Obsah (4)
Art. 42Art. 43bisArt. 505Art. 39id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, tweede, derde en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Toepassing van de wetsbepalingen over de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen - Grens Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, tweede, derde en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 14 - 16 Op grond van artikel 505, vijfde lid, Strafwetboek kan de rechter de verbeurdverklaring per equivalent van het voorwerp van een erin bedoeld witwasmisdrijf bevelen lastens meerdere daders die samen dat misdrijf hebben gepleegd
(1), in zoverre de tenuitvoerlegging van die verbeurdverklaring het totale witgewassen vermogensvoordeel niet overschrijdt; hieruit volgt dat artikel 39 Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf niet van toepassing zijn op deze verbeurdverklaring.
(1)Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0020.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4, RW 2023-24, 1263; Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Veroordeling wegens witwassen - Verbeurdverklaring per equivalent - Veroordeling van meerdere daders voor hetzelfde witwasmisdrijf - Bovengrens - Beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen - Grens Wettelijke bepalingen:
Art. 39
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN.
STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen - Veroordeling wegens witwassen - Verbeurdverklaring per equivalent - Bovengrens - Beoordeling Wettelijke bepalingen:
Art. 39
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Verbeurdverklaring per equivalent - Veroordeling van meerdere daders voor hetzelfde witwasmisdrijf - Bovengrens - Beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen - Grens Wettelijke bepalingen:
Art. 39
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 17 - 19 Noch artikel 505, vijfde lid, Strafwetboek, noch enige andere bepaling of enig ander algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter die het bedrag van de verbeurdverklaring vermindert teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen, om die vermindering louter af te wegen tegen het persoonlijk aandeel van de veroordeelde in de bewezen verklaarde witwasmisdrijven; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar; hij kan daarbij onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling moet betrekken
(1); niet vereist is dat de rechter cijfermatig per veroordeelde en per bewezen verklaard feit motiveert waarom en in welke mate hij de lastens die veroordeelde bevolen verbeurdverklaring vermindert; de rechter kan de opgelegde verbeurdverklaring eveneens verminderen op een forfaitaire wijze die leidt tot eenzelfde verbeurdverklaard bedrag lastens elk van de veroordeelden; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(2).
(1)Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0020.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4; Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0439.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.7; Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0083.N, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2, AC 2018, nr. 176.
(2)Over de verbeurdverklaring bij equivalent, en de raming van het illegaal vermogen, in geval van witwassen zie ook Cass. 31 december 2024, AR P.24.0883.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.21; Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0020.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4; Cass. 10 mei 2023, AR P.21.0876.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230510.2F.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, T. Strafr. 2024, 87 noot M. WALGRAEVE; Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0439.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.7; Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0083.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2, AC 2018, nr. 176. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Veroordeling bij equivalent - Veroordeling van meerdere daders voor hetzelfde witwasmisdrijf - Verbod van een onredelijk zware straf - Criteria voor de vermindering van het bedrag van de verbeurdverklaring - Forfaitaire vermindering - Beoordeling - Wettigheidscontrole op de motieven door het Hof Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Verbeurdverklaring - Veroordeling bij equivalent - Veroordeling van meerdere daders voor hetzelfde witwasmisdrijf - Verbod van een onredelijk zware straf - Criteria voor de vermindering van het bedrag van de verbeurdverklaring - Forfaitaire vermindering - Beoordeling - Wettigheidscontrole op de motieven door het Hof Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Veroordeling bij equivalent - Veroordeling van meerdere daders voor hetzelfde witwasmisdrijf - Verbod van een onredelijk zware straf - Criteria voor de vermindering van het bedrag van de verbeurdverklaring - Forfaitaire vermindering - Beoordeling - Wettigheidscontrole op de motieven door het Hof Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 20 - 21 Overeenkomstig artikel 358, § 1, 3°, WIB92, zoals van toepassing, mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bepaalde termijn is verstreken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld; het begrip rechtsvordering in die bepaling heeft een autonome draagwijdte en valt niet samen met de vordering tot het instellen van de strafvordering voor de rechter of met het begrip rechtsvordering in andere fiscale bepalingen; het openen van een opsporingsonderzoek door het openbaar ministerie valt onder het instellen van een rechtsvordering zoals bedoeld in artikel 358, § 1, 3°, WIB92
(1); indien dat opsporingsonderzoek wordt gevolgd door een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek, wordt geen andere rechtsvordering in de zin van die bepaling ingesteld.
