← België

M. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250211.2N.6 Rolnummer: P.24.1635.N Zaak: M. contra G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-02-20 Raadplegingen: 370 - laatst gezien 2026-06-15 04:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 5 De loutere omstandigheid dat een beklaagde voorhoudt dat een verbalisant die vaststellingen heeft verricht bij een verkeersongeval een burgerlijke partij kent en dat tussen hen een zekere vriendschappelijkheid zou bestaan, volgt niet dat

(1)de rechter verplicht is die verbalisant te horen als getuige op de rechtszitting,
(2)de bijzondere bewijswaarde die de in het proces-verbaal vermelde zintuigelijke vaststellingen van de verbalisant op grond van artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet heeft, verdwijnt of
(3)de rechter de strafvordering onontvankelijk moet verklaren. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Wegverkeer - Vriendschappelijke band tussen verbalisant en burgerlijke partij - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Wegverkeer - Vriendschappelijke band tussen verbalisant en burgerlijke partij - Horen van de verbalisant als getuige - Geen verplichting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: Bijzondere bewijswaarde - Vriendschappelijke band tussen verbalisant en burgerlijke partij - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijskracht Vrije woorden: Wegverkeer - Bijzondere bewijswaarde - Vriendschappelijke band tussen verbalisant en burgerlijke partij - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Wegverkeer - Vriendschappelijke band tussen verbalisant en burgerlijke partij - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1635.N E. M., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Bram Elyn, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
  1. G. G., burgerlijke partij,
  2. J. S., burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman mr. Stijn Catrysse, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 25 oktober
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het bestreden vonnis veroordeelt onder meer door bevestiging van het beroepen vonnis de eiseres tot betaling aan de verweerders van telkens een provisionele schadevergoeding, het beveelt een deskundigenonderzoek, het verzendt de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van de burgerlijke vorderingen van de verweerders en het veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerders van een voorlopige rechtsplegingsvergoeding. Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft het beginsel van aansprakelijkheid, een beslissing als bedoeld door het tweede lid van die bepaling. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen deze beslissing, is het wegens voorbarigheid niet ontvankelijk.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerders, zoals nochtans is vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, is het niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM en artikel 62 Wegverkeerswet, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis stelt vast dat de politieambtenaren die de vaststellingen hebben verricht gekend zijn bij de verweerders; het staat aldus onomstotelijk vast dat er minstens een schijn van partijdigheid bestond; de eiseres heeft ter plaatse vastgesteld dat er een “amicaliteit” speelde tussen de verbalisanten en de verweerders; daardoor vervalt logischerwijze de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal; de strafvordering moet dan ook onontvankelijk worden verklaard bij afwezigheid van ander bewijs; de appelrechters hebben geweigerd de verbalisanten op de rechtszitting als getuigen te horen.
  7. Het bestreden vonnis stelt niet vast dat de verbalisanten de verweerders kenden. Het oordeelt enkel dat de loutere omstandigheid dat een burgerlijke partij een kennis zou zijn van de verbalisanten geen dienstig motief is om de verbalisanten als getuige te horen op de rechtszitting. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  8. De loutere omstandigheid dat een beklaagde voorhoudt dat een verbalisant die vaststellingen heeft verricht bij een verkeersongeval een burgerlijke partij kent en dat tussen hen een zekere vriendschappelijkheid zou bestaan, volgt niet dat: - de rechter verplicht is die verbalisant te horen als getuige op de rechtszitting; - de bijzondere bewijswaarde die de in het proces-verbaal vermelde zintuigelijke vaststellingen van de verbalisant op grond van artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet heeft, verdwijnt; - de rechter de strafvordering onontvankelijk moet verklaren.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 29, § 2 en 62 Wegverkeerswet en de artikelen 5 en 68 Wegverkeersreglement, alsook miskenning van het recht op een à charge en à décharge gevoerd opsporingsonderzoek, de omkering van de bewijslast ten nadele van de beklaagde en het vermoeden van onschuld: de verweerders maken niet aannemelijk dat zij ter plaatse waren om een hoeve te bezichtigen; daarvan ligt geen enkel stuk voor; het bestreden vonnis oordeelt dat het volstaat dat de verweerders beweren daar te moeten zijn, nadat het openbaar ministerie de gratuite stelling van de verweerders voor waar heeft aangenomen en hen niet heeft vervolgd; dit brengt het recht op een eerlijk proces van de eiseres waaronder het recht op wapengelijkheid in het gedrang; de schijn wordt gecreëerd dat er voor de partijen verschillende bewijsregels gelden; er had aan de verweerders moeten worden gevraagd om minstens één stuk bij te brengen om hun bewering aannemelijk te maken; dit hangt samen met het gebrek aan objectiviteit van de vaststellers; er was nimmer sprake van een onderzoek à charge en à décharge.
