id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Belang in de zin van artikelen 17, eerste lid, en 18, eerste lid, Gerechtelijk wetboek bestaat uit het materieel of moreel voordeel, hoe gering ook, dat degene die de vordering instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn bestaande rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Belang - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Een partij die aanvoert schade te hebben geleden door onrechtmatig overheidsoptreden en herstel vordert van deze schade, voert aan dat hij titularis is van een subjectief recht op herstel van de schade en heeft belang om de vordering in te stellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Vordering tot herstel van schade - Aanvoering van schade door onrechtmatig overheidsoptreden - Belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering tot herstel van schade - Aanvoering van schade door onrechtmatig overheidsoptreden - Belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 5 Het middel, dat gegrond is op een wettelijke bepaling die noch van openbare orde noch van dwingend recht is, dat niet aan de rechter is voorgelegd, waarover deze evenmin op eigen initiatief heeft beslist en dat hij niet hoefde toe te passen, is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Begrip - Ontvankelijkheid Fiches 6 - 7 De relativiteit van de overeenkomsten verhindert niet dat een derde die aanvoert dat een overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die hem schade heeft berokkend, belang heeft om de nietigverklaring van de overeenkomst als herstel van zijn beweerde schade te vorderen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: Ontvankelijkheid rechtsvordering - Derde bij een overeenkomst - Aanvoering dat overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die schade berokkent aan die derde - Belang van de derde bij de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst als herstel van de schade van de derde - Relativiteit van de overeenkomsten - Invloed Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Derde bij een overeenkomst - Aanvoering dat overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die schade berokkent aan die derde - Belang van de derde bij de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst als herstel van de beweerde schade - Relativiteit van de overeenkomsten - Invloed Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 8 Uit de enkele vaststelling dat een inschrijvingsprocedure niet marktconform is verlopen, in het bijzonder omdat de inschrijvingsprocedure niet voldeed aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid, kan het bestaan van een voordeel niet worden afgeleid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Staatssteun - Maatregel - Voordeel - Niet-marktconforme inschrijvingsprocedure - Inschrijvingsprocedure die niet voldoet aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 107, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiches 9 - 10 Bij een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid rust de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen de beide in de regel op de benadeelde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijke verband tussen beide - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 870
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, eerste en tweede lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijke verband tussen beide - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 870
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, eerste en tweede lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0482.N OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN GENT, met zetel te 9000 Gent, Onderbergen 86, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0212.214.125, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- P. V., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest,
- BIJLOKE bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 6181 MA Elsloo (Nederland), Business Park Stein 194, ingeschreven in de kamer van koophandel onder nummer 14026163, verweerster, die in de akte van betekening van het arrest van 8 november 2022 keuze van woonplaats heeft gedaan bij gerechtsdeurwaarder Johan Vanquatem, met kantoor te 9050 Gentbrugge, Voordries
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 3 november 2020 en 8 november
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 27 januari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de vordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te stellen. De procespartij die aanvoert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering. Krachtens artikel 18, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. Belang in de zin van deze wetsbepalingen bestaat uit het materieel of moreel voordeel, hoe gering ook, dat degene die de vordering instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn bestaande rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden.
- Een partij die aanvoert schade te hebben geleden door onrechtmatig overheidsoptreden en herstel vordert van deze schade, voert aan dat hij titularis is van een subjectief recht op herstel van de schade en heeft belang om de vordering in te stellen. De appelrechters die vaststellen dat de verweerder aanvoert dat hij door de verkoop van de percelen landbouwgrond in één lot met miskenning van de regels in verband met staatssteun een kans heeft gemist om bepaalde percelen aan te kopen, verantwoorden naar recht hun beslissing dat de verweerder belang heeft om bij wijze van herstel in natura van dit kansverlies de nietigverklaring te vorderen van de koopovereenkomst. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters niet konden oordelen dat de verweerder belang heeft om de nietigverklaring van de koopovereenkomst te vorderen zonder het bestaan vast te stellen van een voorgehouden subjectief recht van de verweerder op één of een deel van de verkochte percelen, kan het niet worden aangenomen.
