← België

PK SUR ANTWERPEN contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.16 Rolnummer: P.25.0062.N Zaak: PK SUR ANTWERPEN contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2025-02-17 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-06-18 22:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250204.2N.16 Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 16, eerste en tweede lid, en 17, tweede lid, van de wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder volgt dat, wat betreft de uitvoering van vrijheidsstraffen uitgesproken na 1 september 2023 met een uitvoerbaar gedeelte van twee jaar of minder, maar zes maanden of meer, dat: 1° de regeling in beginsel enkel van toepassing is op veroordeelden die uitsluitend een veroordelende beslissing ondergaan die hen heeft veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering, voor zover die veroordelende beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen; dit betreft de vereiste van een “nieuwe” veroordeling; 2° voor zij die een dergelijke nieuwe veroordeling ondergaan, de regeling evenwel ook van toepassing is indien er daarnaast een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering en dus een ”oude” veroordeling betreft

(1).
(1)Zie vordering OM op basis van art. 442 Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechter - Effectieve gevangenisstraffen tot twee jaar - Uitvoering van een veroordeling tot een vrijheidsstraf uitgesproken na 1 september 2023 - Bijkomende gevangenisstraf met uitstel uitgesproken vóór 1 september 2023 en die pas na die datum wordt ten uitvoer gelegd wegens herroeping van het uitstel - Verzoek tot het bekomen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Beslissing van onbevoegdheid - Toelaatbaarheid - Toepassing van de regels van inwerkingtreding van de Wet Operationalisering Strafuitvoering Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, eerste en tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 17, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Effectieve gevangenisstraffen tot twee jaar - Uitvoering van een veroordeling tot een vrijheidsstraf uitgesproken na 1 september 2023 - Bijkomende gevangenisstraf met uitstel uitgesproken vóór 1 september 2023 en die pas na die datum wordt ten uitvoer gelegd wegens herroeping van het uitstel - Verzoek tot het bekomen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Beslissing van onbevoegdheid - Toelaatbaarheid - Toepassing van de regels van inwerkingtreding van de Wet Operationalisering Strafuitvoering Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, eerste en tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 17, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Thesaurus CAS: CASSATIE - VORDERINGEN TOT VERNIETIGING. CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET Vrije woorden: Niet-ontvankelijk cassatieberoep van eiser wegens laattijdige indiening van stukken van betrekening - Vordering van de procureur-generaal bij het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, eerste en tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 17, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0062.N I PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK ANTWERPEN, eiser, tegen D. A., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, verweerder. II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, verzoeker tot nietigverklaring op grond van artikel 442 Wetboek van Strafvordering van het vonnis nr. SUR 25/0039 van de strafuitvoeringsrechter Antwerpen van 8 januari 2025, inzake D. A., reeds vermeld, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Antwerpen van 8 januari 2025. De eiser voert grieven aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 31 januari 2025 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Met hetzelfde geschrift heeft deze advocaat-generaal tevens bij toepassing van artikel 442 Wetboek van Strafvordering cassatieberoep ingesteld in het belang van de wet en dit in de volgende bewoordingen: “De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer bij het Hof, in het belang van de wet en overeenkomstig artikel 442 van het Wetboek van Strafvordering, aangifte te doen van het vermelde vonnis van de strafuitvoeringsrechter te Antwerpen, voor het geval het Hof het cassatieberoep ingesteld door eiser verwerpt als niet-ontvankelijk. Het rechtsmiddel van art. 442 Sv. laat het parket bij het Hof toe cassatiemiddelen aan te voeren in zaken waarin het cassatieberoep tegen de beslissing gewezen in laatste aanleg laattijdig is ingesteld of om een andere reden niet-ontvankelijk is, zoals het laattijdig doen toekomen ter griffie van het Hof van de stukken van betekening van het cassatieberoep van het openbaar ministerie aan de beklaagde of veroordeelde. Indien het Hof ingaat op de vordering gesteund op art. 442 Sv., heeft de vernietiging een louter dogmatisch karakter, in die zin dat de partijen daaruit geen rechten kunnen putten, en gaat het om een vernietiging zonder verwijzing van de zaak
