← België

M. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.20 Rolnummer: P.24.0736.N Zaak: M. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-02-21 Raadplegingen: 497 - laatst gezien 2026-06-15 10:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche De listige kunstgreep, als constitutief bestanddeel van het misdrijf oplichting, kan erin bestaan bedrieglijk een overeenkomst te sluiten, waarmee het slachtoffer in vertrouwen een volmacht op haar rekeningen verleent, en deze in vertrouwen gegeven volmacht vervolgens te misbruiken door zichzelf niet in die overeenkomst afgesproken vergoedingen uit te keren

(1).
(1)Cass. 24 oktober 2006, AR P.06.0960.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.8, AC 2006, nr. 510. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Aanwending van bedrieglijke middelen om zich een zaak te doen afgeven - Listige kunstgreep - Volmacht op bankrekening van een derde - Misbruik van de volmacht - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0736.N 1. D. M., beklaagde, eiser, 2. C. F. A. nv, beklaagde, eiseres, beiden met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent, tegen C. V., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 18 april 2024. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. De eiser is voor de hem ten laste gelegde feiten B.1, B.2, B.4 (vereenzelvigd met B.3), C.1.a (waarin vervat C.1.g), C.1.d (enkel wat betreft de overschrijvingen ten belope van 14.964,20 euro en 15.501,60 euro), C.1.e en D vrijgesproken. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. De eiseres is voor de haar ten laste gelegde feiten B.1, B.2, B.4 (vereenzelvigd met B.3), C.1.a (waarin vervat C.1.g), C.1.b, C.1.c, C.1.d, C.1.e en C.2 vrijgesproken. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is het cassatieberoep van de eiseres bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel 3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, alsook miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters veroordelen de eisers ten onrechte voor de feiten van de heromschreven telastlegging C.1; zij werden niet vooraf van de mogelijkheid van deze heromschrijving verwittigd en hebben zich hiertegen niet kunnen verdedigen; tijdens de procedure in eerste aanleg, noch in de uitgewisselde appelconclusies kwam deze heromschrijving aan bod; dit blijkt ook niet uit de processen-verbaal van terechtzitting van de voor- en namiddag van de rechtszitting van 29 februari 2024; uit het proces-verbaal van rechtszitting van de voormiddag blijkt enkel dat het openbaar ministerie tijdens het debat heeft opgeworpen dat de telastlegging C.1 mogelijk anders zou worden omschreven, meer in het bijzonder dat “de listige kunstgreep in C.1 bestaat uit het aanwenden van een valse hoedanigheid”; dit is een ander bedrieglijk middel dan datgene dat uiteindelijk deel uitmaakte van de kwalificatie van de bewezen verklaarde telastlegging C.1. 4. Waar artikel 6.1 EVRM voorziet in het recht op een eerlijk proces, bepaalt artikel 6.3.a EVRM, als onderdeel van het recht van verdediging, dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging. Deze bepaling bedoelt met “de redenen” de ten laste gelegde feiten en met “de aard” de juridische kwalificatie van de feiten. 5. Die bepalingen beletten niet dat de informatie over het aan een beklaagde ten laste gelegde feit, in zoverre zij niet als dusdanig is opgenomen in de akte van aanhangigmaking, kan blijken uit de stukken van het strafdossier waarop de beschuldiging steunt of uit conclusies of bijkomende informatie van de partijen waaronder het openbaar ministerie, waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen. 6. Indien de rechter de omschrijving van een telastlegging wijzigt, is een voorafgaande verwittiging van de beklaagde vereist, zodat hij weet waarover hij zich moet verdedigen. 7. Die verwittiging kan voortvloeien uit een door de burgerlijke partij gevoerd verweer in een conclusie die werd meegedeeld aan de beklaagden. 