← België

E. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.9 Rolnummer: P.24.1679.N Zaak: E. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 416 - laatst gezien 2026-06-15 13:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche Een akte waarvan de rechter vaststelt dat zij niet vals is omdat de waarheid erin niet is vermomd, kan niet de in de artikelen 196 en 197 Strafwetboek bepaalde misdrijven van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken opleveren, ongeacht of die akte een geschrift uitmaakt dat zich aan het openbaar vertrouwen opdringt en of degene die van die akte gebruik maakt ze een draagwijdte geeft die zij in werkelijkheid niet heeft; aldus levert de leugenachtige aanwending van een waarheidsgetrouw stuk als dusdanig geen valsheid in geschriften noch het gebruik van een vals stuk op. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Intellectuele valsheid - Gebruik van een stuk waaraan de verdachte een ander interpretatie geeft aan het stuk dan dat de bewoordingen toelaten Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 196 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 197 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1679.N W. E., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen A. P., inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 november 2024, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 24 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 128 en 135 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: in het eindarrest oordelen de appelrechters dat er onvoldoende bezwaren zijn om de verweerder naar de vonnisrechter te verwijzen aangezien de van valsheid betichte stukken, namelijk brieven van mr. F. van 21 april 2009 en 25 augustus 2015, niet behept zijn met een intellectuele valsheid omdat die stukken geen inhoudelijke onwaarheid bevatten en de subjectieve weergave van een standpunt van een partij in een burgerlijke procedure door het selectief aanvoeren van stukken die op zich geen materiële of intellectuele valsheid bevatten, in het kader van het rechtsgeding tussen partijen, geen intellectuele valsheid in geschriften uitmaakt; in het tussenarrest van 25 augustus 2022 oordeelden de appelrechters evenwel dat de van valsheid betichte stukken mogelijk voldoen aan de constitutieve bestanddelen van de misdrijven van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken; dat oordeel en de eraan ten grondslag liggende redenen vereisten dat de appelrechters nagingen of mr. F. in de periode van 2009 tot 2012 alleen dan wel samen met de eiser in de hoedanigheid van verus dominus litis is opgetreden als advocaat van de verweerder en dat het bestreden arrest daarover een specifieke motivering bevatte; bijgevolg zijn de redenen van het bestreden arrest tegenstrijdig met deze van het tussenarrest; minstens is de motivering van het bestreden arrest gebrekkig.
  3. Er is enkel sprake van een tegenstrijdigheid in de motivering, zoals gesanctioneerd door de in het onderdeel vermelde wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel, wanneer de redenen van eenzelfde beslissing met elkaar of met het dictum ervan tegenstrijdig zijn. Een dergelijk motiveringsgebrek kan niet bestaan tussen redenen of beschikkingen van onderscheiden rechterlijke beslissingen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. In het tussenarrest van 25 augustus 2022 oordelen de appelrechters dat de verweerder in de toenmalige stand van zaken afdoende heeft aangetoond dat hij nadeel en schade zou kunnen ondervinden van de door hem aangeklaagde misdrijven en dat de beide brieven die door de verweerder worden aangewend in een burgerlijke procedure over de betwisting van erelonen een juridische draagwijdte hebben. Voor wat betreft de overige constitutieve bestanddelen van de aangeklaagde misdrijven herneemt het tussenarrest enkel het standpunt van de eiser.
  5. Noch met die redenen, noch met de onderzoekshandelingen waarmee zij de onderzoeksrechter hebben gelast, hebben de appelrechters in het tussenarrest hun rechtsmacht uitgeput met betrekking tot het onderzoek naar het verenigd zijn van alle constitutieve bestanddelen vereist voor het bestaan van de aangeklaagde misdrijven. Aldus beletten die redenen de appelrechters niet om nadien nog het bestaan van die constitutieve bestanddelen te onderzoeken en te oordelen dat zij niet verenigd zijn. Evenmin hielden die redenen voor de appelrechters een bijzondere motiveringsverplichting in met betrekking tot een mogelijke waarheidsvermomming die erin zou bestaan dat de verweerder in de burgerlijke procedure aan de van valsheid betichte stukken een onjuiste draagwijdte zou hebben gegeven.
  6. Het arrest (p. 10 - 11) oordeelt: “De voormelde geschriften bevatten geen materiële valsheid en desbetreffend bestaat evenmin betwisting tussen partijen. (…) De kamer van inbeschuldigingstelling is van oordeel dat niet is aangetoond dat de stukken hoger vermeld (…) behept zijn met een intellectuele valsheid. (…) De kamer van inbeschuldigingstelling is van oordeel dat de subjectieve weergave van een standpunt van een partij, zoals in voorliggend geval ondersteund middels het selectief aanvoeren van stukken (die op zich geen materiële of intellectuele valsheid bevatten) in het kader van het rechtsgeding tussen partijen, geen intellectuele valsheid in geschriften uitmaakt. Er zijn bijgevolg onvoldoende bezwaren aanwezig om [de verweerder] (…) door te verwijzen (…) wegens de hem (…) ten laste gelegde feiten. De overige in beroepsbesluiten van partijen opgeworpen argumentatie doet geen afbreuk aan het voormelde.”
