← België

PK LIMBURG afd. HASSELT contra J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Overwegingen

(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 19

.1,

  1. g)en
  2. h)Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Verdrag Europese Unie - Fundamentele rechten - Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Confiscatiebevel - Weigering van tenuitvoerlegging - Vermoeden van inachtneming door uitvaardigende Staat van de fundamentele rechten - Weerlegging - Wijze Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Overwegingen

(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 19

.1,

  1. g)en
  2. h)Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Confiscatiebevel - Weigering van tenuitvoerlegging - Vermoeden van inachtneming door uitvaardigende Staat van de fundamentele rechten - Weerlegging - Wijze Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Overwegingen

(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 19

.1,

  1. g)en
  2. h)Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Confiscatiebevel - Weigering van tenuitvoerlegging - Vermoeden van inachtneming door uitvaardigende Staat van de fundamentele rechten - Weerlegging - Wijze Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Overwegingen

(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 19

.1,

  1. g)en
  2. h)Fiches 5 - 7 Op grond van artikel 19.1,
  3. g)en h), Verordening 2018/1805 volstaat het voor de toepassing van de daar bedoelde weigeringsgronden niet dat degene waartegen het confiscatiebevel is uitgevaardigd, niet is opgeroepen voor, noch is verschenen op de rechtszitting waarop is beslist tot zijn veroordeling bij verstek tot de straf of de maatregel die het voorwerp van het confiscatiebevel uitmaakt, wanneer de betrokkene inmiddels op regelmatige wijze in kennis is gesteld van zijn veroordeling en hij de mogelijkheid heeft gehad om daartegen een rechtsmiddel aan te wenden dat kon leiden tot een procedure ten gronde en op tegenspraak, naar aanleiding waarvan de oorspronkelijke beslissing op grond van eventueel nieuw bewijsmateriaal kon worden herzien; dat de betrokkene, die beschikte over een dergelijk rechtsmiddel, in voorkomend geval heeft geopteerd voor een ander, ondoelmatig of minder doelmatig rechtsmiddel, heeft geen belang en dat het bij het confiscatiebevel gevoegde certificaat verkeerdelijk vermeldt dat de betrokkene wel persoonlijk ter rechtszitting is opgeroepen of dat er veel tijd is verstreken sinds de veroordeling tot verbeurdverklaring, zijn geen omstandigheden die toelaten anders te oordelen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Confiscatiebevel - Weigeringsgronden - Geen oproeping of verschijning op de rechtszitting waarop beslist is tot veroordeling bij verstek - Op regelmatige wijze kennis van de veroordeling - Mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel - Keuze voor een ondoelmatig of minder doelmatig rechtsmiddel - Grens Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 19

.1,

  1. g)en
  2. h)Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Confiscatiebevel - Weigeringsgronden - Geen oproeping of verschijning op de rechtszitting waarop beslist is tot veroordeling bij verstek - Op regelmatige wijze kennis van de veroordeling - Mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel - Keuze voor een ondoelmatig of minder doelmatig rechtsmiddel - Grens Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 19

.1,

  1. g)en
  2. h)Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Confiscatiebevel - Weigeringsgronden - Geen oproeping of verschijning op de rechtszitting waarop beslist is tot veroordeling bij verstek - Op regelmatige wijze kennis van de veroordeling - Mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel - Keuze voor een ondoelmatig of minder doelmatig rechtsmiddel - Grens Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 19.1, g) en h) Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0037.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG, afdeling Hasselt, eiser, tegen I. J., persoon tegen wie een confiscatiebevel is uitgevaardigd, verweerder, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 28 oktober 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 19.1.g en h van de verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna Verordening 2018/1805) 1. Artikel 19.1 Verordening 2018/1805 bepaalt: “De uitvoerende autoriteit mag slechts besluiten een confiscatiebevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen indien: “

