id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.6 Rolnummer: C.24.0088.N Zaak: Kempen advies Beerse contra BANK NAGELMACKERS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-03-24 Raadplegingen: 1188 - laatst gezien 2026-06-18 23:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.6 Fiches 1 - 3 Nu wordt aangevoerd dat zolang de handelsagentuurovereenkomst niet beëindigd is, de handelsagent geen kortere opzettingstermijn of lagere uitwinningsvergoeding moet dulden noch voorafgaand aan het einde van de samenwerking op geldige wijze van deze bescherming afstand kan doen of op voorhand een lagere bescherming kan overeenkomen en dat het pas na het einde van de handelsagentuurovereenkomst door het verstrijken van de door de principaal gegeven opzeggingstermijn dat de partijen hun onderhandelingsvrijheid terug op voet van gelijkwaardigheid herwinnen, en dat de bestaansreden om te voorzien in de dwingend voorgeschreven bescherming niet ophoudt op het ogenblik dat de handelsagent kennisneemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de door de principaal gegeven opzet, is er grond om aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag te stellen of de handelsagentuurovereenkomst als beëindigd dient beschouwd te worden in de zin van de artikelen 15.2 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, op het ogenblik van de effectieve stopzetting van de handelsagentuurovereenkomst, dus na het verstrijken van de opzeggingstermijn, dan wel op het ogenblik dat de handelsagent kennis neemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de opzegging van de handelsagentuurovereenkomst
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Zelfstandige handelsagenten - Einde handelsagentuurovereenkomst - Richtlijn 86/653/EEG - Artikelen 15.2 en 19 - Begrip “beëindigd” Wettelijke bepalingen: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 15.2 Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 19 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Zelfstandige handelsagenten - Einde handelsagentuurovereenkomst - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Richtlijn 86/653/EEG - Artikelen 15.2 en 19 - Begrip “beëindigd” Wettelijke bepalingen: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 15.2 Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 19 Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Zelfstandige handelsagenten - Einde handelsagentuurovereenkomst - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Richtlijn 86/653/EEG - Artikelen 15.2 en 19 - Begrip “beëindigd” Wettelijke bepalingen: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 15.2 Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 19 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0088.N 1. KEMPEN ADVIES BEERSE bv, met zetel te 2382 Ravels (Poppel), Dorp 63, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0878.911.555, 2. COMPAGNIE LCC bv, met zetel te 2382 Ravels (Poppel), Dorp 63, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0460.105.246, 3. WALSCHOTS VERZEKERINGEN bv, met zetel te 2382 Ravels (Poppel), Trier 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0480.238.585, 4. L. W., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BANK NAGELMACKERS nv, met zetel te 1000 Brussel, Montoyerstraat 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.140.107, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 juni 2023. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 28 januari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN 1. Uit het arrest blijken de volgende feitelijke gegevens: - tussen verweerster en de eerste tot derde eisers bestonden handelsagentuurovereenkomsten die op respectievelijk 22 mei 2003, 22 december 2006 en 31 januari 2006 zijn gesloten; - bij aangetekend schrijven van 8 juli 2016 zegde de verweerster deze agentuurovereenkomsten op met een opzeggingstermijn van respectievelijk (
- i)één maand, eindigend op 31 augustus 2016, en een opzeggingsvergoeding van vijf maanden, (
