id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
art. 375, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Verkrachting - Toepassing van oud artikel 375 Strafwetboek - Vereiste van toestemming van het slachtoffer voor vrijspraak - Beoordeling van de gronden van vermeld artikel 375, tweede lid, die een geldige toestemming beletten - In rekening brengen van feitelijke elementen van na de seksuele penetratie - Toelaatbaarheid - Vaststelling van de afwezigheid van verweer van het slachtoffer - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
art. 375, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Fiches 3 - 4 Een vrijspraak voor het door artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek bedoelde misdrijf is naar recht verantwoord indien de rechter oordeelt dat de afwezigheid van toestemming door de persoon op wie de daad van seksuele penetratie is gepleegd niet is bewezen; niet is vereist dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat die persoon uit vrije wil toestemming heeft verleend; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Oud art. 375, eerste en tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de invoering van art. 417/11 Strafwetboek ingevolge art. 14 Wet 21 maart 2022. Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Vrije woorden: Verkrachting - Vereiste van toestemming van het slachtoffer voor vrijspraak - Oordeel dat de afwezigheid van toestemming niet is bewezen - Geen vaststelling dat het slachtoffer uit vrije wil toestemming heeft verleend voor de seksuele penetratie - Toelaatbaarheid van de motivering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 375
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verkrachting - Vereiste van toestemming van het slachtoffer voor vrijspraak - Oordeel dat de afwezigheid van toestemming niet is bewezen - Geen vaststelling dat het slachtoffer uit vrije wil toestemming heeft verleend voor de seksuele penetratie - Toelaatbaarheid van de motivering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 375
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Fiches 5 - 6 Voor een vrijspraak voor het door artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek bedoelde misdrijf is het niet vereist dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat die persoon uit vrije wil toestemming heeft verleend; evenmin is vereist dat de rechter voor elk van de in artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek bedoelde omstandigheden die toestemming uitsluiten, uitdrukkelijk aangeeft dat die niet aanwezig zijn, behoudens bij daartoe strekkende conclusie
(1)
(2).
(1)Noot. Het OM nam een gelijkluidende mondelinge conclusie wat betreft 1° de middelen aangevoerd door eiseressen I (D. en S.) en eiser III (de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel) en 2° het eerste en derde middel van eiser II (T.) en zijn tweede middel, eerste onderdeel. Voor het tweede middel, tweede onderdeel was het OM van mening dat de redenen van het bestreden arrest over het uitstel van de gevangenisstraf een (toereikend) antwoord bevatten op het verzoek tot uitstel van de bijkomende straf van ontzetting uit rechten, in die zin dat het arrest te kennen geeft dat het vooruitzicht van reclassering alleen een reden is voor de gevangenisstraf met uitstel, en luidde zijn advies dat het onderdeel feitelijke grondslag mist. (BDS)
(2)Oud art. 375, eerste en tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de invoering van art. 417/11 Strafwetboek ingevolge art. 14 Wet 21 maart 2022. Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Vrije woorden: Verkrachting - Vereiste van toestemming van het slachtoffer voor vrijspraak - Oordeel dat de afwezigheid van toestemming niet is bewezen - Geen vaststelling dat het slachtoffer uit vrije wil toestemming heeft verleend voor de seksuele penetratie - Geen motivering over elke grond vermeld in oud artikel 375, tweede lid, Strafwetboek die een geldige toestemming belet - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 375
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verkrachting - Vereiste van toestemming van het slachtoffer voor vrijspraak - Oordeel dat de afwezigheid van toestemming niet is bewezen - Geen vaststelling dat het slachtoffer uit vrije wil toestemming heeft verleend voor de seksuele penetratie - Geen motivering over elke grond vermeld in oud artikel 375, tweede lid, Strafwetboek die een geldige toestemming belet - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 375
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1546.N I
- S. D. S., burgerlijke partij,
- J. S., burgerlijke partij, eiseressen, beiden met als raadsman mr. Rik Vanreusel, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Heernislaan 91, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen K. T., beklaagde, verweerder. II K. T., reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wiet Goris, advocaat bij de balie Brussel, tegen
- S. D. S., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- J. S., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweersters. III PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen K. T., reeds vermeld, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Wiet Goris, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 14 oktober
- De eiseres I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- De eiseressen I, die burgerlijke partijen zijn die niet werden veroordeeld tot de kosten van de strafvordering, hebben geen hoedanigheid op te komen tegen de beslissingen over de tegen de eiser II ingestelde strafvordering. In zoverre de cassatieberoepen I gericht zijn tegen die beslissingen, zijn ze niet ontvankelijk.