(1)Cass. 23 februari 2018, AR F.17.0078.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.1, AC 2018, nr. 121, met concl. van eerste-advocaat-generaal A. HENKES op datum in Pas.; Cass. 12 december 2014, AR F.13.0037.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141212.2, AC 2014, nr. 784; Cass. 9 juni 2005, AR F.03.0025.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050609.7, AC 2005, nr. 329; Cass. 21 februari 2003, AR F.01.0011.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.3, AC 2003, nr.
- Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Instellen van een opsporingsonderzoek - Instellen van een rechtsvordering in fiscale zaken - Opleggen van een belasting of aanvullende belasting - Termijn van vijf jaar voor de inning of belastingverhoging - Beginpunt Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358, § 1, 3° Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Strafzaken - Instellen van een rechtsvordering in fiscale zaken - Opleggen van een belasting of aanvullende belasting - Termijn van vijf jaar voor de inning of belastingverhoging - Instellen van een rechtsvordering als beginpunt - Instellen van een opsporingsonderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 28bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358, § 1, 3° Tekst van de beslissing Nr. P.24.1411.N
- R. C., beklaagde,
- F. U., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent, tegen
- BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal van de AABBI Gewestelijke directie Gent, ON 0308.357.159, burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Tine Bricout en mr. Carmenta Decordier, advocaten bij de balie Gent, met kantoor te 9041 Gent (Oostakker), Orchideestraat 61A, waar de verweerder woonplaats kiest,
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Woning en Onroerend Erfgoed, voor wat betreft de administratieve afhandeling met kantoor te 9300 Aalst, Vaartstraat 16, ON 0220.819.807, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 september
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest weigert de douaneambtenaren die op 8 januari 2018 een proces-verbaal van inlichtingen hebben opgesteld en een politieambtenaar die op 11 januari 2018 een aanvankelijk proces-verbaal heeft opgesteld, op de rechtszitting onder eed te horen als getuigen à charge; die verbalisanten hebben vaststellingen gedaan over aan de eisers ten laste gelegde feiten en deze vaststellingen genoteerd in de vermelde processen-verbaal; aan het begrip getuige moet een voldoende brede invulling worden gegeven; zijn eveneens getuigen, de personen die op enige wijze als kennis dragende van het misdrijf of van de omstandigheden ervan moeten worden beschouwd, alsook de personen die in het belang van de waarheidsvinding over de vervolgde feiten kunnen verklaren wat zij hebben gezien en gehoord; de appelrechters hebben het verzoek van de eisers niet getoetst aan de drie criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afleidt uit artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, meer bepaald de juridische of feitelijke onmogelijkheid om de getuige te horen, het doorslaggevende karakter van de verklaring van de getuige bij de schuldbeoordeling en de aan- of afwezigheid van compenserende factoren; de eisers hebben bij appelconclusie het bestaan van ernstige gronden tot betwisting van de vaststellingen van de politie- en douaneambtenaren aannemelijk gemaakt; uit de redenen van het arrest blijkt niet dat de betwiste aanvankelijke vaststellingen van de verbalisanten de uitkomst van de zaak niet mee hebben bepaald.
- De rechter die wordt verzocht een getuige à charge onder eed te horen op de rechtszitting, moet dat verzoek enkel toetsen aan de drie in het onderdeel vermelde criteria indien hij de getuigenverklaring in aanmerking neemt als bewijs. Dat is niet het geval wanneer de rechter de gegevens die een douane- of politieambtenaar in een proces-verbaal heeft opgenomen enkel in aanmerking neemt als inlichting die heeft toegelaten het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen. Die verbalisant is dan immers geen getuige à charge in de zin van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM.
- De omstandigheid dat een in een dergelijk proces-verbaal opgenomen inlichting aan de basis ligt van het opstarten of het in een bepaalde richting verderzetten van een strafonderzoek, waardoor op autonome wijze determinerend bewijsmateriaal lastens de beklaagde aan het licht komt, heeft niet tot gevolg dat die informatie het karakter van inlichting verliest en het karakter van bewijs à charge verkrijgt, noch dat die informatie als dusdanig moet worden beschouwd als determinerend voor de schuldigverklaring van de beklaagde.
