id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.16 Rolnummer: P.24.0635.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 728 - laatst gezien 2026-06-17 15:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Het door artikel 33 Wegverkeerswet bedoelde vluchtmisdrijf vereist onder meer dat de dader weet dat hij zelf oorzaak van dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest en de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is
(1); de bewezenverklaring van een vluchtmisdrijf vereist niet dat de dader ervan verantwoordelijk is voor het verkeersongeval waarbij hij de vlucht neemt, noch dat hij als de oorzaak van het verkeersongeval moet worden beschouwd of hierbij foutief of nalatig heeft gehandeld; het volstaat immers dat de dader weet dat hij aanleiding tot het verkeersongeval is geweest
(2).
(1)Cass. 17 maart 1981, AC 1980-81, nr. 410; Cass. 24 maart 1964, Pas. 1964, I, 811; P. ARNOU en M. DE BUSSCHER, Misdrijven en sancties in de Wegverkeerswet, Kluwer, 1999, 159-160; M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Straf. 2013, 7-8.
(2)Over de bestanddelen van art. 33 Wegverkeerswet zie ook Cass. 31 januari 2024, AR P.23.1048.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240131.2F.5; Cass. 22 februari 2022, AR P.21.1612.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.16, NC 2022, 476; Cass. 8 april 2004, AR P.13.1610, AC 2004, nr.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 33 - Artikel 33.1 Vrije woorden: Vluchtmisdrijf - Bestanddelen van een misdrijf - Voorwaarde van het weten van de dader dat hij de oorzaak dan wel aanleiding tot een verkeersongeval was - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 33 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 2 - 4 Uit de loutere omstandigheid dat de bestuurder van een voertuig definitief werd vrijgesproken van het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen aan het slachtoffer van een verkeersongeval omdat niet bewezen is dat hij naar aanleiding van dat ongeval een fout of nalatigheid heeft begaan, kan niet worden afgeleid dat die bestuurder niet schuldig kan worden verklaard aan het in artikel 33, § 2, Wegverkeerswet bedoelde vluchtmisdrijf; de rechter miskent dan ook niet het gezag van gewijsde van de voormelde vrijspraak wanneer hij die bestuurder veroordeelt wegens vluchtmisdrijf naar aanleiding van een ongeval dat voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg heeft gehad, wanneer hij oordeelt dat die bestuurder, wetend dat zijn voertuig aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht heeft genomen om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, ook al is het ongeval niet aan zijn schuld te wijten. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 33 - Artikel 33.2 Vrije woorden: Vluchtmisdrijf - Bestanddelen van een misdrijf - Voorwaarde van het weten van de dader dat hij de oorzaak dan wel aanleiding tot een verkeersongeval was - Vrijspraak wegens onopzettelijke slagen en verwondingen aan het slachtoffer van een verkeersongeval - Gevolg voor de beoordeling van schuld aan het vluchtmisdrijf - Gezag van gewijsde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 33 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Verkeersongeval - Vluchtmisdrijf - Bestanddelen van het misdrijf - Voorwaarde van het weten van de dader dat hij de oorzaak dan wel aanleiding tot een verkeersongeval was - Vrijspraak wegens onopzettelijke slagen en verwondingen aan het slachtoffer van een verkeersongeval - Gevolg voor de beoordeling van schuld aan het vluchtmisdrijf - Gezag van gewijsde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 33 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Verkeersongeval - Vluchtmisdrijf - Bestanddelen van het misdrijf - Voorwaarde van het weten van de dader dat hij de oorzaak dan wel aanleiding tot een verkeersongeval was - Vrijspraak wegens onopzettelijke slagen en verwondingen aan het slachtoffer van een verkeersongeval - Gevolg voor de beoordeling van schuld aan het vluchtmisdrijf - Gezag van gewijsde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 33 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0635.N
- J. V. K., beklaagde,
- CULINOR nv, met zetel te 9070 Destelbergen, Houtstraat 46, ON 0432.833.301, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Sammy Bouzoumita, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 210 Wetboek van Strafvordering en artikel 33, § 1, Wegverkeerswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken: met het oordeel dat de eiser 1 wist of behoorde te weten dat zijn voertuig oorzaak dan wel aanleiding is geweest van een aanrijding op de openbare weg en hij derhalve ter plaatse diende te blijven, zelfs indien hij in de overtuiging was dat het ongeval niet aan zijn schuld te wijten was, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat de eiser 1 zich schuldig heeft gemaakt aan vluchtmisdrijf (telastlegging C); de eiser 1 werd in het beroepen vonnis, waartegen het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft aangetekend, definitief vrijgesproken wegens het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen aan de bromfietser (telastlegging A) en wegens het nalaten voorrang te verlenen bij een richtingsverandering (telastlegging B), waarbij de politierechtbank die vrijspraak verantwoordde omdat er geen aanrijding is gebeurd, niet met zekerheid kan worden besloten dat de eiser 1 zou hebben nagelaten voorrang te verlenen en bijgevolg evenmin dat hij een fout zou hebben begaan waardoor de verwondingen van de bromfietser werden veroorzaakt; de appelrechters miskennen aldus het gezag van het strafrechtelijk gewijsde van die vrijspraak; de appelrechters stellen ook niet vast dat het ongeval schade zou hebben veroorzaakt aan een derde, wat de appelrechters ook niet konden doen gelet op het voormelde oordeel van het beroepen vonnis.