- Het arrest spreekt de eiser II vrij voor de telastleggingen A1, A2, A3, A4 en D. In zoverre het cassatieberoep II ook gericht is tegen die beslissingen, is het bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres I.1 en tweede en derde middel van de eiser III
- Het eerste middel van de eiseres I.1 voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 780, eerste lid, 3° Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest is niet op voldoende duidelijke en precieze wijze gemotiveerd; het motiveert de vrijspraak van de eiser II voor de feiten omschreven onder de telastlegging D (slagen of verwondingen) niet: de eiseres I.1 had nochtans in haar appelconclusie de schuld van de eiser II uitgebreid beargumenteerd; met de vage bewoordingen die het arrest bevat betreffende die feiten wordt dit verweer niet beantwoord. Het tweede middel van de eiser III voert schending aan van artikel 375, eerste en tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten (hierna artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek): het arrest spreekt de eiser II ten onrechte vrij voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A2, A3 en A4; toestemming tot seksuele handelingen moet uit vrije wil worden gegeven en wordt niet vermoed; een dergelijke toestemming kan niet worden afgeleid uit de afwezigheid van reactie of verzet van het slachtoffer; een dergelijke toestemming gaat de daad vooraf en kan niet worden afgeleid uit gedragingen naderhand; het oordeel van de appelrechters dat blijven aandringen om zijn zin op seksueel vlak te krijgen, niet valt gelijk te schakelen met een persoon fysiek of mentaal dwingen tot ongewilde seks, is niet naar recht verantwoord; onder dwang in de zin van artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek valt elke poging om het gedrag van een ander te beheersen weze het door middel van bedreigingen, manipulatie of chantage; ook verbale en emotionele druk maken dwang uit; het aanpraten van schuldgevoelens, vleierij en bedreigingen tellen als dwang; het domineren van de eiseres I.1, haar sociaal isoleren, haar vernederen en over haar op denigrerende wijze spreken, is het gedrag van een ander beheersen en is haar onder druk zetten, zodat ze toegeeft aan seksuele handelingen die ze niet wil, zodat hiervoor toestemming ontbreekt; dergelijk gedrag is dus wel degelijk strafbaar wanneer het leidt tot seksuele dwang. Het derde middel van de eiser III voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 392, 398, eerste lid, en 410, eerste en tweede lid, Strafwetboek: uit het arrest kan niet worden afgeleid op welke gronden de vrijspraak voor de telastlegging D is gebaseerd; in de mate dat uit het arrest zou moeten worden afgeleid dat de appelrechters van oordeel zijn dat het toeknijpen van de keel tijdens de geslachtsgemeenschap (wurgseks) tussen partners geen partnergeweld is of in het algemeen geen misdrijf van slagen en verwondingen kan uitmaken en dus ook niet strafbaar is, schendt het arrest ook de aangehaalde bepalingen van het Strafwetboek.
- Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. In zoverre faalt het eerste middel van de eiseres I.1 naar recht.
- Het arrest oordeelt niet dat het toeknijpen van de keel tijdens de geslachtsgemeenschap (wurgseks) tussen partners geen partnergeweld is of in het algemeen geen misdrijf van slagen of verwondingen kan uitmaken en dus ook niet strafbaar is. In zoverre berust het derde middel van de eiser III op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 375, eerste lid, oud Strafwetboek bepaalt dat verkrachting elke daad van seksuele penetratie is van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daarin niet toestemt. Volgens artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek is er met name geen toestemming wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang, bedreiging, verrassing of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer.
- De strafrechter oordeelt onaantastbaar of de persoon op wie de daad van seksuele penetratie werd gepleegd daarin al dan niet heeft toegestemd en of er afwezigheid is van toestemming in de zin van artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek.
- De rechter mag voor die beoordeling alle daarmee verband houdende feitelijke elementen in aanmerking nemen, ook wanneer die feitelijke elementen dateren van na de feiten die het misdrijf opleveren.
- Uit het enkele feit van de afwezigheid van verweer van het slachtoffer kan evenwel geen toestemming worden afgeleid.