- Indien een beklaagde aanvoert dat een inlichting op onregelmatige wijze is verkregen, dient hij die aanvoering enigszins aannemelijk te maken en moet die aanvoering het niveau van een loutere bewering overstijgen. Het louter in vraag stellen van de regelmatigheid van de informatie volstaat niet. De rechter oordeelt onaantastbaar of de beklaagde aan deze aanvoeringslast voldoet. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 31, nr. 13 – p. 37, nr.14) oordeelt onder meer als volgt: - de eisers houden voor dat zij voorafgaand aan de officiële start van het opsporingsonderzoek het voorwerp hebben uitgemaakt van een observatiemaatregel. Zij verzoeken tevens dat de optredende politie- en douaneambtenaren als getuigen zouden worden opgeroepen teneinde te vernemen of zij voorafgaand aan de controle op de luchthaven te Oostende op 4 januari 2018 werden geobserveerd. De eisers baseren hun stelling onder meer op het aanvankelijk proces-verbaal van 11 januari 2018 waarin verschillende inlichtingen over hun familie werden opgetekend, die de basis van de observatie zouden hebben gevormd. Dit verweer kan om de hierna volgende redenen niet worden bijgetreden; - het dossier start met een proces-verbaal van inlichtingen opgesteld door de douane op 8 januari
- De eiser 1 werd op 4 januari 2018 op de luchthaven van Oostende betrapt bij de sluikuitvoer van liquide middelen voor een totaal bedrag van 15.800,00 euro, waarvan hij geen aangifte had gedaan. Zijn meereizende dochter werd betrapt in het bezit van 10.880,00 euro, waarvan zij evenmin aangifte had gedaan. Nazicht door de verbalisanten leerde dat op het adres van de eisers de bv E. is gevestigd, waarvan de eiseres 2, echtgenote van de eiser 1, medezaakvoerder is. Op basis van deze vaststellingen heeft de luchthavenpolitie een aanvankelijk proces-verbaal opgemaakt op 14 januari 2018; - op 11 januari 2018 werd door de federale politie Oost-Vlaanderen een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld. De politie beschikte over inlichtingen dat leden van de familie van de eisers of door hen aangezochte koeriers grote bedragen cash geld zouden overbrengen naar Turkije. Deze gelden zouden verdoken inkomsten zijn van de slagerij E.; - het proces-verbaal van 11 januari 2018 bevat louter politionele informatie zonder dat de bron ervan gekend of vrijgegeven is en die niet nader werd geïdentificeerd. Die informatie wordt niet in aanmerking genomen als bewijs lastens de eisers. De herkomst van die informatie moet niet noodzakelijk worden verduidelijkt. Om dergelijke informatie uit het bewijs te doen weren, moeten de eisers de onregelmatigheid ervan enigszins aannemelijk maken. Het loutere feit dat een opsporingsonderzoek wordt opgestart op basis van politionele informatie maakt dit onderzoek niet nietig of onontvankelijk; - waar de eisers de bron willen kennen van de in het proces-verbaal van 11 januari 2018 vervatte inlichtingen, heeft deze onbevredigde nieuwsgierigheid niet tot gevolg dat het strafonderzoek nietig is of dat de vervolging die eruit voortvloeit onontvankelijk is wegens schending van artikel 6 EVRM of miskenning van het recht van verdediging. Ook dat de eisers door de douaneambtenaren doelbewust zouden zijn gecontroleerd, al dan niet in het licht van de inlichtingen waarover de politie beschikte, blijkt uit geen enkel objectief element van het strafdossier en zou bovendien niet leiden tot de onregelmatigheid van die controle. Ook inzake deze controle is er geen enkele objectieve indicatie dat een observatie eraan zou zijn voorafgegaan, minstens wordt deze blote bewering door de eisers op geen enkele wijze enigszins aannemelijk gemaakt; - op het verzoek van de eisers om de opstellers van het proces-verbaal van 11 januari 2018 of de douaneambtenaren als getuigen te horen, wordt niet ingegaan. Van de vermelde opstellers kan niet worden verwacht dat zij de bron zouden prijsgeven van de door hen verwerkte politionele informatie. Wat betreft de douaneambtenaren gaan de eisers voorbij aan artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 januari 2014 en artikel 6 van de besluitwet van 6 oktober 1944, op grond waarvan de ambtenaren van de administratie van douane en accijnzen bevoegd zijn om controles uit te voeren op het grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen. Nadat de eiser 1 de veiligheidscontrole was gepasseerd en zich in de vertrekhal bevond, werd hij gecontroleerd op basis van de vermelde artikelen en werden de vermelde vaststellingen gedaan; - in die omstandigheden is er klaarblijkelijk geen miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces, waardoor de strafvordering ontvankelijk is.