  11. In zoverre gericht tegen het optreden van de verbalisanten en het openbaar ministerie en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het middel niet ontvankelijk.
  12. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft of komt het op tegen het onaantastbaar oordeel van de appelrechters over de feiten. In zoverre is het middel evenzeer niet ontvankelijk. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 29, § 2, Wegverkeerswet en de artikelen 5 en 68 Wegverkeersreglement, alsook miskenning van het beginsel van verdeling van aansprakelijkheid: de verweerders hebben ook een inbreuk gepleegd op het feit omschreven onder de telastlegging C; zonder die fout zou het ongeval niet hebben plaatsgevonden; een verdeling van aansprakelijkheid bij helften dringt zich op.
  14. Het middel dat betrekking heeft op een beslissing van het bestreden vonnis, waartegen het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk is, behoeft geen antwoord. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - Artikel 40 Strafwetboek; - Artikel 69bis Wegverkeerswet.
  15. Artikel 40, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat bij gebreke van betaling binnen de twee maanden van het arrest of van het vonnis, indien het op tegenspraak is gewezen, of te rekenen vanaf de betekening indien het bij verstek is gewezen, de geldboete kan worden vervangen door een gevangenisstraf, waarvan de duur de drie maanden niet zal te boven gaan voor hen die wegens een wanbedrijf zijn veroordeeld.
  16. Artikel 69bis Wegverkeerswet bepaalt dat voor de toepassing van deze wet en in afwijking van artikel 40 Strafwetboek de boete, bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee maanden van het arrest of van het vonnis, indien het op tegenspraak is gewezen, of te rekenen vanaf de betekening indien het bij verstek is gewezen, kan worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig, waarvan de duur zal worden bepaald door het vonnis of het arrest van veroordeling en die niet langer dan een jaar en niet korter dan acht dagen zal zijn.
  17. De vervanging van de onbetaalde geldboete door een rijverbod is een vervangende straf die volgens artikel 69bis Wegverkeerswet enkel mogelijk is voor overtredingen van die wet of de uitvoeringsbesluiten ervan.
  18. Het bestreden vonnis verklaart de eiseres schuldig aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A (inbreuk op artikel 15.2, eerste lid, Wegverkeersreglement en artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet in staat van herhaling als bedoeld door artikel 29, § 4, derde lid, Wegverkeerswet), B (de artikelen 418 en 420, tweede lid, Strafwetboek) en C (inbreuk op de artikelen 5 en 68 Wegverkeersreglement en artikel 29, § 2, Wegverkeerswet) en veroordeelt haar bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek voor deze feiten samen tot één straf. De toepasselijke straf is de door artikel 420, tweede lid, Strafwetboek bepaalde straf voor de feiten omschreven onder de telastlegging B. Voor de geldboete opgelegd op grond van dit in het Strafwetboek bepaalde wanbedrijf, kan niet de door artikel 69bis Wegverkeerswet bepaalde vervangende straf worden opgelegd.
  19. Het bestreden vonnis dat de eiseres veroordeelt tot een vervangend rijverbod ingeval van niet-betaling van de opgelegde geldboete, schendt de vermelde bepalingen. Omvang van de cassatie
  20. De vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een vervangend rijverbod voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en C, laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres door bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt tot een rijverbod van dertig dagen bij gebreke van betaling van de geldboete binnen de wettelijke termijn. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot negen tienden van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 187,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250211.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.