- Een vrijspraak voor het door artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek bedoelde misdrijf is naar recht verantwoord indien de rechter oordeelt dat de afwezigheid van toestemming door de persoon op wie de daad van seksuele penetratie is gepleegd niet is bewezen. Niet is vereist dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat die persoon uit vrije wil toestemming heeft verleend.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Uit het arrest blijkt niet dat de bekritiseerde vrijspraak van de eiser II voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A2, A3 en A4 en de afwijzing van de burgerlijke vordering van de eiseres I.1 louter is gesteund op de afwezigheid van verweer van de eiseres I.1 In zoverre berusten de middelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen ze feitelijke grondslag.
- In haar appelconclusie heeft de eiseres I.1 aangevoerd dat de eiser II meermaals geweld heeft gebruikt tijdens de geslachtsgemeenschap en hij haar af en toe in zijn macht hield, zodat zij nergens naartoe kon, hij kon doen wat hij wilde en hij haar poogde te wurgen.
- Het arrest (p. 16-18, randnr. 3.2.3) oordeelt betreffende de feiten omschreven onder de telastleggingen A2, A3, A4 en D onder meer als volgt: - na de eerste beweerde verkrachting bestond er tussen de eiseres I.1 en de eiser II nog een langdurige seksuele relatie, waarbij nu en dan sprake was van wurgseks en van pogingen tot anale seks; - de relatie tussen beiden werd op een bepaald ogenblik, na de vermeende verkrachtingen onder de telastleggingen A3 en A4, verbroken; - de eiseres I.1 wenste nadien de relatie terug aan te knopen, wat kort nadien ook gebeurde; - de relatie werd definitief beëindigd nadat de eiseres I.1 de eiser II betrapte op overspel; - de eiseres I.1 heeft dit overspel als zeer kwetsend ervaren; - het is aannemelijk dat de eiser II in de relatie met de eiseres I.1 dominant was, hij zijn eigen wil doordreef, hij de eiseres I.1 weghield van vrienden, hij over haar op een denigrerende wijze sprak, zij zich door hem niet ondersteund voelde, hij met andere vrouwen contacten hield en haar uiteindelijk bedroog …, maar dergelijk gedrag is niet strafbaar; - het strafdossier toont niet aan dat er sprake was van fysieke dwang bij seksuele betrekkingen tussen de eiser II en de eiseres I.1; - evenmin is bewezen dat er sprake was van bedreigingen of morele dwang; - evenmin komt uit het strafdossier naar voor dat de eiseres I.1 zich in een emotionele of psychische toestand bevond, waardoor haar wil om in te stemmen met seksuele betrekkingen met de eiser II was aangetast; - in het beroepen vonnis wordt verwezen naar stuk 146, teruggevonden op de laptop van de eiser II. Dit betreft een schrijven van anderhalve pagina gericht aan de eiseres I.1, gedateerd op 1 oktober 2021, dat evenwel nooit is verstuurd. De eiser II schrijft daarin onder meer, zoals vertaald en begrepen door de appelrechters: “Ik heb het gevoel dat ik een monster ben en was tijdens de relatie en het spijt me. Het is erg doordacht vandaag als we er over nadenken. Wil je de liefde niet bedrijven? Oké, ik accepteer het. Maar ik denk dat het menselijk is om dat te willen doen, omdat het primitief is. Maar het spijt me als ik je dingen heb aangedaan die je niet wilde. Ik drong aan, vandaag besef ik dat het niet goed is om aan te dringen”; - deze tekst dient met de nodige omzichtigheid te worden geïnterpreteerd. Dit stuk zou namelijk zo kunnen worden begrepen als zou de eiser II (vaak) hebben “aangedrongen” op seksuele betrekkingen, waarbij de eiseres I.1 “aanvankelijk” aangaf dat ze die niet wilde, maar “uiteindelijk” toch steeds instemde met de seks; - een dergelijke lezing vindt steun in het persoonlijkheidsonderzoek van de eiser II en de getuigenverklaringen in het strafdossier waaruit blijkt dat de eiser II vrouwen louter als een lustobject ziet ter bevrediging van zijn eigen seksuele driften; - blijven aandringen om zijn zin te krijgen wat seks betreft, valt evenwel niet gelijk te stellen met een persoon fysiek of mentaal dwingen tot ongewilde seks; - alleszins blijkt de eiseres I.1 de seksuele betrekkingen in kwestie – mogelijk in het licht van de beëindigde relatie – toch negatief te hebben beleefd, in die zin dat die finaal niet beantwoordden aan haar verwachtingen, dat ze in de eiser II teleurgesteld was en zich door hem achteraf emotioneel gekwetst voelde; - er zijn evenwel onvoldoende overeenstemmende en objectieve bewijselementen op grond waarvan met zekerheid kan worden besloten dat de eiser II zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting en de aantasting van de seksuele integriteit van de eiseres I.1; - gelet op alle voormelde elementen in onderling verband beschouwd, moet de eiser II op basis van twijfel worden vrijgesproken voor de telastleggingen A2, A3, A4 en D.