(1). Volgens art. 16, eerste lid, Wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, BS 14 juli 2021, beslist de strafuitvoeringsrechter over de modaliteiten van strafuitvoering, voor veroordeelden die “uitsluitend een vonnis of arrest uitvoeren voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van deze wet, voor zover deze in kracht van gewijsde zijn getreden”, tenzij de veroordeelde schriftelijk verzoekt om toepassing te maken van de bepalingen over die modaliteiten, opgenomen in Titel V van de Wet Strafuitvoering van 17 mei 2006. Voor een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte twee jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, is die datum van inwerkingtreding 1 september 2023 (art. 17, tweede lid, Wet van 29 juni 2021). Art. 16, tweede lid, Wet van 29 juni 2021 bepaalt: “Ingeval een veroordeelde overeenkomstig het eerste lid, het voorwerp uitmaakt van de toepassing van de voormelde bepalingen en er ten aanzien van hem nadien een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, voor zover deze veroordeling in kracht van gewijsde is getreden, blijven de voormelde bepalingen van toepassing” (over de modaliteiten van strafuitvoering beoordeeld door de strafuitvoeringsrechter)
(2). Uit deze bepalingen volgt volgens rechter R. C. dat: 1° De regeling van de Wet Strafuitvoering in principe alleen geldt voor veroordeelden die uitsluitend een vonnis of arrest ondergaan van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van de wet van 29 juni 2021, voor zover dit vonnis of arrest in kracht van gewijsde is getreden (dus een ‘nieuwe’ veroordeling); en 2° Voor die veroordeelden blijft de regeling van de Strafuitvoeringswet ook gelden, als er ten aanzien van hen nadien een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de genoemde wet van 29 juni 2021 (een ‘oude’ veroordeling), mits ook deze veroordeling in kracht van gewijsde is getreden
(3). Het bestreden vonnis neemt aan dat de strafuitvoeringsrechter maar kan beslissen over een modaliteit van strafuitvoering wanneer “lastens de veroordeelde uitsluitend een vonnis of arrest ten uitvoer wordt gelegd voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder wanneer deze worden uitgesproken na de inwerkingtreding van de Wet, hetzij na 1 september 2022 dan wel 1 september 2023”. Aangezien thans onder meer een straf wordt uitgevoerd die het gevolg is van een correctionele veroordeling op 9 januari 2017, is de strafuitvoeringsrechter volgens het vonnis onbevoegd om te beslissen over de gevraagde modaliteiten van beperkte detentie en het elektronisch toezicht. Het bestreden vonnis voegt eraan toe dat 1°de eerdere afwijzing van een verzoek tot het bekomen van een modaliteit van strafuitvoering (op 28 oktober 2024) geen beletsel vormt voor de afwijzing van de huidige verzoeken wegens materiële onbevoegdheid, aangezien die bevoegdheid van openbare orde is, en 2°het louter indienen van een verzoek tot het bekomen van een modaliteit niet kan beschouwd worden als een schriftelijk verzoek van de veroordeelde om toch toepassing te maken van de voormelde bepalingen. Beoordeling. Uit het bestreden vonnis blijkt dat verweerder een effectieve gevangenisstraf van één jaar ondergaat (titel 1) en er inmiddels een tweede titel in uitvoering is van vier maanden gevangenisstraf, die aanvankelijk met uitstel was opgelegd. Het Hof nam aan, op 30 juli 2024, dat als de veroordeelde is gedetineerd op basis van uitsluitend een definitief vonnis of arrest dat een gevangenisstraf met (probatie)-uitstel herroept, de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter (dan wel de gevangenisdirectie) om een modaliteit toe te kennen afhangt van de datum van de veroordeling, niet van de datum van herroeping. Indien de gevangenisstraf van hoogstens twee jaar met uitstel was opgelegd vóór 1 september 2023 en de herroeping van dat uitstel dateert van na die datum, kan de strafuitvoeringsrechter zich niet over een modaliteit van strafuitvoering uitspreken
(4). Uit artikel 16, tweede lid, Wet van 29 juni 2021 kan men afleiden dat als de veroordeelde wordt opgevolgd door de strafuitvoeringsrechter ingevolge een veroordeling tot een gevangenisstraf van hoogstens twee jaar uitgesproken na 1 september 2023, de strafuitvoeringsrechter bevoegd blijft om over modaliteiten te beslissen, ook al wordt er bijkomend een veroordeling uitgevoerd die is uitgesproken vóór 1 september