  1. g)de persoon tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, volgens het confiscatiecertificaat niet persoonlijk is verschenen op de terechtzitting die heeft geleid tot een confiscatiebevel dat verband houdt met een definitieve veroordeling, tenzij wanneer op het confiscatiecertificaat is vermeld dat de persoon, overeenkomstig nadere in het recht van de uitvaardigende staat bepaalde procedurevoorschriften:
  2. i)tijdig persoonlijk gedagvaard is en daarbij op de hoogte is gebracht van de voorgenomen dag en plaats van de terechtzitting die tot het confiscatiebevel heeft geleid, of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de geplande dag en plaats van die terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat die persoon, indien hij niet op de terechtzitting verscheen, op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en tijdig ervan in kennis was gesteld dat een confiscatiebevel kon worden uitgevaardigd;
  3. ii)(…); of iii) nadat het confiscatiebevel aan hem was betekend en de persoon uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een nieuwe proces of een procedure in hoger beroep waarbij de persoon het recht zou hebben aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde behandeld kan worden, met inbegrip van nieuw bewijsmateriaal, en het oorspronkelijke confiscatiebevel herzien kan worden, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij het confiscatiebevel niet betwist, of niet binnen de voorgeschreven termijn om een nieuwe proces heeft verzocht of hoger beroep heeft aangetekend;
  4. h)er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging.” 2. Die bepalingen dienen te worden gelezen in samenhang met de overwegingen 15 en 34 van de preambule bij Verordening 2018/1805, die bepalen: “