8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. In de verwijzingsbeschikking van de raadkamer werden de telastleggingen C.1.b, C.1.c, C.1.d en C.1.f omschreven als volgt: “C. oplichting Met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoorde, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen te hebben doen afgeven of leveren, hetzij door het gebruik maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid, namelijk: C.1. in de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 april 2012 door [de eiser], …, [de eiseres], om zich namelijk geldbedragen te hebben laten afgeven, ten nadele van J.B. [V.] en [D.F.], zonder hun medeweten en door misbruik van valse handtekeningen, meer bepaald a. (…) b. tussen 27.09.2008 en 18.11.2008 drie betalingen voor een totaal van [EUR] 159.134,- over geschreven van een rekening Credit Suisse Geneve op naam van [V.], naar [de eiser]; c. tussen 27.02.2009 en 21.11.2011 meerdere betalingen voor een totaal van EUR 225.050,- over geschreven van een rekening Credit Suisse Geneve naar een rekening van [V. F.]; d. tussen 25.07.2008 en 21.12.2011 zes betalingen voor een totaal van EUR 81.465,80 over geschreven van een rekening Credit Suisse Geneve naar onbekende begunstigden; e. (…) f. tussen 10.12.2012 en 10.04.2012 vier betalingen voor een totaal van EUR 48.000,- over geschreven van een rekening bij Mirabaud & Cie naar een rekening van [de eiseres]; g. (…)” 10. Het beroepen vonnis veroordeelde de eisers onder meer voor deze ten laste gelegde feiten onder hun oorspronkelijke omschrijving. 11. Uit de door de verweerster in de ter griffie neergelegde tweede appelconclusie (p. 37, nr. 5.25) blijkt dat zij onder meer het volgende verweer voerde met betrekking tot de telastleggingen C.1.b, C.1.c, C.1.d en C.1.f: “(…) Dat het OM zich in zijn eindvordering zou beperkt hebben tot misbruik van valse handtekeningen van wijlen [V.] als listige kunstgreep, betekent niet dat er door de beklaagden geen andere listige kunstgrepen ten aanzien van wijlen de heer [V.] werden gehanteerd teneinde hem op te lichten. Listige kunstgrepen kunnen ook worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die aanleiding hebben gegeven tot de afgifte van de sommen. Het gaat in casu over het opzetten van een gans systeem met het oog op het verkrijgen van vergoedingen voor vermeende prestaties van financiële dienstverlening terwijl deze prestaties niet geleverd werden.” 12. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 29 februari 2024 (voormiddag) blijkt dat het openbaar ministerie heeft opgeworpen dat “de listige kunstgreep in C.1 bestaat uit het aanwenden van een valse hoedanigheid”. Deze rechtszitting werd voortgezet in de namiddag. 13. Het arrest (p. 29, nrs. 6.2 en 6.3.1) oordeelt over de heromschrijving van de telastlegging C.1 als volgt: “6.2. Onder de telastlegging C1 wordt de beklaagden verweten ‘zich geldbedragen te hebben laten afgeven, ten nadele van [J.-B.[.] V.] en [D. F.], zonder hun medeweten en door misbruik van valse handtekeningen’. De beklaagden werpen op dat geen misbruik werd gemaakt van valse handtekeningen en bijgevolg het bedrieglijk middel voor het misdrijf oplichting niet voorhanden is. Thans wordt door het openbaar ministerie (en de burgerlijke partij) gesteld dat de listige kunstgreep waarvan sprake onder de telastlegging C1 moet worden heromschreven, zoals hierna bepaald. 6.3.1. Inzake oplichting mag de strafrechter, bij wijze van heromschrijving, de listige kunstgreep nader beschrijven of vervangen, mits de bedoelde materiële gedraging geen substitutie ondergaat en na deze wijziging de aldus omschreven oplichting betrekking heeft op dezelfde concrete daad als de in de inleidende akte bedoelde oplichting. Het hof [van beroep] volgt het standpunt van het openbaar ministerie (en de burgerlijke partij) dat in dit geval de listige kunstgreep erin bestaat dat de afgifte van de gelden gebeurde in uitvoering van (een) overeenkomst(
  1. en)die [J.-B. V.], gelet op de concrete omstandigheden in werkelijkheid nooit had willen uitvoeren en waarbij [de eiser] bovendien misbruik maakte van zijn vertrouwenswekkende positie als fondsenbeheerder om zich naar eigen goeddunken van het vermogen van [J.-B. V.] te bedienen. Door deze heromschrijving worden dezelfde feiten bedoeld als in de oorspronkelijke telastlegging C.1. Zij maakte het voorwerp uit van het debat ten gronde en de beklaagden hebben daarover verweer kunnen voeren.” Het arrest (p. 40) heromschrijft vervolgens de listige kunstgreep, waarvan sprake in de telastlegging C.1, als volgt: “door gebruik te maken van (een) overeenkomst(