- ii)drie maanden, eindigend op 31 oktober 2016, en een opzegginsvergoeding van drie maanden en (iii) zes maanden, eindigend op 31 januari 2017; - op 12 oktober 2016 werd in onderling akkoord tussen de verweerster en de tweede eiseres de opzeggingstermijn die afliep op 31 oktober 2016 verlengd tot 15 november 2016; - op 27 oktober 2016 sloten de verweerster en de eisers een globaal akkoord; - de eisers waren nadien van oordeel dat de overeenkomst van 27 oktober 2016 onder druk van de verweerster zou zijn tot stand gekomen en zij riepen de nietigheid ervan in onder meer op grond van boek X Wetboek Economisch Recht, hierna WER; - de verweerster werd hierbij aangemaand tot betaling van bepaalde bedragen over te gaan. 2. De eisers dagvaardden de verweerster voor de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel teneinde, onder meer, te horen zeggen voor recht dat de overeenkomst van 27 oktober 2016 nietig was. De eisers riepen daarbij onder meer in dat deze overeenkomst strijdig was met de dwingende bepalingen ter bescherming van de handelsagent van boek X WER. 3. De Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel besliste bij vonnis van 12 maart 2020 tot afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst van 27 oktober 2016. Volgens de rechtbank herwonnen de partijen hun contractuele vrijheid eens de overeenkomst is beëindigd en is dit het geval van zodra de agent kennis krijgt van de beëindiging van de overeenkomst, ook indien de overeenkomst pas later, namelijk na het verstrijken van de opzeggingstermijn, eindigt. Toen de eisers de omvang van de opzeggings-, uitwinnings- en bijkomende vergoeding regelden in de overeenkomst van 27 oktober 2016, konden zij volgens de rechtbank vrij over hun rechten beschikken. 4. De eisers stelden hoger beroep in tegen dit vonnis bij verzoekschrift van 28 augustus 2020 neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel. 5. Bij arrest van 19 juni 2023 verklaart het hof van beroep te Brussel het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. De appelrechters bevestigen het beroepen vonnis en veroordelen de eisers tot de nader begrote gedingkosten. III. CASSATIEMIDDEL Geschonden wetsbepalingen - Het algemeen rechtsbeginsel houdende de primauteit van het communautair recht op de internrechtelijke normen; - Het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn; - Artikel 15.2, 17, 18 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten; - De artikelen X.16, X.17, X.18, X.19, X.20 en X.21 WER; - Artikel 6, in de versie vóór de afschaffing bij wet van 28 april 22, en 1338 van het Oud Burgerlijk Wetboek; - Artikel 1.3 Burgerlijk Wetboek; Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest : “Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt de eisers hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld in hun hoofde op 20 euro, en tot het betalen aan de verweerster van een rechtsplegingsvergoeding van 22.500 euro. Veroordeelt de eisers hoofdelijk tot het betalen aan de Belgische Staat - FOD Financiën van het rolrecht van 400 euro, op uitnodiging.” “Wat de eis tot nietigverklaring van de overeenkomst d.d. 27 oktober 2016 (Minnelijk Akkoord) betreft 18. De eisers werpen vooreerst op dat dit contract nietig is wegens de schending van de dwingende handelsagentuurwetgeving. Volgens hen is deze overeenkomst nietig omdat minstens artikel 3 en 5 ervan in strijd zijn met de dwingende bepalingen ter bescherming van de handelsagent. De toegekende opzeggingsvergoedingen zijn te laag en het beding dat er geen uitwinningsvergoeding noch een bijkomende vergoeding verschuldigd zijn, is eveneens strijdig met de dwingende bepalingen van de Agentuurwet. Aangezien de partijen geen deelbaarheidsbeding hebben opgenomen in dit Minnelijk Akkoord, leidt dit tot de nietigheid van het gehele contract. Het hof overweegt het volgende. De eisers houden voor dat de artikelen X.16, X.17 en X.19 WER van dwingend recht zijn en dat daarvan niet kan worden afgeweken voor het einde van