr 1851121650 Gerechtelijk Wetboek - Deel V: BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) - 10-10-1967 - Art. 1514 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Fiche 2 De curator die, bij faillissement van de derde aan wie de stofferende roerende goederen toebehoren, deze door de verhuurder in beslag genomen goederen terugvordert op grond van artikel 1514 Gerechtelijk Wetboek dient niet enkel het eigendomsrecht van de derde op de goederen te bewijzen, maar eveneens de kwade trouw van de verhuurder, namelijk dat deze op het tijdstip van het binnenbrengen van de goederen in het onroerend goed kennis had of behoorde te hebben van dit eigendomsrecht; het faillissement van de derde heeft immers niet tot gevolg dat de goederen of de verkoopopbrengst ervan als zodanig in de faillissementsboedel moet terechtkomen en integraal aan de curator moet worden overgemaakt. Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Vrije woorden: Verhuurder van een onroerend goed - Waarde van hetgeen het verhuurde stoffeert - Goederen toebehorend aan derden - Faillissement huurder - Curator - Terugvordering - Goede trouw - Beoordeling - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek III - Titel XVIII: Voorrechten en hypotheken. - Hypotheekwet - 16-12-1851 - Art. 20, 1° - 01 ELI link Pub nr 1851121650 Gerechtelijk Wetboek - Deel V: BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) - 10-10-1967 - Art. 1514 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0261.N MORTELMANS PHILIP ARCHITECTEN bv, met zetel te 2970 Schilde, De Pont 19, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0480.284.117, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  2. P. V., advocaat, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van KEY MUSIC nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Kempischdok-Westkaai 101, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0447.439.719,
  3. ING BELGIË nv, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.200.393, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerders woonplaats kiezen,
  4. B. G., advocaat, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van KEY MUSIC ANTWERPEN bv, met zetel te 2000 Antwerpen, Kempischdok-Westkaai 101, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0744.618.520, verweerder, in aanwezigheid van M.-R. P., gerechtsdeurwaarder, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 april
  5. De zaak werd bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 november 2024 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Krachtens artikel 20, 1°, Hypotheekwet zijn de huur- en pachtgelden van onroerende goederen bevoorrecht op de vruchten van de oogst van het jaar, en op de waarde van al hetgeen het verhuurde huis of de hoeve stoffeert en, van al hetgeen tot de exploitatie van de hoeve dient. De verhuurder kan zijn voorrecht ook uitoefenen op goederen die aan derden toebehoren, zoals aan de onderhuurder, op voorwaarde van zijn goede trouw. Die goede trouw moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop de goederen in het onroerend goed worden binnengebracht.
  7. Krachtens artikel 1514 Gerechtelijk Wetboek kan degene die beweert eigenaar te zijn van het geheel of een gedeelte van de in beslag genomen voorwerpen, tegen de verkoop verzet doen bij exploot, betekend aan de beslaglegger, aan de beslagen schuldenaar en aan de gerechtsdeurwaarder, en houdende dagvaarding van de beslaglegger en van de beslagen schuldenaar, met vermelding in het exploot van de bewijzen van eigendom, op straffe van nietigheid.
  8. Uit deze wetsbepalingen volgt dat, indien de verhuurder, op grond van zijn bijzonder voorrecht van artikel 20, 1°, Hypotheekwet, beslag legt op stofferende goederen die aan een derde toebehoren en die derde, op grond van artikel 1514 Gerechtelijk Wetboek, die goederen wil terugvorderen, de derde niet enkel zijn eigendomsrecht op de goederen moet bewijzen, maar eveneens de kwade trouw van de verhuurder, namelijk dat deze op het tijdstip van het binnenbrengen van de goederen in het onroerend goed kennis had of behoorde te hebben van dit eigendomsrecht.
  9. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de curator die, bij faillissement van de derde aan wie de stofferende roerende goederen toebehoren, deze door de verhuurder in beslag genomen goederen terugvordert op grond van artikel 1514 Gerechtelijk Wetboek. Het faillissement van de derde heeft immers niet tot gevolg dat de goederen of de verkoopopbrengst ervan als zodanig in de faillissementsboedel moet terechtkomen en integraal aan de curator moet worden overgemaakt.