  2. en)die [J.-B. V.], gelet op de concrete omstandigheden, in werkelijkheid nooit had willen uitvoeren en waarbij [de eiser] bovendien zijn vertrouwenwekkende positie als fondsenbeheerder heeft aangewend om zich naar eigen goeddunken van het vermogen van [J.-B. V.] te bedienen.” 14. Met die redenen oordelen de appelrechters wettig dat de eisers, met het door de verweerster in appelconclusie gevoerde verweer, voorafgaandelijk werden verwittigd van de mogelijkheid van een heromschrijving van de telastlegging C.1, in die zin dat de oplichtingen niet werden gerealiseerd door gebruik te maken van valse handtekeningen maar door listige kunstgrepen, zoals vermeld in hun heromschrijving van deze telastlegging. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en derde onderdeel 15. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 496 Strafwetboek: de appelrechters stellen, eensdeels, vast dat de afgifte van de gelden zou zijn gebeurd door de listige kunstgreep die zou bestaan uit “(een) overeenkomst(
  3. en)die [J.-B. V.], gelet op de concrete omstandigheden, in werkelijkheid nooit had willen uitvoeren en waarbij [de eiser] bovendien misbruik maakte van zijn vertrouwenwekkende positie als fondsenbeheerder” maar stelt, anderdeels, ook dat de eiser de verweerster bewust onwetend hield doordat “[hij] de facturen rechtstreeks overmaakte aan de betrokken financiële instellingen die vervolgens de gelden op zijn rekening of deze van [V.F. sa] – waarvan hij de economische begunstigde was – stortten, zonder dat zelfs een kopie van deze facturen door [de eiser] naar de betrokken klanten werd overgemaakt”; dit terwijl oplichting vereist dat er sprake is van (
  4. i)misleidende middelen die uitgaan van de beklaagde, (
  5. ii)die plaatsgrijpen ten aanzien van het slachtoffer en (iii) met als gevolg dat deze laatste overgaat tot afgifte (tweede onderdeel); met deze redenen leiden de appelrechters gevolgen af uit de door hen gedane vaststellingen die daarmee onverenigbaar zijn en motiveren zij niet naar recht (derde onderdeel). 16. Een onjuiste motivering levert mogelijks een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet. Uit het enkele feit dat een partij het oneens is met de gevolgen die een rechter uit zijn vaststellingen afleidt, volgt niet dat de motiveringsplicht is miskend. 17. Het wanbedrijf oplichting, bedoeld in artikel 496 Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, vereist van de dader het oogmerk om zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen en de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe, gevolgd door een afgifte of een levering van de zaak. Dit vereist niet dat de alzo verkregen zaak door het slachtoffer zelf van de oplichting aan de oplichter werd afgegeven. 18. De onderdelen die uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen naar recht. Tweede middel 19. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 496 Strafwetboek: de appelrechters oordelen over de telastlegging C.2 ten onrechte dat “de listige kunstgreep erin [bestaat] dat [de eiser] misbruik maakte van een volmacht om zich naar eigen goeddunken van het vermogen van [F.A.] te bedienen”; zij stellen daarbij echter niet vast dat er sprake was van begeleidende, uitwendige handelingen die het vertrouwen van het slachtoffer hadden gewekt, terwijl dit nodig is bij misbruik van een volmacht als listige kunstgreep van een oplichting (eerste onderdeel); het arrest is hierdoor niet regelmatig gemotiveerd (tweede onderdeel). 20. Een onjuiste motivering levert mogelijks een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet. Uit het enkele feit dat een partij het oneens is met de gevolgen die een rechter uit zijn vaststellingen afleidt, volgt niet dat de motiveringsplicht is miskend. 21. De listige kunstgreep, als constitutief bestanddeel van het misdrijf oplichting, kan erin bestaan bedrieglijk een overeenkomst te sluiten, waarmee het slachtoffer in vertrouwen een volmacht op haar rekeningen verleent, en deze in vertrouwen gegeven volmacht vervolgens te misbruiken door zichzelf niet in die overeenkomst afgesproken vergoedingen uit te keren. 22. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 23. Het arrest (p. 31-32, nrs. 7.1-7.3) oordeelt over de schuld van de eiser aan de telastlegging C.2 als volgt: - onder de telastlegging C.2 wordt de eiser verweten zich meermaals ten nadele van F.A. vergoedingen (“management fees”) te hebben toegekend door misbruik te maken van een volmacht; - op 26 november 2007 werd tussen de eiser en F.A. een overeenkomst (“Procuration”) gesloten; - uit deze akte, die in het Frans is opgesteld, blijkt dat aan de eiser het mandaat werd verleend tot het beheer van een rekening inzake aandelenfondsen; - nergens in die akte wordt verwezen naar het feit dat de eiser recht heeft op managementvergoedingen; - uit het bankonderzoek is gebleken dat managementvergoedingen werden betaald met tegoeden van twee Zwitserse bankrekeningen op naam van F.A.; - zij verklaarde hiervan niet op de hoogte te zijn geweest; - de