id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.12 Rolnummer: P.25.0219.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2025-02-21 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-06-15 10:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 juli 2008, nr. C-66/08 volgt dat zelfs als aan de beide voorwaarden van artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is voldaan, het onderzoeksgerecht niet verplicht is om de bedoelde weigeringsgrond toe te passen en de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren, zodat het onderzoeksgerecht kan oordelen dat de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd; hieruit volgt dat zelfs al stelt het onderzoeksgerecht vast dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd een Belg is, het de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel niettemin kan toestaan indien het van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende staat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende staat niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd
(1).
(1)HvJ 17 juli 2008, nr. C-66/08, Szymon Kozlowski, www.curia.europa.eu; Cass. 31 maart 2020, AR P.20.0350.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200331.2N.10, AR P.20.0350.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200331.2N.10, AC 2020, nr. 221; Cass. 27 februari 2018, AR P.18.0186.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.8, AC 2018, nr. 132; Cass. 1 december 2015, AR P.15.1501.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.7, AC 2015, nr.
- Zie ook H. SANDERS, Handboek Overleveringsrecht, Intersentia, 2011, 196; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Mechelen, 2013, nr. 216-217, p. 115-116 en S. DEWULF, Overlevering, in APR, Mechelen Kluwer 2020, nr. 132, p. 117-
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging gevraagd aan België - EAB ter fine van strafuitvoering - Facultatieve weigeringsgrond - Artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Geen verplichting voor het onderzoeksgerecht - Beoordeling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 4.6 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel - Artikel 4.6 - Tenuitvoerlegging gevraagd aan België - EAB ter fine van strafuitvoering - Facultatieve weigeringsgrond - Geen verplichting voor het onderzoeksgerecht - Beoordeling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 4.6 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging gevraagd aan België - EAB ter fine van strafuitvoering - Facultatieve weigeringsgrond - Artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Geen verplichting voor het onderzoeksgerecht - Beoordeling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 4.6 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0219.N T. M., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Johan Vangenechten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 februari 2025 (nr. K/215/25). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6, 4°, en 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds stelt het vast dat de eiser aan België diende te worden overgeleverd met het oog op de strafuitvoering van een veroordeling in België, maar anderzijds oordeelt het dat hij geen duurzame binding met België heeft; voor de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten door de strafuitvoeringsrechtbank zal hij hoe dan ook een reclassering in België moeten uitwerken; bovendien is het arrest niet afdoende gemotiveerd; om voor een Belg tot de afwezigheid van een duurzame band met België te besluiten, volstaat het niet dat de betrokkene enkele jaren onvindbaar en geschrapt was; de eiser was gedurende meer dan veertig jaren wel in België ingeschreven, zijn familie woont in België en hij is in België zowel reeds definitief veroordeeld als nog onder dreiging van een hangende zaak.
- Een motivering is tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen. Dat is niet het geval met de door het middel bekritiseerde redenen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, kan weigeren indien de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en die lidstaat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.
- Artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel heeft in de Belgische rechtsorde dezelfde strekking en bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval dat bevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of een veiligheidsmaatregel en de betrokkene Belg of ingezetene is of in België verblijft en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf of die veiligheidsmaatregel overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen.
- Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 juli 2008, nr. C-66/08 (Szymon Kozlowski), volgt dat zelfs als aan de beide voorwaarden van artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is voldaan, het onderzoeksgerecht niet verplicht is om de bedoelde weigeringsgrond toe te passen en de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren. Het onderzoeksgerecht kan oordelen dat de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd.
- Uit het voorgaande volgt dat zelfs al stelt het onderzoeksgerecht vast dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd een Belg is, het de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel niettemin kan toestaan indien het van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende staat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende staat niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 7-8) oordeelt: “[De eiser] heeft weliswaar de Belgische nationaliteit, doch heeft naar het oordeel van het hof (van beroep) geen duurzame binding met het Rijk. [De eiser] werd op 29 april 2016 ambtshalve geschrapt en was jarenlang onvindbaar voor de administratieve en politionele overheden. Hij diende te worden uitgeleverd vanuit Duitsland met het oog op strafuitvoering van een vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 8 december
- Het is maar na zijn overlevering aan België door Duitsland dat hij opnieuw werd ingeschreven in het rijksregister. Zijn huidige inschrijvingsadres betreft bovendien een referentieadres van het OCMW. Er is evenmin sprake van tewerkstelling of een vorm van dagbesteding die zijn verankering binnen de Belgische maatschappij zou kunnen staven. Op basis van alle regelmatig voorgelegde gegevens is er geen aanleiding om aan te nemen dat zijn familiale en socio-economische bindingen met België van die aard zijn dat hij op een duurzame wijze in de Belgische samenleving is verankerd. Het tegendeel wordt door [de eiser] voor het hof (van beroep) niet concreet aannemelijk gemaakt. Het hof (van beroep) ziet dan ook geen reden om de verbintenis op zich te nemen de buitenlandse straf zelf ten uitvoer te leggen conform het Belgische nationale recht en derhalve de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6, 4°, wet EAB toe te passen.” Aldus geeft het arrest te kennen dat de tenuitvoerlegging in België van de door Nederland opgelegde straf niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd.
- Het arrest verantwoordt bijgevolg naar recht de afwijzing van de door artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde weigeringsgrond en het bevelen van de tenuitvoerlegging van het door de bevoegde Nederlandse rechterlijke autoriteit uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafuitvoering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest stelt vast dat het Europees aanhoudingsbevel van 14 september 2020 dat werd uitgevaardigd met het oog op eisers vervolging, zonder voorwerp is geworden na tussenkomst van het Europees aanhoudingsbevel van 15 januari 2025 dat werd uitgevaardigd met het oog op eisers strafuitvoering; uit het bericht van de Duitse autoriteiten volgt nochtans dat Duitsland als uitvoerende lidstaat de eiser enkel heeft overgeleverd voor het vervangen Europees aanhoudingsbevel van 14 september 2020; uit geen enkel stuk blijkt dat aan de Duitse rechterlijke autoriteit ook toestemming werd gevraagd voor het vervangend Europees aanhoudingsbevel van 15 januari 2025; bijgevolg is eisers overlevering in strijd met het specialiteitsbeginsel waarop hij zich heeft beroepen en kan het arrest het Europees aanhoudingsbevel van 15 januari 2025 niet wettig uitvoerbaar verklaren.
- Uit het arrest noch uit de overige stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de Duitse rechterlijke autoriteit de eiser enkel heeft overgeleverd met het oog op vervolging op basis van het Europees aanhoudingsbevel van 14 september
- In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200331.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div