← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.5 Rolnummer: P.25.0238.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-06-15 08:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 De herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering wegens de niet-naleving van de bijzondere voorwaarden die bij de toekenning van die modaliteit werden opgelegd, is regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechtbank duidelijk aangeeft welke van de opgelegde voorwaarden niet werden nageleefd en daarbij melding maakt van de feitelijke gegevens waarop dit oordeel is gegrond; niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechtbank de voorwaarden citeert die zij overtreden acht; het volstaat dat zij door een duidelijke verwijzing naar het vonnis waarbij de voorwaarden werden opgelegd en die de veroordeelde dus gekend zijn, vermeldt welke voorwaarden niet werden nageleefd. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling - Opgave van voorwaarden die zijn miskend - Geen weergave van de voorwaarden in het vonnis van herroeping - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling - Opgave van voorwaarden die zijn miskend - Geen weergave van de voorwaarden in het vonnis van herroeping - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0238.N P. R., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Danny Francet, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 3 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechter: de houding van de strafuitvoeringsrechtbank getuigt van een totaal gebrek aan subjectieve onpartijdigheid; de eiser had geen schijn van kans; de rechtbank houdt vast aan haar rigide gedachte dat de eiser langdurig residentieel moet worden opgenomen; zij moet openstaan voor volwaardige alternatieven zoals een ambulante behandeling; het PZ Stuivenberg heeft dit alternatief naar voorgeschoven; door dit alternatief niet eens in overweging te nemen, getuigt de strafuitvoeringsrechtbank niet alleen van een rigide denkpatroon, maar miskent zij eisers recht op een eerlijk proces.
  3. Op de strafuitvoeringsrechtbank, die geen uitspraak doet over de gegrondheid van een strafvervolging of de vaststelling van een burgerlijk recht, zijn artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR niet van toepassing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank te bepalen welke voorwaarden moeten worden nageleefd opdat het niet voorhanden zijn van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen zich niet zouden voordoen. Een langdurige residentiële opname kan een dergelijke voorwaarde zijn.
  5. Uit het enkele feit dat de strafuitvoeringsrechtbank bij de beoordeling van een herroepingsvordering bij toepassing van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering oordeelt dat de niet-naleving van die voorwaarde de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit verantwoordt, kan geen miskenning van de plicht tot onpartijdigheid en onafhankelijkheid worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis oordeelt weliswaar dat de eiser de hem bij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling opgelegde voorwaarden 6, 9 en 13 heeft overtreden, maar preciseert niet waarin die voorwaarden bestaan; een loutere verwijzing naar eerdere vonnissen is niet dienend omdat het thans bestreden vonnis het karakter van een eindvonnis heeft.
  7. De herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering wegens de niet-naleving van de bijzondere voorwaarden die bij de toekenning van die modaliteit werden opgelegd, is regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechtbank duidelijk aangeeft welke van de opgelegde voorwaarden niet werden nageleefd en daarbij melding maakt van de feitelijke gegevens waarop dit oordeel is gegrond. Niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechtbank de voorwaarden citeert die zij overtreden acht. Het volstaat dat zij door een duidelijke verwijzing naar het vonnis waarbij de voorwaarden werden opgelegd en die de veroordeelde dus gekend zijn, vermeldt welke voorwaarden niet werden nageleefd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het vonnis stelt vast dat bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 27 november 2024 de eiser voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld en dat hem daarbij bijzondere voorwaarden werden opgelegd. Het oordeelt dat de hem met dit vonnis opgelegde voorwaarden 6, 9 en 13 niet werden nageleefd en het vermeldt de feitelijke gegevens voor die beoordeling. Aldus is de herroeping van de aan de eiser met het vonnis van 27 november 2024 toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.