de overeenkomst. Artikel X.21 WER bepaalt: Voordat de handelsagentuurovereenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent afwijken van de bepalingen van de artikelen X.18, X.19 en X.20." Het recht op een opzeggingsvergoeding, op een uitwinningsvergoeding en op de bijkomende schadeloosstelling, zoals bedoeld in artikel X.19 WER, is ontstaan op het ogenblik dat de eisers kennis hebben genomen of redelijkerwijze kennis konden nemen van de opzegging van de agentschapscontracten door de verweerster op 8 juli 2016, ook al eindigde de samenwerking pas later, na het verstrijken van de opzeggingstermijn. Vanaf dat ogenblik herwonnen zij hun contractuele vrijheid en herleefde de gelijkwaardigheid van de partijen en konden de eisers vrij beschikken over deze rechten en erover onderhandelen met de verweerster en was de bestaansreden om te voorzien in hun bescherming verdwenen. Dit wordt niet tegengesproken door de bewoordingen van artikel X.21 WER en door de officiële Nederlandse versie van artikel 19 van de Agentuurrichtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten: "Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken." De partijen kunnen derhalve afspraken maken over de eventueel verschuldigde opzeggingsvergoeding, uitwinningsvergoeding en bijkomende schadeloosstelling, eens vaststaat dat de handelsagentuur een einde zal nemen, zelfs al is dit op een latere datum. De eisers verwijzen vruchteloos naar hun vertaling van andere taalversies, die gewag maken van "/'échéance", van "Ablaut" en van "expires". Bijgevolg is er geen rechtsgrond om de overeenkomst van 27 oktober 2016 nietig te verklaren wegens de beweerde schending van de dwingende wetgeving inzake de handelsagentuur. Volledigheidshalve wijst het hof op het feit dat de opzeggingstermijn met betrekking tot het bankagentschap te Beerse (eerste eiseres) reeds voordien een einde had genomen, meer bepaald op 31 augustus 2016. De door de eisers ingeroepen nietigheid werd in ieder geval gedekt door de bevestiging van het door de partijen gesloten akkoord, nadat de agentschapsovereenkomsten effectief een einde hadden genomen: - in een notariële akte van 23 november 2016 werd in uitvoering van het Minnelijk Akkoord met ingang van 16 november 2016 in onderling akkoord en dus op minnelijke wijze een einde gesteld aan de huurovereenkomst die met betrekking tot het pand te Poppel was gesloten met de NV Bankunie (rechtsvoorgangster van de verweerster), werd hiervan kennis genomen door de onderhuurders en werd door deze laatsten verklaard dat zij niet rechtstreeks huurder wensten te worden van de hoofdverhuurder/eigenaar; in het Minnelijk Akkoord werd uitdrukkelijk aangegeven: Het verzoek tot beëindiging van de hoofdhuur en van de onderhuur en de ondertekening van de overeenkomsten tot beëindiging daarvan houden voor zover als nodig bevestiging in van alle afspraken die bij onderhavig contract worden gemaakt."; de opzeggingstermijn met betrekking tot het bankagentschap te Poppel was toen reeds verstreken, meer bepaald op 15 november 2016; - de eisers betwisten niet dat zij geen enkel voorbehoud hebben geformuleerd na de ontvangst van de betaling van de opzeggingsvergoedingen; - in uitvoering van het Minnelijk Akkoord van 27 oktober 2016 werd in juni 2017 zonder voorbehoud een bedrag van 8.314,99 euro aan kredietcommissies terugbetaald aan de verweerster. Gelet op alle vorige overwegingen acht het hof het niet dienstig om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. 