- Artikel 210 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De appelrechters oordelen als volgt: - met de eerste rechter is ook de correctionele rechtbank van oordeel dat de telastlegging C ten aanzien van de eiser 1 bewezen is; - uit de strafinformatie en meer bepaald uit de politionele vaststellingen en de verklaringen van de bromfietser en de eiser 1 zelf is gebleken dat de bromfietser bruusk remde toen hij zag dat de eiser 1, als bestuurder van zijn voertuig VW Touran, rechtsaf wou slaan. De bromfietser kwam ten val en raakte gekwetst. Er ontstond een discussie tussen hem en de eiser 1 waarna die laatste wegreed zonder op enige wijze zijn identiteit kenbaar te maken of de politie te verwittigen of een Europees aanrijdingsformulier in te vullen; - in de gegeven omstandigheden wist of behoorde de eiser 1 te weten dat zijn voertuig oorzaak dan wel aanleiding is geweest van een aanrijding op de openbare weg. Hij diende derhalve ter plaatse te blijven, zelfs indien hij in de overtuiging was dat het ongeval niet aan zijn schuld te wijten was, teneinde de dienstige vaststellingen mogelijk te maken, zowel wat betreft zijn persoon, als wat betreft de feitelijke omstandigheden van de aanrijding. Door zulks niet te doen en zich zonder wettige reden van de plaats van de feiten te verwijderen zonder zich kenbaar te maken, hetzij de politie te verwittigen, heeft de eiser 1 zich schuldig gemaakt aan vluchtmisdrijf, wat een aflopend misdrijf is.
- Uit die redenen blijkt dat de appelrechters, in navolging van het standpunt van het beroepen vonnis, met de term “aanrijding” niet bedoelen dat er een fysiek contact is geweest tussen het door de eiser 1 bestuurde voertuig en de bromfietser, maar wel dat er sprake is geweest van een ongeval toen de bromfietser bruusk remde toen hij zag dat de eiser 1 met zijn voertuig rechtsaf wou slaan, waardoor hij ten val kwam. Het bestreden vonnis (p. 5, eerste en laatste alinea) oordeelt verder uitdrukkelijk dat de bromfietser hierbij ten val is gekomen en verwondingen heeft opgelopen. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters niet vaststellen dat het ongeval schade zou hebben veroorzaakt aan een derde, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Het door artikel 33 Wegverkeerswet bedoelde vluchtmisdrijf vereist onder meer dat de dader weet dat hij zelf oorzaak van dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest en de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is.
- De bewezenverklaring van een vluchtmisdrijf vereist niet dat de dader ervan verantwoordelijk is voor het verkeersongeval waarbij hij de vlucht neemt, noch dat hij als de oorzaak van het verkeersongeval moet worden beschouwd of hierbij foutief of nalatig heeft gehandeld. Het volstaat immers dat de dader weet dat hij aanleiding tot het verkeersongeval is geweest.
- Uit de loutere omstandigheid dat de bestuurder van een voertuig definitief werd vrijgesproken van het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen aan het slachtoffer van een verkeersongeval omdat niet bewezen is dat hij naar aanleiding van dat ongeval een fout of nalatigheid heeft begaan, kan niet worden afgeleid dat die bestuurder niet schuldig kan worden verklaard aan het in artikel 33, § 2, Wegverkeerswet bedoelde vluchtmisdrijf. De rechter miskent dan ook niet het gezag van gewijsde van de voormelde vrijspraak wanneer hij die bestuurder veroordeelt wegens vluchtmisdrijf naar aanleiding van een ongeval dat voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg heeft gehad, wanneer hij oordeelt dat die bestuurder, wetend dat zijn voertuig aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht heeft genomen om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, ook al is het ongeval niet aan zijn schuld te wijten.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, thans vijfde lid, en 210 Wetboek van Strafvordering en artikel 33, § 1, Wegverkeerswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken: met het oordeel dat de eiser 1 zich schuldig heeft gemaakt aan vluchtmisdrijf dat bij een ander verwondingen heeft veroorzaakt, verantwoorden de appelrechters de veroordeling van de eiser 1 tot een verval van het recht tot sturen voor een termijn van drie maanden niet naar recht; gelet op de definitieve vrijspraak door het beroepen vonnis wegens het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen, staat het vast dat er geen aanrijding is gebeurd in causaal verband met de mogelijke verwondingen bij het mogelijke slachtoffer, zodat de appelrechters niet wettig konden oordelen dat de aanrijding aan de bromfietser verwondingen heeft veroorzaakt; bovendien oordelen de appelrechters niet wettig dat er een verplicht verval van het recht tot sturen van ten minste drie maanden moet worden opgelegd, motiveren zij op geen enkele wijze de niet-verplichte herstelexamens en voldoen zij aldus niet aan de bijzondere motiveringsverplichting.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de met het eerste middel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en de vergeefs aangevoerde miskenning van het gezag van gewijsde, is het niet ontvankelijk.
- Bij toepassing van artikel 33, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet, op grond waarvan de eiser 1 in het bestreden vonnis wordt veroordeeld, moet de rechter bij de bewezenverklaring van een vluchtmisdrijf naar aanleiding van een ongeval dat voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg heeft gehad, als bijkomende straf de beklaagde veroordelen tot een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden. Bij toepassing van het derde lid van die bepaling is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor het theoretisch examen, het praktisch examen en het psychologisch onderzoek bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, Wegverkeerswet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140408.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240131.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div