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eisers niet enigszins een onregelmatigheid in de door hen betwiste vaststellingen aannemelijk hebben gemaakt en dat de appelrechters derhalve niet dienden in te gaan op het verzoek van de eisers om de verbalisanten op de rechtszitting als getuigen onder eed te horen, zonder die beslissing te moeten aftoetsen aan de in het onderdeel vermelde criteria. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verwerpt de vraag van de eisers om de in het eerste onderdeel vermelde verbalisanten ter rechtszitting onder eed te horen zonder die verwerping concreet te motiveren aan de hand van de in dat onderdeel vermelde criteria, zonder in te gaan op eisers’ verweer over de vaststellingen van de douaneambtenaren bij gebrek aan tolk voor de eiser 1, over de medepassagier die heeft vermeld dat de eiser 1 klaarblijkelijk werd gezocht na het passeren van de veiligheidscontrole en over de door de eisers aangehaalde miskenning van het recht van verdediging wegens het niet horen van de gevraagde getuigen, alsook zonder toe te lichten hoe het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd in concreto intact zou zijn gebleven.
- In zoverre het onderdeel het arrest bekritiseert omdat dit de verwerping van het verzoek van de eisers om de verbalisanten als getuigen ter rechtszitting te horen niet motiveert aan de hand van de drie vermelde criteria, is het afgeleid uit het vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde verweer en is het niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 36-37) oordeelt: “[De eisers] werpen op dat zij bij de controle van 4 januari 2018 op de luchthaven in Oostende geen bijstand hebben gekregen van een advocaat of tolk en niet op hun rechten werden gewezen conform artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, wat een schending zou uitmaken van hun rechten van verdediging in de zin van artikel 6.1 en 6.3 a, b, c en e EVRM. Dit verweer kan om de hierna volgende redenen niet worden bijgetreden. (…) [De eisers] werden op de luchthaven door de daartoe bevoegde ambtenaren kennelijk enkel aangesproken op de wederrechtelijke niet-aangifte van liquide middelen. De interpellatie beperkte zich ertoe de inbreuk vast te stellen en zich een juist beeld te vormen van de vastgestelde feiten. Het hof (van beroep) oordeelt dat de hen gestelde vragen allen kaderen in en zich beperken tot de uitoefening, door de betrokken ambtenaren, van hun controlebevoegdheid zoals omschreven in het koninklijk besluit van 26 januari
- Deze vragen vormen geen verhoor in de zin van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geleide ondervraging over misdrijven die aan een in dat artikel bedoelde persoon ten laste kunnen worden gelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar, geacteerd in een proces-verbaal in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden. Het in deze wetsbepaling vervatte beschermingsmechanisme vond bijgevolg geen toepassing.”
- Met die redenen, waarmee het arrest oordeelt dat de tussenkomst van de douaneambtenaren op 4 januari 2018 geen verhoor van de eiser 1 in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering inhield en waarmee het te kennen geeft dat die tussenkomst geen bijstand van een tolk voor de eiser 1 vereiste, alsmede met de redenen aangehaald in het antwoord op het eerste onderdeel, vermeldt het arrest op een concrete en nauwkeurige wijze waarom het eisers’ verzoek tot het getuigenverhoor ter rechtszitting van de verbalisanten verwerpt, beantwoordt het eisers’ verweer en laat het aan het Hof toe de wettigheid van de beslissing na te gaan. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest bovendien moet antwoorden op elk argument dat de eisers tot staving van hun verweer hebben aangevoerd, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 450bis WIB92: het arrest doet uitspraak zowel over de strafrechtelijke vervolging van de eisers als over hun fiscale gehoudenheid door hen te veroordelen tot betaling van fiscale geldboeten en belastingverhogingen; het arrest houdt bij de motivering van de straftoemeting echter geen rekening, minstens niet concreet en daadwerkelijk, met de hoogte van de opgelegde administratieve sancties en het vermeldt evenmin artikel 450bis WIB92 onder de toegepaste wetsbepalingen; aldus bevat het arrest niet de essentiële redenen die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole uit te oefenen (eerste onderdeel) en beantwoordt het niet het verweer van de eisers (tweede onderdeel).