  10. De appelrechters stellen vast dat: - de eiseres, als eigenaar van een handelspand, op 24 februari 2020 een huurovereenkomst heeft gesloten met Key Music Antwerpen bv; - Key Music Antwerpen bv, de hoofdhuurder, op 30 juni 2020 een onderhuurovereenkomst heeft gesloten met Key Music nv, de onderhuurder; - de eiseres de hoofdhuurder heeft gedagvaard wegens niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen; - de hoofdhuurder bij vonnis van de vrederechter van 14 juni 2021 werd veroordeeld tot betaling van 85 pct. van de lopende huurprijs, 100 pct. van de kostenprovisie vanaf 1 juni 2021 en het saldo van de huurwaarborg; - de onderhuurder op 28 september 2022 failliet werd verklaard en de eerste verweerder als curator werd aangesteld; - de eiseres op 21 oktober 2022 door tussenkomst van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij ten laste van de hoofdhuurder bewarend beslag heeft laten leggen op de roerende goederen die zich in het handelspand bevonden en dit beslag op 26 oktober 2022 werd omgezet in een uitvoerend beslag; - de eerste verweerder op 24 november 2022 een dagvaarding in revindicatie heeft laten betekenen aan de eiseres en aanvoerde dat de gefailleerde onderhuurder de enige eigenaar was van de in beslag genomen goederen; - de huurovereenkomst bij vonnis van de vrederechter van 30 november 2022 werd ontbonden ten laste van de hoofdhuurder, die werd veroordeeld tot betaling van achterstallige huurgelden, de onroerende voorheffing en een wederverhuringsvergoeding; - de eerste rechter de revindicatievordering van de eerste verweerder bij beschikking van 12 januari 2023 ongegrond heeft verklaard en het derdenverzet van de tweede verweerster hiertegen bij beschikking van 7 april 2023 ongegrond heeft verklaard; - de eiseres het beslag verder heeft laten uitvoeren en de onroerende goederen gedwongen werden verkocht door middel van een onlineveiling op 5 februari 2023; - de hoofdhuurder op 30 maart 2023 failliet werd verklaard en de derde verweerder als curator werd aangesteld; - de eerste verweerder voor de appelrechters vordert dat de revindicatievordering wordt toegewezen en dat wordt gezegd voor recht dat de volledige verkoopopbrengst aan de failliete boedel toekomt en dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij en de eiseres de integrale verkoopopbrengst aan hem moeten overmaken.
  11. De appelrechters oordelen vervolgens dat: - wanneer vaststaat dat de in beslag genomen goederen geen eigendom zijn van de beslagene maar van de revindicant, de revindicant wiens eigendomsrecht wordt erkend, bij verkoop van de goederen door de gerechtsdeurwaarder, ingevolge zakelijke subrogatie nog steeds de afgifte van de gelden kan vorderen zolang de verkoopopbrengst niet onder de schuldeisers is verdeeld; - het feit dat een verhuurder meent het voorrecht van artikel 20, 1°, Hypotheekwet te kunnen doen gelden, hieraan geen afbreuk doet; - de eiseres het door haar ingeroepen voorrecht dan moet doen gelden in het kader van de faillissementsafwikkeling van de onderhuurder die wordt erkend als eigenaar van de roerende goederen die het verhuurde goed stoffeerden, ook wanneer hij zich in hoofdorde enkel steunt op een schuldvordering op de hoofdhuurder en een uitwinning op goederen van deze laatste; - het door de eiseres ingeroepen voorrecht op goederen die niet van de hoofdhuurder maar van de revindicant zouden blijken te zijn, de toewijzing van een revindicatievordering op zich niet kan verhinderen; - diegene die het eigendomsrecht van de beslagene betwist en beweert de ware eigenaar te zijn van de in beslag genomen lichamelijke roerende goederen, het eigendomsvermoeden van de artikelen 3.18, 3.23 en 3.24 Burgerlijk Wetboek dient te ontkrachten door aan te tonen dat het bezit van de beslagen debiteur ondeugdelijk of gebrekkig is en zijn eigen eigendomsaanspraken dient te staven met bewijskrachtige stukken die niet vatbaar zijn voor ernstige betwisting; - uit de stukken onmiskenbaar blijkt dat de inmiddels failliete onderhuurder de eigenaar was van de in beslag genomen goederen die in de door haar uitgebate winkel werden aangetroffen; - de eerste verweerder naar behoren aan de op de revindicant rustende bewijslast voldoet dat de in beslag genomen goederen niet aan de beslagene maar aan de onderhuurder toebehoorden; - de revindicatievordering van de eerste verweerder dus wordt toegewezen en aan de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij en de eiseres wordt bevolen de verkoopopbrengst van de in beslag genomen goederen integraal over te maken aan de eerste verweerder.
  12. Door de revindicatievordering van de eerste verweerder aldus gegrond te verklaren, zonder vast te stellen dat de eerste verweerder bewijst dat de eiseres te kwader trouw was doordat zij op het tijdstip van het binnenbrengen van de stofferende roerende goederen in het verhuurde pand kennis had of moest hebben van het eigendomsrecht van de gefailleerde onderhuurder op deze goederen, schenden de appelrechters de artikelen 20, 1°, Hypotheekwet en 1514 Gerechtelijk Wetboek. Het middel is gegrond. Overige grieven
  13. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Michael Traest en in openbare rechtszitting van 3 februari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250203.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031204.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.