begunstigde werd op de transacties niet vermeld, maar volgens de juridische dienst van de betrokken financiële instelling konden de overschrijvingen enkel ten gunste van de eiser zijn gebeurd; - de volmacht op een beleggersrekening van F.A. liet de eiser niet toe zichzelf managementvergoedingen uit te keren; - zelfs indien er sprake was van een “Agreement of Representation” tussen F.A. en de eiser, zoals door die laatste wordt voorgehouden, kan worden verwezen naar wat onder punt 6.3.2 van het arrest wordt gesteld; - in dit geval bestaat de listige kunstgreep erin dat de eiser misbruik maakte van een volmacht om zich naar eigen goeddunken van het vermogen van F.A. te bedienen. Onder randnummer 6.3.2 stelt het arrest vast dat getuigen, waaronder F.A., verklaarden geen kennis te hebben van door de eiser overgeschreven bedragen, waarvan de eiser geenszins aannemelijk maakt dat zij beantwoordden aan normale commissielonen, en dat deze getuigen veronderstelden dat de eiser werd vergoed met de beheerskosten die zij aan de banken betaalden. 24. Met het geheel van deze redenen oordelen de appelrechters wettig dat de eiser listige kunstgrepen aanwendde als constitutief bestanddeel van het ten aanzien van hem bewezen verklaarde misdrijf oplichting. In zoverre kan het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel 25. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters verklaren ten aanzien van de eiser een som van 483.183,00 euro verbeurd op grond van de heromschreven telastleggingen C.1.b, C.1.c, C.1.d (deels) en C.1.f, terwijl niet uit de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, die werd geïntegreerd in de eindvordering, blijkt dat die facultatieve straf op grond van deze telastleggingen werd gevorderd (eerste onderdeel); de partijen werden ook niet uitgenodigd om hierover standpunt in te nemen (tweede onderdeel) en hierdoor geven de appelrechters ook een betekenis aan deze schriftelijke vordering die ze niet toekomt (derde onderdeel). 26. Het arrest veroordeelt de eiseres niet tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen. In zoverre is het middel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 27. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen. 28. Het arrest (p. 36, nr. 9.2.5) stelt dat het “de door [de eiser] wegens de bewezen telastleggingen C.1.b, C.1.c, C.1.d (deels) en C.1.f wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen [raamt] op een totaalbedrag van 483.184,00 euro”. Daarmee verwijst het niet naar de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 29. Voor het overige blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de eiser de met het middel aangevoerde miskenning van zijn recht van verdediging en de daaruit afgeleide schending van de artikelen 42, 3° en 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek heeft aangevoerd voor de appelrechters hoewel hij dat kon doen. Hij kan die miskenning en de daaruit afgeleide wetsschending niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. In zoverre is het middel nieuw en niet ontvankelijk. Vierde middel 30. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 162bis, eerste lid, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1, tweede lid, KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding: de appelrechters veroordelen ten onrechte zowel de eiser als de eiseres tot betaling van aparte en van elkaar losstaande rechtsplegingsvergoedingen aan de verweerster, met wie zij zich nochtans in eenzelfde gerechtelijke band bevinden; zij konden de eisers slechts veroordelen tot betaling van één rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster, pro rata te verdelen tussen de eiser en de eiseres (eerste onderdeel); de appelrechters veroordelen, de eiser en de eiseres, enerzijds, hoofdelijk tot betaling van een schadevergoeding aan de verweerster en, anderzijds, tot betaling van aparte rechtsplegingsvergoedingen aan de verweerster; hierdoor motiveren zij tegenstrijdig (tweede onderdeel). 31. Uit artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering volgt dat wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van een burgerlijke partij, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij, ook al zijn de beklaagden hoofdelijk gehouden tot vergoeding van dezelfde schade. 32. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 33. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten op 189,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.20 Gerelateerde publicatie(
  6. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.