← België

L. contra ETHIAS nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250214.1N.7 Rolnummer: C.23.0045.N Zaak: L. contra ETHIAS nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-04-09 Raadplegingen: 824 - laatst gezien 2026-06-18 23:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250214.1N.7 Fiche De materiële schade geleden door de benadeelde wegens de vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid bestaat in de vermindering van zijn economische waarde op de arbeidsmarkt; de veronderstelling dat de benadeelde ook zonder lichamelijk letsel werkloos zou zijn geweest, belet het bestaan van deze schade niet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Vrije woorden: Vermindering arbeidsgeschiktheid - Begrip Tekst van de beslissing Nr. C.23.0045.N S.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Marsveldplein 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.484.654, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 12 april
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 15 januari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  2. De materiële schade geleden door de benadeelde wegens de vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid bestaat in de vermindering van zijn economische waarde op de arbeidsmarkt. De veronderstelling dat de benadeelde ook zonder lichamelijk letsel werkloos zou zijn geweest, belet het bestaan van deze schade niet.
  3. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser van 4 juli 2011 tot en met 28 april 2012 nu en dan professionele prestaties heeft geleverd, meer bepaald gemiddeld vier dagen per maand; - het ongeval zich op 25 april 2013 heeft voorgedaan en hij hierbij ernstige letsels heeft opgelopen; - de eiser echter zijn revalidatie niet consequent heeft opgevolgd door ‘te pas en te onpas’ zijn afspraken af te zeggen en door zijn revalidatie zelfs tot tweemaal toe langdurig te onderbreken, de tweede maal omwille van vrijheidsberoving; - hij ook pas laattijdig op het voorstel is ingegaan om zich bij de VDAB in te schrijven voor een herscholingstraject en daarenboven die herscholing finaal nooit werd opgestart; - hij sinds 1 september 2015 een inkomensvervangende tegemoetkoming categorie A en een integratietegemoetkoming categorie 1 van de FOD Sociale Zekerheid ontving; - hij voor het overige gedurende geheel de voormelde periode bij zijn ouders is blijven wonen, samen met meerdere andere meerderjarige familieleden, en deze toen allemaal, op één uitzondering na, van één of andere uitkering hebben geleefd; - de eiser in die omstandigheden geen inkomstenverlies wegens tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid heeft geleden of nog zal lijden, tenminste niet als gevolg van het ongeval van 25 april
  4. Met deze redenen geeft de appelrechter te kennen dat de eiser, naar zijn oordeel, ook werkloos zou zijn geweest indien hij geen lichamelijk letsel had opgelopen, en derhalve geen inkomsten uit arbeid zou hebben gehad.
  5. De appelrechter die de vordering tot vergoeding van de schade uit tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid afwijst omdat de eiser tijdens deze periode geen inkomstenverlies heeft geleden, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het subonderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 14 februari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael.- PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250214.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250214.1N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251126.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.