- Volgens artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook geldt voor de hoven van beroep, moet een veroordelend vonnis de toegepaste wetsbepalingen vermelden, dit zijn de wetsbepalingen die de bestanddelen van het misdrijf vaststellen, alsook de toegepaste straffen.
- Artikel 450bis, eerste lid, WIB92 bepaalt: “Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen.”
- Die bepaling stelt geen feit strafbaar, noch bepaalt het de straf gesteld op een strafbaar feit. De strafrechter moet derhalve geen melding maken van die bepaling. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter geen melding maakt van die bepaling, volgt niet dat hij geen rekening ermee houdt.
- Noch de verplichting voor de rechter om bij de straftoemeting rekening te houden met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen, noch zijn verplichting om zijn beslissing zodanig te motiveren dat het Hof zijn wettigheidscontrole kan uitoefenen, verplicht de rechter om cijfermatig te motiveren hoe hij de opgelegde straf vermindert met de vermelde administratieve sancties. Het volstaat dat uit de redenen van de beslissing blijkt dat de rechter bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met die administratieve sancties.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met redenen die het arrest (p. 87-89) overneemt, oordeelt het beroepen vonnis (p. 46-47, nr. 48) onder meer dat de rechtbank bij haar bestraffing de complementariteit van de opgelegde strafsancties en administratieve sancties in concreto bewaakt, alsook: “Deze rechtbank stelt zich tot taak om de sancties voor de beklaagden derwijze te moduleren dat zij terdege geconfronteerd worden met de ernst van de door hen gepleegde feiten, maar dat hen globaal genomen en rekening houdend met de verschillende facetten van de bestraffing, geen bovenmatige last wordt opgelegd (zie voor al het bovenstaande EHRM 15 november 2016, A en B vs Noorwegen; GwH 17 november 2022, arrest 149/2022). De rechtbank verwijst in dat verband ook naar artikel 450bis, eerste lid WIB'92 en 73bis/1 WBTW, op grond waarvan bij de straftoemeting rekening gehouden wordt met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen om te vermijden dat de beklaagden aan een onredelijk zware straf zouden worden onderworpen. Deze bepalingen traden in werking op 1 januari 2020, maar kunnen als een mildere strafbepaling toegepast worden op feiten die gepleegd en voltooid waren voor die datum.” Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 17 en 149 Grondwet, de artikelen 39, 42, 3° en 43bis, eerste en tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf: het arrest beveelt lastens elk van de eisers de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van een bedrag van 300.000,00 euro; het laat evenwel na om op basis van begrijpelijke redenen de straftoemeting ten aanzien van de eisers in concreto te verantwoorden en te individualiseren; het verwijst evenmin naar de feitelijke gegevens ter motivering van de tussen de eisers gehanteerde verdeling van de verbeurdverklaring; de rechter mag geen hoofdelijke verbeurdverklaring opleggen en moet de verdeling van de verbeurdverklaring onder de veroordeelden bepalen in functie van ieders persoonlijk aandeel in de bewezen verklaarde feiten; het arrest stelt vast dat de eisers een verschillend aandeel in de bewezen verklaarde feiten hebben gehad; met de redenen die het bevat, individualiseert het arrest de bestraffing onvoldoende en is de beslissing niet naar recht verantwoord (eerste onderdeel); evenmin beantwoordt het arrest het verweer van de eisers (tweede onderdeel).
- Voor wat betreft de eiser 1 oordeelt het arrest (p. 93-94, nr. 96) dat het voorwerp van de bewezen verklaarde telastleggingen A.1 tot A.12, B.1 en B.3, dit zijn witwasmisdrijven bepaald in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, in totaal 651.595,00 euro bedraagt. Het beperkt de verbeurdverklaring per equivalent lastens de eiser 1 tot 300.000,00 euro om hem, overeenkomstig artikel 505, zesde (thans vijfde) lid, Strafwetboek, geen onredelijk zware straf op te leggen.
