← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.10 Rolnummer: P.25.0154.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-21 Raadplegingen: 787 - laatst gezien 2026-06-18 16:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 De bepaling van artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering voorziet onder meer in de sanctie van het verval van de strafvordering en deze wettelijk bepaalde sanctie moet worden onderscheiden van de sanctie van de onontvankelijkheid van de strafvordering die van toepassing is indien door de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering of het recht van verdediging ernstig en onherroepelijk is aangetast; uit de tekst van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de daar gebruikte terminologie en de wetsgeschiedenis volgt dat de sanctie van het verval van de strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn slechts uitzonderlijk mag worden toegepast en de overschrijding moet dermate zwaarwichtig zijn dat ze leidt tot het oordeel dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is; bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn en de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de in de zaak aan de orde zijnde belangen maar het enkele feit dat in een eenvoudige strafprocedure er een aanzienlijke periode van stilstand is vast te stellen, verplicht de rechter niet om aan te nemen dat de redelijke termijn zeer zwaarwichtig is miskend

(1).
(1)Zoals gewijzigd bij artikel 34, 1° en 2°, Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, BS 18 april 2024, in werking getreden op 28 april 2024; J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25/20, 763-780, inz. pp. 776-778, nrs. 22-
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Toepassingsvoorwaarden - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Toepassingsvoorwaarden - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 5 Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter die oordeelt dat een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet zeer zwaarwichtig is, niet de verplichting om die beslissing nader met redenen te omkleden, behoudens bij een daartoe specifiek en concreet ontwikkeld verweer; evenmin is de rechter verplicht de parameters te vermelden waaruit zou kunnen worden afgeleid in welk geval de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn wel zeer zwaarwichtig zou zijn. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Oordeel van de rechter dat de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet zeer zwaarwichtig is - Geen specifiek en concreet ontwikkeld verweer - Omvang van de motivering - Vermelding van parameters waaruit kan worden afgeleid in welke gevallen de overschrijding van de redelijke termijn wel zeer zwaarwichtig is - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Motiveringsplicht - Strafzaken - Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Oordeel van de rechter dat de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet zeer zwaarwichtig is - Geen specifiek en concreet ontwikkeld verweer - Omvang van de motivering - Vermelding van parameters waaruit kan worden afgeleid in welke gevallen de overschrijding van de redelijke termijn wel zeer zwaarwichtig is - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Oordeel van de rechter dat de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet zeer zwaarwichtig is - Geen specifiek en concreet ontwikkeld verweer - Omvang van de motivering - Vermelding van parameters waaruit kan worden afgeleid in welke gevallen de overschrijding van de redelijke termijn wel zeer zwaarwichtig is - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0154.N P. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 12 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de overschrijding van de redelijke termijn niet zeer zwaarwichtig is; de feiten dateren van 10 december 2021 en het bestreden vonnis werd pas geveld op 12 november 2024, dit is zo goed als drie jaar na de feiten; het strafdossier is zeer summier en beslaat slechts een 30 à 40 pagina’s, zodat het gaat om een heel eenvoudige zaak; het strafdossier bestaat uit het aanvankelijk proces-verbaal en een tweede proces-verbaal dat dateert van elf dagen na het aanvankelijk proces-verbaal; daarna werd een uittreksel uit het strafregister gevoegd en werd meer dan een half jaar later de dagvaarding betekend; de behandelduur in hoger beroep bedroeg meer dan één jaar en negen maanden; dit is een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn in een heel eenvoudig dossier, zodat het verval van de strafvordering zich opdringt.
  4. In zoverre het middel is gesteund op feitelijke gegevens die niet blijken uit stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is het niet ontvankelijk.
  5. Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door artikel 34, 1° en 2°, Wet Strafprocesrecht I met ingang vanaf 28 april 2024, bepaalt wat volgt: “Indien de duur van strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken. De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in het eerste lid bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken.”
  6. Deze bepaling voorziet onder meer in de sanctie van het verval van de strafvordering. Deze wettelijk bepaalde sanctie moet worden onderscheiden van de sanctie van de onontvankelijkheid van de strafvordering die van toepassing is indien door de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering of het recht van verdediging ernstig en onherroepelijk is aangetast.
  7. Uit de tekst van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de daar gebruikte terminologie en de wetsgeschiedenis volgt dat de sanctie van het verval van de strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn slechts uitzonderlijk mag worden toegepast. De overschrijding moet dermate zwaarwichtig zijn dat ze leidt tot het oordeel dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is.
  8. Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn en de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de in de zaak aan de orde zijnde belangen.
  9. Het enkele feit dat in een eenvoudige strafprocedure er een aanzienlijke periode van stilstand is vast te stellen, verplicht de rechter niet om aan te nemen dat de redelijke termijn zeer zwaarwichtig is miskend.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis motiveert niet waarom er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, maar stelt dit louter vast; de eiser is niet in staat te begrijpen waarom een dergelijke overschrijding niet zeer zwaarwichtig is; het bestreden vonnis bevat geen parameters waaruit zou kunnen worden afgeleid wanneer er dan wel sprake is van een zeer zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn.
  13. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter die oordeelt dat een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet zeer zwaarwichtig is, niet de verplichting om die beslissing nader met redenen te omkleden, behoudens bij een daartoe specifiek en concreet ontwikkeld verweer. Evenmin is de rechter verplicht de parameters te vermelden waaruit zou kunnen worden afgeleid in welk geval de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn wel zeer zwaarwichtig zou zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in zijn appelconclusie enkel heeft aangevoerd dat de door hem geschetste overschrijding van de redelijke termijn zeer zwaarwichtig was, maar dat hij daartoe geen specifiek en concreet verweer heeft gevoerd. Met het oordeel dat de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet zeer zwaarwichtig is, beantwoorden en verwerpen de appelrechters het andersluidend standpunt van de eiser, zonder dat ze die beslissing nader met redenen dienden te omkleden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251112.2F.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251231.2F.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.