19. […]” Grieven 1. Boek X van het WER regelt de handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten, verkoopsconcessies en vervoersovereenkomsten. M.b.t. de handelsagentuurovereenkomst bepaalt artikel X.16,§1 WER aangaande de opzegging : “Is de handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten is of voor bepaalde tijd met de mogelijkheid vroegtijdig op te zeggen, dan heeft ieder der partijen het recht om die te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bedraagt één maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst. Na het eerste jaar wordt de opzeggingstermijn vermeerderd met een maand voor elk begonnen jaar zonder dat deze termijn zes maanden mag te boven gaan en onverminderd de bepalingen van het derde lid. De partijen mogen geen kortere opzeggingstermijnen overeenkomen. […]” M.b.t. de uitwinningsvergoeding bepaalt artikel X.21 WER: “Voordat de handelsagentuurovereenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent afwijken van de bepalingen van de artikelen X.18, X.19 en X.20.” 2. Deze bepalingen zijn de omzetting door de Belgische wetgever van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten. Artikel 15.2 van deze richtlijn bepaalt eveneens m.b.t. de opzegtermijn “De partijen mogen geen kortere termijnen overeenkomen”, dan diegene die zijn voorgeschreven, terwijl artikel 19 eveneens m.b.t. de uitwinningsvergoedingen bepaalt “Voordat de overeenkomst is beëindigd mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken” Ook het Hof van Justitie aanziet deze voorschriften als van dwingende aard ter bescherming van de handelsagent: “22 Volgens de rechtspraak van het Hof is de bij de artikelen 17 tot en met 19 van de richtlijn ingevoerde regeling dwingend, met name omdat deze richtlijn de handelsagent beoogt te beschermen na de beëindiging van de overeenkomst (arrest van 9 november 2000, Ingmar, C 381/98, Jurispr. blz. I 9305, punt 21).” (HvJ., C-465/04 dd. 23 maart 2006, inzake Honyvem). Het dwingend karakter van deze bepalingen, - mede op grond van de communautaire bepalingen waarvan zij de uitwerking zijn en in overeenstemming met hun Unierechtelijke autonome betekenis, waarmee zij moeten worden uitgelegd in het interne recht -, heeft tot gevolg dat, zolang de handelsagentuurovereenkomst niet beëindigd is, de handelsagent geen kortere opzegtermijn of lagere uitwinningvergoeding moet dulden, noch voorafgaand aan het einde van de samenwerking op geldige wijze van deze bescherming afstand kan doen of op voorhand een lagere bescherming kan overeenkomen. Het is pas na het einde van de handelsagentuurovereenkomst door de uitwerking van de door de principaal gegeven opzegtermijn dat partijen hun onderhandelingsvrijheid terug op voet van gelijkwaardigheid herwinnen, vermits enkel vanaf de daadwerkelijke stopzetting van de samenwerking de handelsagent niet langer meer op een of andere manier afhankelijk is van zijn economisch sterkere principaal. Tijdens de opzegtermijn blijft de overeenkomst immers voortbestaan zodat partijen er gedurende die termijn nog door gebonden blijven. Het voorgaande betekent dat de bestaansreden om te voorzien in de dwingend voorgeschreven bescherming niet ophoudt op het ogenblik dat de handelsagent kennis neemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de door zijn principaal gegeven opzeg. Eerste onderdeel 3. De appelrechter stelt vast op p. 9 in randnr .7: “Bij aangetekend schrijven d.d. 8 juli 2016 zegde de verweerster voormelde agentuurcontracten op : - […] - de met de tweede verweerster gesloten overeenkomst werd opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden, eindigend op 31 oktober 2016, […]; - de met de derde verweerster gesloten overeenkomst werd opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden, eindigend op 31 januari 2017;” en op p. 10 in randnr. 9: “Op 12 oktober 2016 sloten de tweede eiseres en de verweerster een overeenkomst waarbij voormelde opzegtermijn werd verlengd tot 15 november 2016.” 4. De appelrechter stelt vast op p. 10 in randnr. 10 dat tijdens de loop van deze voormelde opzegtermijnen partijen een zogenaamd “Minnelijk Akkoord” sloten: “Op 27 oktober 2016 sloten de eisers, enerzijds en de verweerster anderzijds, een overeenkomst, die het voorwerp uitmaakt van huidig geschil.” 