- Op grond van die redenen, die niet enkel betrekking hebben op de feiten omschreven onder de telastleggingen A2, A3 en A4, maar ook op de feiten omschreven onder de telastlegging D, kan het arrest wettig oordelen dat voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A2, A3 en A4 de afwezigheid van toestemming in de zin van de artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek niet blijkt en dat niet bewezen is dat de eiser II zich aan deze feiten heeft schuldig gemaakt. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest ook het bedoelde verweer en is de vrijspraak voor de feiten omschreven onder die telastleggingen regelmatig met reden omkleed. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres I.1
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest geeft van het schrijven, teruggevonden op de laptop van de eiser II gericht aan de eiseres I.1 en gedateerd op 1 oktober 2021 (stuk 146), een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; op geen enkele manier kunnen de appelrechters uit die tekst afleiden dat de eiseres I.1 toch zou hebben ingestemd met de seksuele betrekkingen.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die volstrekt onverenigbaar met de bewoordingen van dat geschrift. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een geschrift indien de door de rechter gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is naast andere, dan wel indien de rechter van het geschrift geen uitlegging geeft maar er slechts een gevolg uit afleidt.
- De door het arrest gegeven uitlegging van het stuk 146, zoals die wordt vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiseres I.1 en het tweede en het derde middel van de eiser III, is een uitlegging die niet volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen van dit geschrift. Het middel mist feitelijke grondslag. Middel van de eiseres I.2 en het eerste middel van de eiser III
- Het middel van de eiseres I.2 voert schending aan van artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser II schuldig aan de feiten omschreven onder de telastleggingen C (wederrechtelijke en willekeurige gevangenhouding) en E (opzettelijke slagen), maar verklaart hem niet schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging A1 (verkrachting); het arrest had moeten vaststellen dat de eiseres I.2 uit vrije wil toestemde en niet dat het niet vaststaat dat de seksuele betrekkingen met geweld of bedreigingen plaatsvonden en dat zij niet dermate onder invloed was of zich in een emotionele of psychische toestand bevond die het haar onmogelijk maakte in te stemmen met de seksuele betrekkingen; het arrest bevestigt het agressief gedrag van de eiser II tijdens de gevangenhouding en de slagen en verwondingen; de verkrachting vond niet lang erna plaats; misbruik van gezag of morele dreiging kan onder het begrip dwang vallen; minstens moet worden aangenomen dat de eiseres I.2 zich in een emotionele of psychische toestand bevond waardoor ze in de onmogelijkheid was om in te stemmen met de seksuele handelingen; daarnaast verwijst het arrest naar het gebrek aan vluchtgedrag als motivering om de argumentatie van de eiseres I.2 af te wijzen; bovendien oordelen de appelrechters dat het feit dat er later tijdens de reis nog seksuele betrekkingen hebben plaatsgevonden en er nog berichten werden verstuurd, moeilijk te verzoenen is met de vermeende doodsangsten die de eiseres I.2 zou hebben doorstaan; het betrekken van feitelijkheden die zich na het misdrijf hebben voorgedaan om een constitutief element van dat misdrijf te onderbouwen, is niet naar recht verantwoord. Het eerste middel van de eiser III voert schending aan van artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek: het arrest spreekt de eiser II ten onrechte vrij van de feiten omschreven onder de telastlegging A1; toestemming tot seksuele handelingen moet uit vrije wil worden gegeven en wordt niet vermoed; een dergelijke toestemming kan niet worden afgeleid