  1. Van zodra de Wet Strafuitvoering van toepassing is, door tenuitvoerlegging van een titel van strafuitvoering van na 1 september 2023 (voor een vrijheidsstraf van twee jaar of minder), komt het bijgevolg de strafuitvoeringsrechter toe een verzoek tot het bekomen van een modaliteit in te willigen of af te wijzen, ook als er na die tenuitvoerlegging een titel van strafuitvoering wordt toegevoegd, gesteund op een oudere veroordeling. Het lijkt mij ook moeilijk te verantwoorden dat de strafuitvoeringsrechter zich reeds bevoegd verklaarde (op 28 oktober 2024) om te oordelen over een verzoek van eiser om een modaliteit te bekomen, op basis van de veroordeling van 22 april 2024, en zich thans onbevoegd acht, ook al zijn de verzoeken van verweerder van 12 november 2024 om een modaliteit te bekomen (beperkte detentie en elektronisch toezicht) ruim geformuleerd. De verzoeken zijn immers ook gericht op de strafuitvoering op grond van de veroordeling van 22 april 2024, als eerste titel. Het bestreden vonnis dat de verzoeken van verweerder afwijst met als reden materiële onbevoegdheid, is m.i. in strijd met art. 16, tweede lid, Wet van 29 juni
  2. Om deze redenen, vordert de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof moge behagen voormeld vonnis van 8 januari 2025 van de strafuitvoeringsrechter te Antwerpen te vernietigen, doch alleen in het belang van de wet, en te bevelen dat van het te wijzen arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Brussel, 31 januari
  3. Voor de Procureur-Generaal, De advocaat-generaal, (w.g.) Bart De Smet”. Op de rechtszitting van 4 februari 2025 heeft voorzitter Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie en het cassatieberoep I
  4. Uit artikel 427, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat het openbaar ministerie zijn cassatieberoep moet laten betekenen aan de partij tegen wie het is gericht en de stukken van die betekening moet neerleggen ter griffie van het Hof binnen de termijn om een memorie in te dienen. Die bepaling is ook van toepassing op het door het openbaar ministerie overeenkomstig de artikelen 96 en 97 Wet Strafuitvoering ingestelde cassatieberoep tegen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank of de strafuitvoeringsrechter.
  5. Volgens artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering moeten de cassatiemiddelen worden voorgedragen in een memorie die op de griffie van het Hof moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.
  6. De eiser heeft op 9 januari 2025 een verklaring van cassatieberoep afgelegd. De termijn om de memorie en de betekeningsstukken ter griffie van het Hof in te dienen, verstreek derhalve op dinsdag 14 januari
  7. Uit de door de griffier bij toepassing van artikel 429, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering op de memorie en de betekeningsstukken aangebrachte vermeldingen blijkt dat die memorie en die stukken werden ontvangen op de griffie van het Hof op woensdag 15 januari 2025, dit is buiten de voormelde wettelijk bepaalde termijn. De memorie en het cassatieberoep I zijn niet ontvankelijk. Het door de procureur-generaal bij het Hof bij toepassing van artikel 442 Wetboek van Strafvordering ingestelde cassatieberoep
  8. Volgens artikel 16, eerste lid, van de wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder (hierna Operationaliseringswet Strafuitvoering) zijn de bepalingen van de Wet Strafuitvoering die betrekking hebben op door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten van toepassing op veroordeelden die uitsluitend een vonnis of arrest uitvoeren voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering, voor zover deze in kracht van gewijsde zijn getreden, tenzij de veroordeelde schriftelijk verzoekt om toepassing te maken van de bepalingen over die modaliteiten opgenomen in titel V Wet Strafuitvoering.
  9. Volgens artikel 17, tweede lid, Operationaliseringswet Strafuitvoering treden de bepalingen van deze wet die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten in werking op 1 september 2023 ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte twee jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt.
  10. Artikel 16, tweede lid, Operationaliseringswet Strafuitvoering schrijft voor dat ingeval een veroordeelde overeenkomstig het eerste lid van die bepaling, het voorwerp uitmaakt van de toepassing ervan en er ten aanzien van hem nadien een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, voor zover de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden, de bepalingen van toepassing blijven.