(15)Samenwerking tussen de lidstaten, die is gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning en de onmiddellijke tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, veronderstelt het vertrouwen dat de te erkennen en ten uitvoer te leggen beslissingen steeds zullen worden gegeven overeenkomstig de beginselen van legaliteit, subsidiariteit en evenredigheid. Dergelijke samenwerking veronderstelt dat de rechten van personen ten aanzien van wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, worden gewaarborgd. Die getroffen personen, die natuurlijke of rechtspersonen kunnen zijn, dienen de persoon tegen wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, de persoon die eigenaar is van de voorwerpen waarop het bevel betrekking heeft, en eventuele derden wier rechten met betrekking tot die voorwerpen rechtstreeks worden geschaad door het bevel, met inbegrip van derden te goeder trouw, te omvatten. (…).
(34)Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op onderling vertrouwen en de veronderstelling dat alle lidstaten zich aan het recht van de Unie houden, met name de grondrechten. In uitzonderlijke situaties, wanneer er gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, moet de uitvoerende autoriteit kunnen besluiten het betreffende bevel niet te erkennen en ten uitvoer te leggen. De in dit verband relevante grondrechten zijn met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging. (…).” 3. Hieruit volgt dat er ten gunste van de uitvaardigende Staat een vermoeden bestaat van de inachtneming van de fundamentele rechten van onder meer de persoon tegen wie een confiscatiebevel is uitgevaardigd. De weigering van de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel is dan ook enkel gerechtvaardigd wanneer op geloofwaardige wijze omstandige elementen worden aangevoerd die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene, waardoor het voormelde vermoeden wordt weerlegd. 4. Op grond van artikel 19.1,
  1. g)en h), Verordening 2018/1805 volstaat het voor de toepassing van de daar bedoelde weigeringsgronden niet dat degene waartegen het confiscatiebevel is uitgevaardigd, niet is opgeroepen voor, noch is verschenen op de rechtszitting waarop is beslist tot zijn veroordeling bij verstek tot de straf of de maatregel die het voorwerp van het confiscatiebevel uitmaakt, wanneer de betrokkene inmiddels op regelmatige wijze in kennis is gesteld van zijn veroordeling en hij de mogelijkheid heeft gehad om daartegen een rechtsmiddel aan te wenden dat kon leiden tot een procedure ten gronde en op tegenspraak, naar aanleiding waarvan de oorspronkelijke beslissing op grond van eventueel nieuw bewijsmateriaal kon worden herzien. Dat de betrokkene, die beschikte over een dergelijk rechtsmiddel, in voorkomend geval heeft geopteerd voor een ander, ondoelmatig of minder doelmatig rechtsmiddel, heeft geen belang. 5. Dat het bij het confiscatiebevel gevoegde certificaat verkeerdelijk vermeldt dat de betrokkene wel persoonlijk ter rechtszitting is opgeroepen of dat er veel tijd is verstreken sinds de veroordeling tot verbeurdverklaring, zijn geen omstandigheden die toelaten anders te oordelen. 6. Het bij het confiscatiebevel gevoegde certificaat vermeldt onder Deel C, 4: “Betrokkene heeft tegen beide arresten een beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Hij werd vertegenwoordigd door [K.], advocaat te Eindhoven. De Hoge Raad heeft beide beroepen in cassatie verworpen op 18 april 2023, o.v.v. parketnummers 21/04433 en 21/04432 P waardoor beide zaken op 18-04-2023 onherroepelijk zijn geworden.” 7. Het vonnis oordeelt als volgt: - het staat vast dat de verweerder niet persoonlijk is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing bij verstek van het hof van beroep te ’s Hertogenbosch van 21 december 2012 tot ontneming aan de verweerder van een bedrag van 32.737,00 euro als vermogensvoordeel uit een drugmisdrijf waarvoor hij eveneens werd veroordeeld; - de verweerder maakt aannemelijk dat hij, anders dan vermeld in het certificaat, niet persoonlijk werd gedagvaard, noch op andere wijze officieel en daadwerkelijk op de hoogte werd gebracht van de datum en de plaats waarop het proces plaatsvond dat tot de beslissing van 21 december 2012 heeft geleid; - de rechtbank kan dan ook niet op ondubbelzinnige wijze vaststellen dat de verweerder in kennis was gesteld van het geplande proces en ervan op de hoogte was gebracht dat een beslissing kon worden genomen in geval van niet-verschijning; - de rechtbank stelt vast dat de verweerder, eens de beslissing van 21 december 2012 hem ter kennis werd gebracht, cassatieberoep aantekende waardoor er op 18 april 2023 een beslissing van de Hoge Raad der Nederlanden tussenkwam. De Hoge Raad betreft evenwel een cassatiegerecht dat beoordeelt of een lagere rechter bij een uitspraak het recht juist heeft toegepast en of de procedure op de juiste wijze werd gevolgd. Het betreft aldus geen nieuwe beoordeling ten gronde; - op grond van de voorliggende gegevens en stukken kan bijgevolg niet worden aangenomen dat de verweerder daadwerkelijk op de hoogte was van de plaats en het tijdstip waarop het proces inzake de ontneming van een wederrechtelijk verkregen voordeel zou plaatsvinden, noch dat hij ondubbelzinnig afstand deed van zijn recht om te verschijnen op dit proces en aldaar zijn verweer te voeren; - het recht op een eerlijk proces zoals vervat in artikel 6 EVRM vereist evenwel dat de betrokkene op zodanige wijze werd geïnformeerd dat hij zijn verweer doeltreffend kon voorbereiden. In voorliggend geval blijkt dit recht niet gewaarborgd te zijn geweest. Er bestaan dan ook ernstige redenen om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de meer dan 11 jaar geleden bij verstek genomen beslissing tot verbeurdverklaring afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de verweerder zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM; - in die omstandigheden weigert de rechtbank, gelet op de facultatieve weigeringsgronden zoals bepaald in de artikelen 7, § 1, 3° en 7/2, 3°, Wet Wederzijdse Erkenning, de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing tot verbeurdverklaring lastens de verweerder. Met die redenen, waaruit niet blijkt dat de verweerder geen verzet kon aantekenen tegen de confiscatiebeslissing, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht. Middelen 8. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, behoeven de middelen geen antwoord. 9. Hieruit volgt dat de door de verweerder aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid van de memorie van de eiser geen antwoord behoeft. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank Limburg, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250211.2N.9 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240312.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.