uit de afwezigheid van reactie of verzet van het slachtoffer; een dergelijke toestemming gaat de daad vooraf en kan niet worden afgeleid uit gedragingen naderhand; het arrest stelt niet vast dat de eiseres I.2 uit vrije wil toestemming heeft gegeven; het arrest onderzoekt enkel of de in door artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek vermelde omstandigheden waaruit de afwezigheid van toestemming blijkt aanwezig zijn, maar niet of de afwezigheid van toestemming niet uit andere elementen blijkt; het arrest oordeelt dat vaststaat dat de eiser II de eiseres I.2 met geweld heeft meegenomen naar de hotelkamer en haar daar heeft vastgehouden; het stelt niet vast dat de versie van de eiseres I.2 als zou de eiser II na de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de opzettelijke slagen uitgeput in slaap is gevallen, waarbij de eiser II na een onbepaalde tijd terug in de hotelkamer kwam en naast haar kwam liggen, haar joggingbroek naar beneden trok en haar anaal penetreerde, niet overeenstemt of kan overeenstemmen met de waarheid; het arrest stelt enerzijds vast dat er duidelijk sprake is van agressief gedrag van de eiser II voorafgaand aan de seksuele betrekkingen en oordeelt anderzijds dat het geenszins vaststaat dat de seksuele betrekkingen zelf met geweld of andere bedreigingen plaatsvonden; het arrest laat na te onderzoeken of de geschetste feitelijkheden geen verrassing van het slachtoffer opleveren; het arrest kan niet oordelen dat niet is aangetoond dat de eiseres I.2 zich in een emotionele of psychische toestand bevond die het haar onmogelijk maakte in te stemmen met seksuele betrekkingen; de eiser II diende te weten dat de eiseres I.2 zich in een situatie bevond waarin haar stilzwijgen, laat staan het ontbreken van uitdrukkelijk verzet, door geen enkel redelijk denkend persoon als een bewuste instemming kon worden opgevat.
- Artikel 375, eerste lid, oud Strafwetboek bepaalt dat verkrachting elke daad van seksuele penetratie is van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daarin niet toestemt. Volgens artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek is er met name geen toestemming wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang, bedreiging, verrassing of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer.
- De strafrechter oordeelt onaantastbaar of de persoon op wie de daad van seksuele penetratie werd gepleegd daarin al dan niet heeft toegestemd en of er afwezigheid is van toestemming in de zin van artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek.
- De rechter mag voor die beoordeling alle daarmee verband houdende feitelijke elementen in aanmerking nemen, ook wanneer die feitelijke elementen dateren van na de feiten die het misdrijf opleveren.
- Uit het enkele feit van de afwezigheid van verweer van het slachtoffer kan evenwel geen toestemming worden afgeleid.
- Een vrijspraak voor het door artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek bedoelde misdrijf is naar recht verantwoord indien de rechter oordeelt dat de afwezigheid van toestemming door de persoon op wie de daad van seksuele penetratie is gepleegd niet is bewezen. Niet is vereist dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat die persoon uit vrije wil toestemming heeft verleend.
- Evenmin is vereist dat de rechter voor elk van de in artikel 375, tweede lid, oud Strafwetboek bedoelde omstandigheden die toestemming uitsluiten, uitdrukkelijk aangeeft dat die niet aanwezig zijn, behoudens bij daartoe strekkende conclusie.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- De door het arrest verleende vrijspraak voor de feiten omschreven onder de telastlegging A1 en de afwijzing van de burgerlijke vordering van de eiseres I.2 in de mate dat die is gegrond op die feiten, is niet louter gesteund op de afwezigheid van verweer door de eiseres I.
- In zoverre berusten de middelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen ze feitelijke grondslag.