- Voor wat betreft de eiseres 2 oordeelt het arrest (p. 93-94, nr. 97) dat het voorwerp van de bewezen verklaarde telastleggingen A.1 tot A.11, B.1 en B.3 in totaal 624.915,00 euro bedraagt. Het beperkt de verbeurdverklaring per equivalent lastens de eiseres 2 tot 300.000,00 euro om haar, overeenkomstig artikel 505, zesde lid (thans vijfde lid), Strafwetboek, geen onredelijk zware straf op te leggen.
- De artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek zijn niet van toepassing op de verbeurdverklaring van het voorwerp van een witwasmisdrijf. In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.
- Artikel 505, vijfde lid, Strafwetboek bepaalt: “De in het eerste lid, 3° en 4°, bedoelde zaken zijn het voorwerp van de door deze bepalingen bedoelde misdrijven in de zin van artikel 42, 1°, en worden verbeurd verklaard ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken niet in eigendom. Die straf mag evenwel geen schade berokkenen aan de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend geldbedrag. In dat geval kan de rechter dat bedrag evenwel verminderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.”
- Op grond van die bepaling kan de rechter de verbeurdverklaring per equivalent van het voorwerp van een erin bedoeld witwasmisdrijf bevelen lastens meerdere daders die samen dat misdrijf hebben gepleegd, in zoverre de tenuitvoerlegging van die verbeurdverklaring het totale witgewassen vermogensvoordeel niet overschrijdt.
- Hieruit volgt dat artikel 39 Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf niet van toepassing zijn op deze verbeurdverklaring.
- Noch artikel 505, vijfde lid, Strafwetboek, noch enige andere bepaling of enig ander algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter die het bedrag van de verbeurdverklaring vermindert teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen, om die vermindering louter af te wegen tegen het persoonlijk aandeel van de veroordeelde in de bewezen verklaarde witwasmisdrijven.
- De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Hij kan daarbij onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling moet betrekken.
- Niet vereist is dat de rechter cijfermatig per veroordeelde en per bewezen verklaard feit motiveert waarom en in welke mate hij de lastens die veroordeelde bevolen verbeurdverklaring vermindert. De rechter kan de opgelegde verbeurdverklaring eveneens verminderen op een forfaitaire wijze die leidt tot eenzelfde verbeurdverklaard bedrag lastens elk van de veroordeelden.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen die het arrest (p. 87-90) in het algemeen betrekt bij de beoordeling van de aan de eisers op te leggen straffen, onder meer de aard en de ernst van de feiten en de persoonlijkheid, het winstbejag en de financiële toestand van de eisers, de redenen die het middel vermeldt, onder meer dat de eisers overeenkomstig een vooraf afgesproken taakverdeling hebben bijgedragen tot de bewezen verklaarde witwastelastleggingen, en het totale voorwerp van de lastens de eisers bewezen verklaarde witwasmisdrijven, kan het arrest de lastens de eisers te bevelen verbeurdverklaringen voor elk van hen milderen tot een bedrag van 300.000,00 euro. Met die redenen beantwoordt het arrest eveneens het verweer van de eisers en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 17 Grondwet, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 28bis Wetboek van Strafvordering en artikel 358, § 1, 3°, WIB92: het arrest oordeelt dat de strafvordering die door het openbaar ministerie wordt ingesteld wanneer dat een opsporingsonderzoek opent, een rechtsvordering is in de zin van artikel 358, § 1, 3°, WIB92; er is evenwel slechts sprake van een rechtsvordering wanneer een strafvordering aanhangig wordt gemaakt voor een rechter; daar waar het opsporingsonderzoek werd opgestart in 2018, dateert de eerste rechtsvordering, dit is de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek, pas van 21 februari 2019; dit is van na de termijn van vijf jaar bepaald in artikel 358, § 1, 3°, WIB
- Overeenkomstig artikel 358, § 1, 3°, WIB 92, zoals van toepassing, mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bepaalde termijn is verstreken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.
- Het begrip rechtsvordering in die bepaling heeft een autonome draagwijdte en valt niet samen met de vordering tot het instellen van de strafvordering voor de rechter of met het begrip rechtsvordering in andere fiscale bepalingen.
- Het openen van een opsporingsonderzoek door het openbaar ministerie valt onder het instellen van een rechtsvordering zoals bedoeld in artikel 358, § 1, 3°, WIB
- Indien dat opsporingsonderzoek wordt gevolgd door een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek, wordt geen andere rechtsvordering in de zin van die bepaling ingesteld. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 447,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050609.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141212.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230510.2F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.21 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div