id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Hof van assisen - Preliminaire zitting - Tijdig opwerpen van nietigheden en gronden van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn als grond van verval - Geen vaststelling van de zeer zwaarwichtige miskenning - Gevolg voor de strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Hof van assisen - Tijdig opwerpen van nietigheden en gronden van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn als grond van verval - Geen vaststelling van de zeer zwaarwichtige miskenning - Gevolg voor de strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 4 - 7 Indien het arrest van veroordeling van het hof van assisen met betrekking tot de straftoemeting oordeelt dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, geeft het hof van assisen daarmee hoe dan ook te kennen dat er geen reden is tot het uitspreken van het verval van de strafvordering wegens een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn; het middel over het verval van de strafvordering wegens een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn dat alleen is gericht tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen geveld na de preliminaire zitting derhalve niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Vrije woorden: Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Middel in cassatie over de redelijke termijn alleen gericht tegen het arrest over de preliminaire zitting dat de strafvordering niet vervallen verklaart - Belang van de eiser in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Hof van assisen - Eindarrest - Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Middel in cassatie over de redelijke termijn alleen gericht tegen het arrest over de preliminaire zitting dat de strafvordering niet vervallen verklaart - Belang van de eiser in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Hof van assisen - Eindarrest - Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Belang van de eiser in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: Hof van assisen - Eindarrest - Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Middel in cassatie over de redelijke termijn alleen gericht tegen het arrest over de preliminaire zitting dat de strafvordering niet vervallen verklaart - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1506.N I-II-III J. A., beschuldigde, eiseres, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg van 10 september 2024, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 16 oktober 2024 over de schuld (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 17 oktober 2024 over de straf (hierna arrest III). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 10 februari 2025 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 25 februari 2025 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, verantwoordt het arrest I niet naar recht de beslissing dat de strafvordering niet vervallen moet worden verklaard; immers beoordeelt de voorzitter van het hof van assisen in het arrest I de eventuele zeer zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn niet individueel ten aanzien van de eiseres afzonderlijk, maar houdt hij hierbij ook rekening met de houding van de medebeschuldigde C.; het arrest I kon bij het oordeel over een eventuele zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn evenmin rekening houden met de omstandigheid dat het proces eerlijk is gevoerd en de bewijsvoering en het recht van verdediging niet zijn aangetast; dit laatste betreft immers de ontvankelijkheid van de strafvordering, wat moet worden onderscheiden van het verval van de strafvordering; het arrest I kon ook niet wettig oordelen dat er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, gelet op de tijd die is verstreken sinds het ogenblik waarop de eiseres kennis had van de haar ten laste gelegde feiten, de perioden van bijzonder weinig activiteit in de eerste helft van 2022, de bijzonder lange duurtijden van bepaalde deskundigenonderzoeken, een periode van stilstand sinds de eerste mededeling van het dossier op 27 juni 2022 en de eindvordering van het openbaar ministerie van 16 november 2022, alsook de periode sinds de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling op 2 november 2023 tot de aanvang van de behandeling van de zaak op 4 oktober
- Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, miskent het arrest I de motiveringsplicht; het arrest I antwoordt niet op de door de eiseres in haar conclusie opgeworpen periodes van lange inactiviteit of onverantwoorde stilstand na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek.
- De rechter die oordeelt dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn niet overschrijdt, geeft hierdoor noodzakelijk ook te kennen dat er geen reden is tot het uitspreken van het verval van de strafvordering bij toepassing van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wegens een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn.
- Het arrest III (p. 7, eerste alinea) oordeelt met betrekking tot de straftoemeting “dat er [geen] sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn” omdat er “geen periodes van onredelijke stilstand (zijn) tijdens het gerechtelijk onderzoek, noch na afsluiting van dit gerechtelijk onderzoek”. Met dit oordeel, waartegen de eiseres niet opkomt, geeft het hof van assisen met het arrest III hoe dan ook te kennen dat er geen reden is tot het uitspreken van het verval van de strafvordering wegens een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn. Het middel tegen het arrest I kan derhalve niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: door te oordelen dat de speurders het vermoeden van onschuld van de eiseres niet hebben miskend en door bijgevolg niet in te gaan op het verzoek van de eiseres tot het weren van de desbetreffende bewijsgegevens uit het dossier, verantwoordt het arrest I niet naar recht het oordeel dat er geen sprake is van enige schending van het recht van verdediging of van het recht op een eerlijk proces, noch van enige onregelmatigheid, verzuim, nietigheid of grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering; het arrest I kon niet wettig oordelen dat de speurders, en in het bijzonder verbalisant P., het vermoeden van onschuld niet hebben miskend, met name blijkens het proces-verbaal van verhoor van 25 juni 2019, waaruit blijkt dat de speurders duidelijk zijn uitgegaan van de schuld van de eiseres en aldus blijk geven van vooringenomenheid; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de raadsman van de eiseres bij dit verhoor aanwezig was, dat er een mogelijkheid was tot voorafgaand vertrouwelijk overleg en dat de eiseres op haar rechten, waaronder het zwijgrecht, werd gewezen, noch door de omstandigheid dat de raadsman nooit is tussengekomen bij noch opmerkingen heeft gemaakt na dit verhoor, noch door de omstandigheid dat de onderzoeksrechter nooit werd gewraakt.
- Het arrest I verwerpt het verweer van de eiseres dat de verbalisant bij het proces-verbaal van verhoor van 25 juni 2019 blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid niet louter op de omstandigheid dat de raadsman van de eiseres bij dit verhoor aanwezig was, dat er een mogelijkheid was tot voorafgaand vertrouwelijk overleg en dat de eiseres op haar rechten, waaronder het zwijgrecht, werd gewezen, noch op de omstandigheid dat de raadsman nooit is tussengekomen bij noch opmerkingen heeft gemaakt na dit verhoor, noch op de omstandigheid dat de onderzoeksrechter nooit werd gewraakt. Het oordeelt immers ook (arrest I, p. 6-7) dat: - wat betreft de vermeende miskenning van het vermoeden van onschuld door de speurders, dient te worden opgemerkt dat het tot de taak van de speurders behoort om een verdachte, desgevallend op een kritische wijze, te confronteren met de resultaten van het onderzoek, teneinde aan deze verdachte de mogelijkheid te geven om hierover tegenspraak te voeren. Het voorleggen van de mogelijk bezwarende elementen die het onderzoek zou hebben opgeleverd ten aanzien van een verdachte, kadert ontegensprekelijk in het respecteren van het recht van verdediging van deze verdachte; - het loutere feit dat een speurder zich tijdens een verhoor kritisch heeft uitgelaten met betrekking tot de verklaringen van een verdachte, of dat een speurder eenmalig een persoonlijk standpunt heeft vertolkt met betrekking tot de mogelijke betrokkenheid van een verdachte bij de feiten, op zich onvoldoende is om te besluiten tot een manifeste miskenning van het vermoeden van onschuld. Het middel dat die laatste redenen niet in de kritiek betrekt, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 223,92 euro, waarvan op het cassatieberoep I en II elk 73,64 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep III 76,84 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div