- Het arrest (p. 15-16) oordeelt met betrekking de feiten omschreven onder de telastlegging A1 als volgt: - hoewel er duidelijk sprake was van agressief gedrag door de eiser II voorafgaand aan de seksuele betrekkingen staat het geenszins vast dat de seksuele betrekkingen zelf met geweld of onder bedreigingen plaatsvonden; - uit het strafdossier blijkt bovendien niet dat de eiseres I.2 dermate onder invloed was van alcohol of drugs dat haar oordeelsvermogen was aangetast; - evenmin is met zekerheid aangetoond dat de eiseres I.2 zich in een emotionele of psychische toestand bevond die het haar onmogelijk maakte in te stemmen met de seksuele betrekkingen; - wat dit betreft, moet in het bijzonder worden gewezen op het zekere tijdsverloop tussen wat er zich heeft afgespeeld op de hotelkamer voor de seksuele betrekkingen en de seksuele betrekkingen zelf; - het standpunt van de eiseres I.2 dat zij op het ogenblik van de seksuele betrekkingen nog steeds zozeer ontdaan was van de agressieve manier waarop zij door de eiser II tevoren was bejegend, lijkt in die zin moeilijk verenigbaar met het feit dat ze van de tijdelijke afwezigheid van de eiser II na diens eerder agressief gedrag geen gebruik maakte om de hotelkamer te verlaten, desgevallend klacht neer te leggen of anderszins hulp te zoeken; - ook haar houding nadien, dus weliswaar na de feiten, vormt een indicatie met betrekking tot haar gemoedstoestand en ingesteldheid op het ogenblik van de feiten; - de eiser II en de eiseres I.2 zetten immers nadien onverkort hun reis verder en hadden nog seksuele betrekkingen - die niet het voorwerp uitmaken van strafvervolging - wat moeilijk te rijmen valt met de (doods)angst die ze verklaarde te hebben doorstaan; - ook in de berichten die de eiseres I.2 later naar de eiser II en vrienden verstuurde, wordt door haar op geen enkel moment gewag gemaakt van het feit dat zij door de eiser II tot (bepaalde) seksuele betrekkingen werd gedwongen of deze uit angst heeft ondergaan; - volgens de door de onderzoeksrechter aangestelde psycholoog wordt de interpersoonlijke stijl van de eiser II gekenmerkt door egocentrisme, misleiding, exploitatie en manipulatie ten behoeve van eigen doeleinden en bevat diens driftleven parafiele kenmerken in de zin van hyperseksualiteit, voyeurisme en seksueel sadistische kenmerken. Dit deskundig onderzoek waarvan de vaststellingen door de eiser II worden betwist en door de eiseressen I worden aangewend ter ondersteuning van hun versie van de feiten is een advies waarmee het hof van beroep rekening kan houden bij de beoordeling, maar deze vaststellingen vormen geen doorslaggevend bewijs van de schuld van de eiser II aan de feiten onder de telastlegging A1; - er zijn onvoldoende overeenstemmende en objectieve bewijselementen op grond waarvan met zekerheid kan worden besloten dat de eiser II zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting en de aantasting van de seksuele integriteit van de eiseres I.2; - gelet op alle voormelde elementen in onderling verband beschouwd moet de eiser II op basis van twijfel worden vrijgesproken voor de feiten omschreven onder de telastlegging A
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat voor de feiten omschreven onder de telastlegging A1 de afwezigheid van toestemming in de zin van de artikel 375, eerste en tweede lid, oud Strafwetboek niet blijkt en dat niet bewezen is dat de eiser II zich aan deze feiten heeft schuldig gemaakt. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen appelsaisine is voor de feiten omschreven onder de telastlegging B1; het grievenformulier bevat ontegensprekelijk een materiële vergissing; de eiser II heeft in het grievenformulier aangegeven dat hij om de vrijspraak verzocht voor alle telastleggingen waaraan hij schuldig werd verklaard, uitgezonderd de telastleggingen B1, B2, B3 en B4, die voor de eerste rechter niet werden betwist, zoals blijkt uit het beroepen vonnis; de schuld aan de feiten omschreven onder de telastlegging B1 werd voor de eerste rechter echter wel betwist, zodat ook de schuldvraag voor die telastleggingen als grief diende te worden gelezen.
- Het staat aan het appelgerecht onaantastbaar te oordelen of de vermelding in een grievenformulier dat de beslissing over de schuld aan feiten omschreven onder een bepaalde telastlegging niet als grief wordt aangevoerd, het gevolg is van een materiële vergissing. De rechter houdt voor die beoordeling rekening met de vermeldingen op het grievenformulier, andere stukken van de rechtspleging en de daarmee verband houdende stukken die aan de appelrechters werden overgelegd.
