← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.15 Rolnummer: P.25.0065.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-02-17 Raadplegingen: 555 - laatst gezien 2026-06-15 10:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 De strafuitvoeringsrechter kan voor de afwijzing van een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling enkel de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen aannemen; de ontkenning door een veroordeelde van zijn schuld aan feiten waarvoor hij werd veroordeeld, is geen tegenaanwijzing waarin artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering voorziet; dit belet evenwel niet dat de strafuitvoeringsrechter bij de beoordeling van de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen ook het gegeven kan betrekken van de ontkenning van schuld door de veroordeelde aan de feiten waarvoor hij werd veroordeeld, naast andere gegevens

(1).
(1)Cass. 3 december 2024, AR P.24.1543.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.15; Cass. 13 augustus 2024, AR P.24.1186.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240813.VAK.7; Cass. 17 november 2020, AR P.20.1071.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.12, AC 2020, nr. 706. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechter - Verzoek om een modaliteit van strafuitvoering - Afwijzing - Beperking tot de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen - Ontkenning van schuld door de veroordeelde - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 2 - 3 De eiser heeft geen belang aan te voeren dat de rechter een door hem ingediend verzoek onontvankelijk had moeten verklaren in plaats van het als ongegrond af te wijzen
(1).
(1)Cass. 8 december 2003, AR C.02.0440.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031208.11, AC 2003, nr. 631; Cass. 1 april 1976, AC 1976, 889; F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023,
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Afwijzing van een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling als ongegrond - Grief van de veroordeelde dat het verzoek onontvankelijk was - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechter - Afwijzing van een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling als ongegrond - Grief van de veroordeelde dat het verzoek onontvankelijk was - Vereiste van belang van de eiser in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0065.N M. E. M., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Antwerpen van 7 januari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering: met het oordeel dat de eiser de feiten waarvoor hij werd veroordeeld, ontkent en dat de kans reëel is dat hij opnieuw bij dergelijke feiten betrokken geraakt waardoor de fysieke integriteit van derden manifest in het gedrang wordt gebracht, neemt het vonnis de ontkenning minstens impliciet mee in aanmerking als tegenaanwijzing voor de afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl dit geen tegenaanwijzing is waarin deze bepaling voorziet.
  4. De strafuitvoeringsrechter kan voor de afwijzing van een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling enkel de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen aannemen.
  5. De ontkenning door een veroordeelde van zijn schuld aan feiten waarvoor hij werd veroordeeld, is geen tegenaanwijzing waarin artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering voorziet.
  6. Dit belet evenwel niet dat de strafuitvoeringsrechter bij de beoordeling van de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen ook het gegeven kan betrekken van de ontkenning van schuld door de veroordeelde aan de feiten waarvoor hij werd veroordeeld, naast andere gegevens.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het vonnis oordeelt dat de eiser de feiten ontkent waarvoor hij werd veroordeeld terwijl uit de veroordelende beslissingen het tegendeel blijkt, alsook dat de eiser een strafrechtelijk verleden heeft voor druggerelateerde feiten. Dit blijkt uit een werkstraf opgelegd voor zijn betrokkenheid bij het verhandelen van verdovende middelen en een veroordeling wegens het besturen van een voertuig onder invloed van dergelijke middelen. Het oordeelt dat de ontkenning in samenhang met zijn strafrechtelijk verleden inzake druggerelateerde feiten, een reële kans oplevert dat hij opnieuw bij dergelijke delicten betrokken raakt, waarbij de fysieke integriteit van derden manifest in het gedrang wordt gebracht. Aldus neemt het vonnis de ontkenning door de eiser van zijn schuld aan de feiten waarvoor hij werd veroordeeld niet aan als een autonome en niet door artikel 28, § 1, Wet Straftuitvoering bepaalde tegenaanwijzing, maar betrekt ze dit gegeven naast een ander gegeven bij de toetsing over het voorhanden zijn van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 25, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis oordeelt dat de eiser niet voldoet aan de tijdsvoorwaarde voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling; het had dan ook eisers verzoek onontvankelijk moeten verklaren in plaats van het verzoek ongegrond te verklaren en de datum voor het indienen van een nieuw verzoek op 7 juli 2025 te bepalen.
  10. De eiser heeft geen belang aan te voeren dat de rechter een door hem ingediend verzoek onontvankelijk had moeten verklaren in plaats van het als ongegrond af te wijzen. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031208.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240813.VAK.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.