← België

L. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 23

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Het gezag van gewijsde verzet zich niet ertegen dat een in een eerste procedure beslechte betwisting in een tweede procedure opnieuw wordt beoordeeld indien nieuwe feiten worden aangevoerd die zich na de uitspraak in de eerste procedure hebben voorgedaan; het volstaat evenwel niet dat nieuwe bewijselementen worden aangebracht voor reeds op het ogenblik van de eerste uitspraak bestaande feiten. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Nieuwe beoordeling - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 23

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 25

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde

(1).
(1)Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0286.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.9, AC 2022, nr. 187 met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Voorwerp - Oorzaak - Latere vordering - Onderscheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 23

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 25- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr.

C.24.0263.N

  1. G. L.,
  2. C. B., ,
  3. B. L., eisers, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen M. C., , verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 14 december
  4. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 29 november 2024 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel Eerste onderdeel
  5. Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond, en dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van het rechterlijk gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
  6. De oorzaak van de vordering is het geheel van feiten dat de eiser tot staving van het gevorderde aanvoert. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt. Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde.
  7. Het gezag van gewijsde verzet zich niet ertegen dat een in een eerste procedure beslechte betwisting in een tweede procedure opnieuw wordt beoordeeld indien nieuwe feiten worden aangevoerd die zich na de uitspraak in de eerste procedure hebben voorgedaan. Het volstaat evenwel niet dat nieuwe bewijselementen worden aangebracht voor reeds op het ogenblik van de eerste uitspraak bestaande feiten.
  8. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne in haar vonnis van 10 maart 2016 uitspraak heeft gedaan over de vordering van de rechtsvoorgangers van de verweerster, de verpachters, tot geldigverklaring van hun opzegging van de pacht op 23 september 2013 ten aanzien van de eerste en tweede eisers, de pachters, in toepassing van de artikelen 7, eerste lid, 1°, en 8, § 1, Pachtwet, op grond van het voornemen tot persoonlijke exploitatie van de verpachte goederen door de verweerster, hun dochter; - de rechtbank die vordering heeft afgewezen, aangezien het voornemen tot een persoonlijke, werkelijke en voorgezette exploitatie van de verpachte goederen door de verweerster, zoals vereist in artikel 9, eerste lid, Pachtwet, niet ernstig werd geacht, in de zin van artikel 12.6 Pachtwet, omwille van de grote afstand tussen het landbouwbedrijf van de verweerster en de pachtgoederen, namelijk 61 kilometer; - de verweerster, die eigenaar is geworden van de verpachte goederen, in de huidige procedure de geldigverklaring van haar verzet vordert tegen de haar op 27 september 2021 ter kennis gebrachte bevoorrechte pachtoverdracht door de eerste en tweede eisers aan de derde eiser, hun zoon, in toepassing van de artikelen 36 en 37, § 1, 2°, Pachtwet, op de grond dat zij het voornemen heeft om de verpachte goederen persoonlijk te exploiteren; - in het raam van deze vordering moet worden nagegaan of de persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie van de verpachte goederen door de verweerster thans ernstig kan worden geacht in de zin van artikel 12.6 Pachtwet; - de beoordeling van de ernst van het voornemen tot persoonlijke exploitatie door de verweerster naar aanleiding van de pachtopzegging op 23 september 2013 immers feitelijk niet dezelfde is als de beoordeling van de ernst van het voornemen tot persoonlijke exploitatie door de verweerster op verzet na kennisgeving van de bevoorrechte pachtoverdracht op 27 september 2021; - het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 10 maart 2016 geen afbreuk doet aan de thans te beoordelen andere feiten, die minstens in de tijd verschillend zijn; - er opnieuw een procedure kan worden opgestart als de oorzaak van de eis gewijzigd is, in de zin dat de feiten die aan de grondslag van de eis liggen, gewijzigd zijn; - de nieuwe aanspraak desgevallend kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de overige beslissing ongedaan te maken; - waar werd geoordeeld over de werkelijke, persoonlijke exploitatie door de verweerster na de opzegging van 23 september 2013, namelijk over de haalbaarheid van een bepaalde afstand, deze situatie feitelijk verschillend is van de haalbaarheid van een afstand op 27 september 2021; - al zou de afstand identiek zijn – hoewel niet bewezen is dat de route zoals uitgestippeld door de gerechtsdeurwaarder op 27 september 2023 reeds bestond op het ogenblik van het vonnis van 10 maart 2016, nu minstens op heden een route mogelijk blijkt van 40,7 tot 41,2 kilometer terwijl in het vonnis een route van 61 kilometer naar voren werd geschoven – ook de landbouwtransportmiddelen die de haalbaarheid van de afstand eveneens bepalen, onmiskenbaar veranderd zijn.
  9. Door aldus dezelfde betwisting als beslecht in het vonnis van 10 maart 2016, namelijk de ernst van het voornemen tot een werkelijke, persoonlijke en voortgezette exploitatie van de verpachte goederen door de verweerster, opnieuw te beoordelen, zonder vast te stellen dat de thans te beoordelen feiten daadwerkelijk nieuwe feiten betreffen die nog niet voorhanden waren op het ogenblik van het vonnis van 10 maart 2016, miskent de appelrechter het gezag van rechterlijk gewijsde van voornoemd vonnis. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  10. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Michael Traest en in openbare rechtszitting van 3 februari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250203.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.