- De appelrechters oordelen in het tussenarrest van 3 november 2022 dat de hoven en rechtbanken binnen het kader van de uitoefening van de subjectieve rechten van de verweerder kunnen overgaan tot een wettigheidstoetsing van de besluiten van de eiser op grond van artikel 159 Grondwet, dit artikel toelaat zelfs de discretionair genomen beslissing van de eiser om de gronden in één lot te verkopen marginaal te toetsen en op grond van deze bepaling het de rechter is toegelaten die beslissingen desgevallend buiten toepassing te laten wanneer zij hetzij strijdig zijn met hogere normen, hetzij kennelijk onredelijk zouden zijn. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, steunen de appelrechters de beslissing dat de verweerder belang heeft bij de vordering tot nietigverklaring van de verkoopovereenkomst niet op artikel 159 van de Grondwet. Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt niet dat de eiser zich voor de appelrechter heeft beroepen op de relativiteit van de overeenkomsten om de door de verweerder gevorderde nietigverklaring van de overeenkomst te betwisten. De appelrechters dienden evenmin in het licht van de door hen vastgestelde gegevens, op eigen initiatief het in het middel aangeduide artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek toe te passen op het geschil. Het middel, dat gegrond is op een wettelijke bepaling die noch van openbare orde noch van dwingend recht is, dat niet aan de rechter is voorgelegd en waarover deze evenmin op eigen initiatief heeft beslist en die hij niet hoefde toe te passen, is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
- De appelrechters oordelen in het tussenarrest van 3 november 2020 dat: - de verweerder aangeeft dat zijn belang bij het stellen van de vordering tot vernietiging van de verkoopovereenkomst enerzijds bestaat in de gemiste kans om niet zelf als landbouwer aan een gelijkaardige lage prijs landbouwgronden te kunnen aankopen en anderzijds in de marktverstoring die hij als concurrerende marktdeelnemer diende te ondergaan door de staatssteun die met de verkoopovereenkomst zou zijn verleend; - de verweerder die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, ook al wordt het betwist, belang en hoedanigheid heeft om de vordering in te stellen en het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het ingeroepen subjectief recht niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering betreft; - de verweerder aanvoert dat de vernietiging van de overeenkomst ertoe kan leiden dat een nieuwe rechtsgeldige verkoop zou gebeuren waarbij hij dan wel de kans zou kunnen krijgen om afzonderlijke percelen aan te kopen en de middelen die hij aanvoert tot vernietiging, voornamelijk de verkoop van de negenzeventig percelen in één lot en dus niet per perceel of in meerdere loten tegen een beweerdelijk te lage prijs, betreffen; - in de hypothese dat die redenering wordt gevolgd, de vernietiging van de overeenkomst tot gevolg kan hebben dat de verweerder wel in de mogelijkheid gesteld wordt om afzonderlijke percelen te kopen; - dit voor de verweerder is aan te merken als een voldoende ernstig persoonlijk en rechtstreeks belang om de vordering tot vernietiging van de overeenkomst in te stellen. Gelet op deze beslissing dienden de appelrechters niet meer te antwoorden op de aanvoering van de eiser dat het belang van een derde bij de betwisting van staatssteun, een concurrentieverhouding veronderstelt van die derde met de begunstigde van de steun en dat de verweerder als lokale landbouwer duidelijk geen activiteiten verricht die in concurrentie staan met de activiteiten van de verweerster die een investeringsmaatschappij is, die immers niet meer dienend was. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- De relativiteit van de overeenkomsten verhindert niet dat een derde die aanvoert dat een overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die hem schade heeft berokkend, belang heeft om de nietigverklaring van de overeenkomst als herstel van zijn beweerde schade te vorderen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
- Een tegenstrijdigheid tussen beschikkingen kan slechts bestaan tussen beschikkingen van een zelfde rechterlijke beslissing. Het onderdeel dat een tegenstrijdigheid aanvoert tussen de beschikkingen van een tussenarrest en deze van een eindarrest, kan niet worden aangenomen. Tweede middel Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 107, eerste lid, VWEU zijn, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat als staatssteun worden beschouwd de maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen direct of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden geacht een economisch voordeel te vormen dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet had kunnen verkrijgen, dat wil zeggen zonder overheidsingrijpen (zie in die zin: HvJ 27 januari 2022, C-238/20, Satini-S, r.o. 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak; HvJ 19 oktober 2023, C-186/22, Sad Trasporto Locale Spa, r.o. 36; HvJ 27 juni 2017, C-74/16, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania, r.o. 65).
- Blijkens de Mededeling van de Europese Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU mag, indien de aan- en verkoop van activa, goederen en diensten of andere vergelijkbare transacties verloopt via een concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure in overeenstemming met de Verdragsbeginselen voor overheidsopdrachten, worden aangenomen dat die transacties marktconform zijn, mits de correcte criteria voor het selecteren van de koper of verkoper zijn gehanteerd. Deze criteria betreffen met name dat, wanneer overheidsinstanties activa, goederen en diensten verkopen, het enige relevante criterium voor de selectie van de koper de hoogste prijs dient te zijn, mede rekening houdende met de verlangde contractuele regelingen en, wanneer overheidsinstanties activa, goederen en diensten kopen, aan de inschrijvingsprocedure verbonden specifieke voorwaarden niet-discriminerend dienen te zijn en nauw en objectief verband dienen te houden met het voorwerp van de opdracht en de specifieke economische doelstelling van de opdracht waarbij de criteria zo dienen te worden bepaald dat daarmee een daadwerkelijke inschrijvingsprocedure mogelijk is die de succesvolle inschrijver een normaal rendement oplevert. Indien een transactie via een inschrijvingsprocedure of op voet van gelijkheid heeft plaatsgevonden, levert dit direct en specifiek bewijs op dat de transactie marktconform is. Indien een transactie echter niet via een inschrijvingsprocedure plaatsvindt of indien de maatregel van de overheidsinstantie niet op voet van gelijkheid met die van particuliere marktdeelnemers plaatsvindt, betekent dit niet automatisch dat de transactie niet-marktconform is. In dit soort zaken kan de marktconformiteit nog steeds worden beoordeeld via benchmarking of andere waarderingsmethoden. Daaruit volgt niet dat uit de enkele vaststelling dat een inschrijvingsprocedure niet marktconform is verlopen, in het bijzonder omdat de inschrijvingsprocedure niet voldeed aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid, het bestaan van een voordeel kan worden afgeleid.
- Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. Krachtens 8.4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Krachtens artikel 8.4, tweede lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die beweert bevrijd te zijn, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen.
- Uit deze bepalingen volgt dat bij een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide in de regel op de benadeelde rust.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de kwalificatie van een maatregel als steun in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU vereist dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: (i) de maatregel moet de staat kunnen worden toegerekend en met staatsmiddelen zijn bekostigd; (ii) aan de begunstigden ervan moet een voordeel zijn verleend; (iii) dit voordeel moet selectief van aard zijn; (iv) de maatregel moet de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden; - aan de eerste, derde en vierde voorwaarden is voldaan; - de vraag rijst of ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, met name of er een voordeel bestaat; - een voordeel in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU een economisch voordeel is dat een onderneming onder normale marktomstandigheden, dit wil zeggen zonder tussenkomst van de staat, niet had kunnen verkrijgen; - een transactie als marktconform kan worden aangemerkt wanneer het gaat om de aan- en verkoop van activa, goederen en diensten of andere vergelijkbare transacties via een concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure; - het aan de verweerder is aan te tonen dat de transactie niet marktconform is verlopen, in het bijzonder dat de inschrijvingsprocedure niet voldeed aan de vermelde vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie dan wel onvoorwaardelijkheid; - indien niet voldaan is aan een van deze vereisten, mag worden aangenomen dat een voordeel niet uit te sluiten valt; - wanneer de verweerder aantoont dat de transactie niet marktconform is verlopen, het aan de eiser is om aan te tonen dat er geen voordeel werd verleend; - de verweerder afdoende aantoont dat de kwestieuze transactie niet marktconform is verlopen aangezien de inschrijvingsprocedure niet concurrerend of open was; - de eiser dit niet ontkracht; - gelet op het cumulatieve karakter van de voorwaarden waaraan een inschrijvingsprocedure moet voldoen om een voordeel uit te sluiten, de schending van het vereiste van een concurrerende procedure volstaat om te concluderen dat de inschrijvingsprocedure niet de voldoende waarborgen bood om het bestaan van een voordeel uit te sluiten in het kader van artikel 107, eerste lid, VWEU; - gelet op dit oordeel de eiser dient aan te tonen dat er geen voordeel werd verleend en dat een voordeel op een andere grondslag kan worden uitgesloten; - het net is omdat de vastgoedtransactie als niet marktconform kan worden aangemerkt en de eiser of de verweerster niet aantoont dat een voordeel op een andere grondslag kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld middels een voorafgaand aan de transactie opgemaakt onafhankelijk taxatierapport dat een waarde bepaalt die dicht ligt bij de uiteindelijk betaalde prijs, dat moet worden aangenomen dat de eiser aan de verweerster een voordeel heeft toegekend in die zin dat de prijs geboden door de verweerster lager was dan de marktprijs van de gronden; - er sprake is van een voordeel ten gunste van de verweerster aangezien de vastgoedtransactie niet als marktconform kan worden aangemerkt; - een steunmaatregel die tot uitvoering wordt gebracht zonder dat voldaan is aan de verplichtingen die gelden op grond van artikel 108, derde lid, VWEU onwettig is en de fout van de eiser vaststaat.
- De appelrechters die zodoende, na te hebben vastgesteld dat (i) de schending van het vereiste van een concurrerende procedure volstaat om te concluderen dat de inschrijvingsprocedure niet de voldoende waarborgen bood om het bestaan van een voordeel uit te sluiten in het kader van artikel 107, eerste lid, VWEU en (ii) de verweerder afdoende aantoont dat de kwestieuze transactie niet marktconform is verlopen aangezien de inschrijvingsperiode niet concurrerend of open was en de eiser dit niet ontkracht, besluiten tot het bestaan van een fout van de eiser op grond dat de eiser niet bewijst dat geen voordeel werd verleend en een voordeel op een andere grondslag kan worden uitgesloten en aldus uit het bestaan van een inschrijvingsprocedure waarvan ze vaststellen dat deze niet concurrerend en dus niet-marktconform was, afleiden dat een voordeel niet kan worden uitgesloten, terwijl de bewijslast van het voordeel berust op degene die zich op de staatsteun beroept, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 8 november
- Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest en in openbare rechtszitting van 28 februari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251031.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div