- Het Hof gaat enkel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 11-12, randnr. 3.1.4) oordeelt als volgt: - er bestaat betwisting over de rechtsmacht van het hof van beroep om te oordelen over de feiten omschreven onder de telastlegging B1; - de eiser II betwistte voor de eerste rechter de schuld aan deze telastlegging niet en in zijn grievenformulier geeft hij te kennen de beslissing over zijn schuldigverklaring aan deze telastlegging niet te betwisten; - de eiser houdt voor dat dit een materiële vergissing is, wat wordt betwist door het openbaar ministerie en de eiseressen I; - er moet worden vastgesteld dat de eiser II in zijn grievenformulier aanduidt dat hij is gegriefd wat betreft de beslissing inzake de schuld, waarbij hij verduidelijkt dat hij de vrijspraak vraagt voor alle telastleggingen, behoudens de telastleggingen B1, B2, B3 en B4; - hij vermeldt daarbij dat deze vier telastleggingen voor de eerste rechter niet meer werden betwist, wat blijkt uit het beroepen vonnis. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de vermelding dat de eiser geen grief aanvoert betreffende zijn schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging B1 geen materiële vergissing is en dat het appelgerecht betreffende die beslissing geen saisine heeft. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het in de appelconclusie door de eiser II aangevoerde verweer met betrekking tot het deskundigenverslag van dr. D.; het verwijst enkel naar het advies van de gerechtsdeskundige dat tot een geheel ander besluit komt.
- De eiser II heeft in een appelconclusie (p. 32-33, randnr. 80 tot en met 85) het verslag van zijn technisch raadsman dr. D. besproken en de appelrechters vervolgens verzocht een juiste afweging te maken en rekening te willen houden met de bevindingen en de opmerkingen van dr. D. indien de eiser II opnieuw schuldig zou worden bevonden. Een dergelijk verzoek is geen vordering, verweer of exceptie waarop de rechter uitdrukkelijk moet antwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het is geheel niet duidelijk op basis van welke telastlegging toepassing wordt gemaakt van artikel 31, eerste lid, Strafwetboek, aangezien de eiser II voor alle feiten en telastleggingen van verkrachting werd vrijgesproken; het motiveert evenmin waarom een ontzetting overeenkomstig die bepaling moet worden uitgesproken en het beantwoordt niet het verzoek van de eiser II om ook de ontzetting in zijn tenuitvoerlegging uit te stellen.
- De eiser heeft in zijn appelconclusie gevraagd om de straf van de ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek vermelde rechten met probatie-uitstel uit te spreken. Het arrest beantwoordt dit verzoek niet. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest kent ten onrechte aan de verweerster II.2 een voorbehoud toe voor de EMDR-therapie; de feiten dateren van 2017 en de therapie was in 2024 nog niet opgestart; er is dan ook geen causaal verband tussen de fout en de schade; het arrest kent aan de verweersters II in billijkheid elk een morele schadevergoeding toe van 2.500,00 euro, het vermeldt echter geen elementen op grond waarvan die beslissing wordt genomen; die schadevergoeding maakt bovendien dubbel gebruik uit met de consultaties bij de psycholoog.
- Uit het enkele feit dat een schadelijder aanvoert dat een bepaalde therapie noodzakelijk kan zijn voor het doen ophouden van de schadelijke gevolgen van een foutieve handeling en daarvoor een voorbehoud vraagt en dat die therapie geruime tijd na die foutieve handeling nog niet is opgestart, volgt niet dat de rechter moet aannemen dat er geen causaal verband is tussen die fout en de schadelijke gevolgen ervan. In zoverre faalt het middel naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat de toegekende vergoeding voor morele schade dubbel gebruik uitmaakt met de uitgaven voor consultaties bij een psycholoog, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- De eiser II heeft geen specifiek verweer gevoerd betreffende de door de verweersters II gevorderde morele schadevergoeding. Met het oordeel dat de rechtsvordering tot vergoeding wegens morele schade tot doel heeft de pijn, de smart of enig ander moreel leed te lenigen en in die mate de schade te herstellen en dat in billijkheid een morele schadevergoeding van 2.500,00 euro voor elk van de verweersters II passend is, omkleden de appelrechters die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser II ontzet voor vijf jaar uit de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek vermelde rechten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen I, II en III voor het overige. Veroordeelt de eiseressen I tot de kosten van de cassatieberoepen I. Veroordeelt de eiser II tot negen tienden van de kosten van het cassatieberoep II en houdt de beslissing over de overige kosten van dit cassatieberoep II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Laat de kosten van het cassatieberoep III ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 993,15 euro, waarvan de eiseressen I 240,32 euro zijn verschuldigd, de eiser II 240,33 euro is verschuldigd en de eiser III 229,74 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991102.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071030.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div