  7. Met die redenen, waarmee de appelrechters in wezen oordelen dat de aan de verweerder ten laste gelegde feiten geen misdrijf van valsheid in geschriften of het gebruik van een vals stuk uitmaken omdat het daarvoor vereiste constitutief bestanddeel van het bestaan van een waarheidsvermomming in het geschrift ontbreekt, is de beslissing regelmatig met redenen omkleed.
  8. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 128 en 135 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest motiveert de beslissing dat er lastens de verweerder onvoldoende bezwaren bestaan niet aan de hand van de resultaten van het met het tussenarrest bevolen bijkomend onderzoek, waaruit blijkt dat de eiser wel degelijk voor de verweerder is opgetreden in de periode van 2009 tot
  10. Een akte waarvan de rechter vaststelt dat zij niet vals is omdat de waarheid erin niet is vermomd, kan niet de in de artikelen 196 en 197 Strafwetboek bepaalde misdrijven van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken opleveren, ongeacht of die akte een geschrift uitmaakt dat zich aan het openbaar vertrouwen opdringt en of degene die van die akte gebruik maakt ze een draagwijdte geeft die zij in werkelijkheid niet heeft. Aldus levert de leugenachtige aanwending van een waarheidsgetrouw stuk als dusdanig geen valsheid in geschriften noch het gebruik van een vals stuk op. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters het onder het eerste onderdeel vermelde oordeel nog verder dienden te motiveren op grond van de resultaten van het na het tussenarrest uitgevoerde onderzoek en de daarop gesteunde vordering en aanvoeringen van het openbaar ministerie en de eiser, is het afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  12. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van de artikelen 127, 128 en 135 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 193, 196, eerste en vijfde lid, 213 en 214 Strafwetboek. Het eerste onderdeel verwijt het arrest te oordelen dat de aangewende stukken geen valsheden bevatten en dienvolgens te besluiten dat het standpunt van een partij in een rechtsgeding, gestaafd met selectief aangevoerde stukken die geen valsheden bevatten, evenmin een valsheid in geschriften uitmaakt; het arrest stelt namelijk niet vast of mr. F. in werkelijkheid als enige raadsman van de verweerder is opgetreden, dan wel of de eiser eveneens diens raadsman was tot 2012; aldus miskent het arrest het begrip intellectuele valsheid in geschriften; die valsheid bestaat immers in de verdraaiing van de werkelijkheid doordat de verweerder in de vermelde stukken feiten vaststelt die strijdig zijn met de werkelijkheid. Het tweede onderdeel verwijt het arrest dat het uit de vaststellingen waarmee het oordeelt dat de van valsheid betichte stukken geen inhoudelijke onwaarheid bevatten, onwettig afleidt dat er geen intellectuele valsheid in geschriften bestaat, zonder tevens de werkelijkheid te onderzoeken; de intellectuele valsheid bestaat immers in het feit dat de verweerder deze stukken aanwendt om aan te tonen dat de eiser sinds 2009 niet meer als advocaat voor hem is opgetreden.
  13. Het middel is geheel afgeleid uit de onjuiste rechtsopvatting vermeld in het eerste middel, tweede onderdeel, en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 127, 128 en 135 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 193, 196, eerste en vijfde lid, 213 en 214 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest oordeelt, anders dan de bewoordingen van de telastlegging, dat er geen intellectuele valsheid in geschriften voorhanden is omdat de subjectieve weergave van een standpunt van een partij dat ondersteund wordt met het selectief aanvoeren van stukken die zelf niet materieel of intellectueel vals zijn, geen intellectuele valsheid kan uitmaken; de beweerdelijk subjectieve stelling dat de eiser niet meer zou zijn opgetreden als raadsman van de verweerder vanaf 2009 en de aanwending van stukken daartoe vormen echter precies de intellectuele valsheid van deze aangewende stukken; het in het arrest verwoorde standpunt dat er geen intellectuele valsheid van deze stukken voorhanden is zonder het voorgehouden subjectieve standpunt af te toetsen aan de werkelijkheid, om vervolgens te stellen dat dit subjectieve standpunt evenmin een intellectuele valsheid in geschrifte kan opleveren omdat er geen valse stukken worden aangewend, vormt een kringredenering.
  15. Het middel dat geheel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid in het eerste middel, tweede onderdeel, en het tweede middel, is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,61 euro, waarvan 55,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 februari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.