id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 195, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: GRIFFIE.
GRIFFIER Vrije woorden: Strafvordering - Verplichte vermeldingen in de rechterlijke uitspraak - Naam van de magistraat van het openbaar ministerie die aanwezig was bij de uitspraak - Proces-verbaal van de rechtszitting als aanvullende bron van informatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafvordering - Verplichte vermeldingen in de rechterlijke uitspraak - Naam van de magistraat van het openbaar ministerie die aanwezig was bij de uitspraak - Proces-verbaal van de rechtszitting als aanvullende bron van informatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 5 Uit artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand volgt dat indien de strafrechter vaststelt dat een beklaagde juridische tweedelijnsbestand geniet, hij die beklaagde niet kan veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds
(1).
(1)Cass. 5 september 2023, AR P.23.0791.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.10; Cass. 9 mei 2023, AR P.23.0219.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2, T. Strafr. 2023, 239; GwH 25 juni 2020, arrest 94/2020, www.const-court.be; J. DECOKER, “En dan zijn er nog? De bijdragen, toeslagen en vergoedingen”, T. Strafr. 2024, 46-51; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021,
- Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Bijdrage aan het Begrotingsfonds Juridische tweedelijnsbijstand - Stuk waaruit de kosteloze rechtsbijstand blijkt - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND Vrije woorden: Strafzaken - Procedure voor de feitenrechter - Bijdrage aan het Begrotingsfonds Juridische tweedelijnsbijstand - Stuk waaruit de kosteloze rechtsbijstand blijkt - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1655.N P. D. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Lieven De Graeve, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 15 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis vermeldt niet de naam van de magistraat van het openbaar ministerie die bij de uitspraak aanwezig was; daardoor is het bestreden vonnis formeel onwettig.
- Artikel 195, tweede lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt weliswaar dat het vonnis de naam van de magistraat van het openbaar ministerie moet bevatten die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, maar die verplichting is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. De naam van die magistraat kan ook blijken uit het proces-verbaal van de rechtszitting waarop het vonnis is uitgesproken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 oktober 2024 blijkt dat het bestreden vonnis werd uitgesproken in aanwezigheid van G. B., eerste substituut-procureur des Konings. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 163, vierde en vijfde lid, 176 en 195, vijfde en negende lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis motiveert weliswaar waarom aan de eiser voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B geen geldboeten onder het wettelijk minimum worden opgelegd, maar het motiveert niet waarom in hoger beroep geen lagere geldboeten werden opgelegd dan die welke werden uitgesproken door de eerste rechter; de eiser had in zijn grievenschrift aangevoerd dat hij te zwaar werd gestraft in relatie tot de feiten en dat onvoldoende werd rekening gehouden met zijn sociale en precaire toestand.
- Uit artikel 195, tiende lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de bijzondere motiveringsverplichting om de keuze voor een straf en de maat ervan, als de wet die aan de vrije beoordeling van de rechter overlaat, nauwkeurig te motiveren, voor de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep enkel van toepassing is voor het verval van het recht tot het besturen van een voertuig, een luchtschip of het begeleiden van een rijdier. Die bijzondere motiveringsplicht geldt bijgevolg niet voor het uitspreken van geldboeten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt betreffende de aan de eiser op te leggen bestraffing als volgt: - de eiser is 62 jaar oud; - er wordt rekening gehouden met tweeëndertig veroordelingen inzake wegverkeer waaronder zes keer wegens niet-verzekering en vier keer wegens niet-keuring; - de toestand van verzwaring ex artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet wordt aangenomen met betrekking tot het feit omschreven onder de telastlegging A; - hoewel de financiële toestand van de eiser weliswaar niet rooskleurig is, is die toestand niet van aard om een geldboete op te leggen beneden het wettelijk minimum; - de door de eerste rechter opgelegde geldboeten voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B zijn passend en moeten worden bevestigd. Met die redenen, waaruit blijkt dat de appelrechters eisers sociale en precaire toestand bij hun beoordeling hebben betrokken, beantwoordt het bestreden vonnis het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 162 en 176 Wetboek van Strafvordering en artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (hierna Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand): hoewel de eiser op de rechtszitting van 17 september 2024 de beslissing van het Bureau voor Juridische Bijstand heeft neergelegd waarbij aan hem de volledig kosteloze juridische bijstand werd verleend en zulks ook werd vastgesteld in het proces-verbaal van die rechtszitting, heeft het bestreden vonnis de eiser onwettig tot betaling van een bijdrage aan dit Fonds veroordeeld; eisers aanvoering in dat verband werd niet tegengesproken.
- Uit artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand volgt dat indien de strafrechter vaststelt dat een beklaagde juridische tweedelijnsbestand geniet, hij die beklaagde niet kan veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser een stuk heeft neergelegd waaruit blijkt dat hij werd toegelaten tot de juridische tweedelijnsbijstand. Het kan bijgevolg de eiser niet veroordelen tot betaling van een bijdrage aan dit Fonds. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit de eiser veroordeelt tot betaling tot van een bijdrage van 24,00 euro aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div