  11. Daaruit volgt dat: - de regeling in beginsel enkel van toepassing is op veroordeelden die uitsluitend een veroordelende beslissing ondergaan die hen heeft veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering, voor zover die veroordelende beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen. Dit betreft de vereiste van een “nieuwe” veroordeling; - voor zij die een dergelijke nieuwe veroordeling ondergaan, de regeling evenwel ook van toepassing is indien er daarnaast een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering en dus een ”oude” veroordeling betreft; - de Operationaliseringswet Strafuitvoering in werking treedt op 1 september 2023 voor vrijheidsstraffen met een uitvoerbaar gedeelte van twee jaar of minder, maar zes maanden of meer.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 22 april 2024 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twee jaar, waarvan één jaar met uitstel van tenuitvoerlegging; - door deze veroordeling is de hoofdgevangenisstraf van vier maanden, waartoe de eiser bij vonnis van dezelfde correctionele rechtbank van 9 januari 2017 werd veroordeeld, in uitvoering gekomen.
  13. Het vonnis oordeelt dat de strafuitvoeringsrechter onbevoegd is om kennis te nemen van eisers verzoeken om elektronisch toezicht en beperkte detentie en het verklaart die verzoeken onontvankelijk. Het grondt die beslissing op het gegeven dat de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter afhangt van de vereiste dat de veroordeelde uitsluitend een straf ondergaat, opgelegd met een veroordelende beslissing daterend van na de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering en op de vaststelling dat eisers strafuitvoering het gevolg is van een veroordeling van 9 januari 2017, die dateert van voor de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering. Aldus schendt het vonnis de artikelen 16, eerste en tweede lid, en 17 Operationaliseringswet Strafuitvoering. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep I. Laat de kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat. Vernietigt, maar enkel in het belang van de wet, het aangegeven vonnis nr. SUR 25/0039 van de strafuitvoeringsrechter Antwerpen van 8 januari
  14. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten in het geheel op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. ___________________________________
(1)Vb. Cass. 6 september 2023, AR P.23.0827.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230906.2F.8, met concl. van advocaat-generaal D. Vandermeersch; Cass. 15 mei 2001, AR P.01.0013.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.10, AC 2001, nr. 284, met concl. van advocaat-generaal P. Duinslaeger; Cass. 16 juni 1993, AR P.93.0889.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930616.17, AC 1993, nr. 290; M. De Swaef, “Cassatie en het openbaar ministerie”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 129-131; R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1701-1703; M.-A. Beernaert, H.D. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 1869-1870; A. Winants, “De rol van het Openbaar Ministerie bij het Hof van Cassatie in strafzaken”, in De cassatieberoepen, Intersentia, 2023, 436. Het cassatieberoep in het belang van de wet is niet-ontvankelijk, als het Hof over de zaak kan oordelen op basis van een ontvankelijk cassatieberoep (Cass. 27 juni 2006, AR P.05.1491.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14, AC 2006, nr. 359).
(2)Over deze aspecten van overgangsrecht zie advocaat- generaal B. Inghels, conclusie in de zaak Cass. 30 juli 2024, AR P.24.1023.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240730.VAC.2; R. Cassiers, Strafuitvoeringsrechtbank, APR, 2024, 85-88; M.A. Beernaert, “Le nouveau régime d’exécution des peines privatives de liberté ne dépassant pas trois ans: retour sur une réforme délicate”, in Droit pénal - Evolutions récentes, (ed. Fr. Dessy & N. Sanhaji), Anthémis, 2024, p. 219-249 (244-247).
(3)R. Cassiers, Strafuitvoeringsrechtbank, APR, 2024, 86.
(4)Cass. 30 juli 2024, AR P.24.1023.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240730.VAC.2, met concl. van advocaat-generaal B. Inghels. In deze zaak sprak de strafuitvoeringsrechter zich uit over een veroordeling met probatie-uitstel van 26 april 2019, herroepen bij vonnis van 1 december 2023, als enige titel van strafuitvoering. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250204.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930616.17 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230906.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240730.VAC.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.