5. De appelrechter beslist evenwel op p. 19 dat er geen rechtsgrond is om dit “Minnelijk akkoord” van 27 oktober 2016 nietig te verklaren, omdat “de bestaansreden om te voorzien in […] de bescherming van de eisers verdwenen [was]” vanaf “het ogenblik dat de eisers kennis hebben genomen of redelijkerwijze kennis konden nemen van de opzegging van de agentschapscontracten door de verweerster op 8 juli 2016, ook al eindigde de samenwerking pas later, na het verstrijken van de opzeggingstermijn”. 6. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist, dat er geen rechtsgrond is om de overeenkomst van 27 oktober 2016 nietig te verklaren wegens de beweerde schending van de dwingende wetgeving inzake de handelsagentuur, omdat de bestaansreden om te voorzien in de bescherming van eisers voordien reeds op 8 juli 2016 verdwenen was bij de kennisname van de door verweerster uitgebrachte opzeggingen. (Schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende de primauteit van het communautair recht op de internrechtelijke normen, de aangehaalde artikelen 15.2, 17, 18 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986, de artikelen X.16, X.17, X.18, X.19, X.20 en X.21 WER, het aangehaald artikel 6 Oud Burgerlijk Wetboek en 1.3 Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel 7. De handelsagent kan geen geldige afstand doen van de bescherming die hem door de voormelde bepalingen van de artikelen X.16 en X.21 WER , respectievelijk 15.2 en 19 van de aangehaalde Richtlijn 86/653/EEG wordt geboden zolang de bestaansreden ervan aanhoudt, dit is tot zolang de samenwerking met de principaal daadwerkelijk niet is stopgezet hetgeen slechts het geval is na het verstrijken van de opzegtermijn. 8. Uit de stukken waarop Uw Hof regelmatig acht vermag te slaan blijkt op p. 20 van het bestreden arrest dat de notariële akte van 23 november 2016 dateert van vóór het verstrijken van de opzegtermijn per 31 januari 2017 in hoofde van derde eiseres. 9. Hieruit volgt dat deze notariële akte van 23 november 2016 door de appelrechter onwettig als een geldige bevestiging van het door partijen gesloten “Minnelijk Akkoord” weerhouden werd in hoofde van derde eiseres gelet op de dwingende bescherming die zij op die datum nog genoot tot 31 januari 2017. (Schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende de primauteit van het communautair recht op de internrechtelijke normen, de aangehaalde artikelen 15.2, 17, 18 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986, het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, artikel 1338 van het Oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen X.16, X.17, X.18, X.19, X.20 en X.21 WER, het aangehaald artikel 6 Oud Burgerlijk Wetboek en 1.3 Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel 10. Net zoals een bekrachtiging krachtens artikel 1338 van het Oud Burgerlijk Wetboek kan een afstand, krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat een afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd, slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn. 11. Uit de stukken waarop Uw Hof regelmatig acht vermag te slaan op p. 20 van het bestreden arrest blijkt dat: - het enkel feit dat eisers, waaronder ook derde eiseres, na de ontvangst van de betaling van de opzeggingsvergoedingen “geen enkel voorbehoud hebben geformuleerd”, niet voor geen enkele andere uitlegging vatbaar is dan de noodzakelijke wil bij eisers te moeten inhouden om de nietigheid te dekken van het “Minnelijk akkoord”, wanneer eisers bij aangetekend schrijven dd. 25 september 2017 de geldigheid ervan wel betwist hebben (p. 17 randnr. 13 van het bestreden arrest). - het enkel feit dat eisers in juni 2017 “zonder voorbehoud” een bedrag van 8.314,99 euro aan kredietcommissies hebben terugbetaald aan verweerster, -waarvan slechts 2.454,72 euro door derde eiseres werd terugbetaald -, niet voor geen enkele andere uitlegging vatbaar is dan de noodzakelijke wil bij eisers te moeten inhouden om de nietigheid te dekken van het “Minnelijk akkoord”, wanneer eisers bij aangetekend schrijven dd. 25 september 2017 de geldigheid ervan wel betwist hebben (p. 17 randnr. 13 van het bestreden arrest). 12. Immers, eisers voerden in hun regelmatig genomen “syntheseberoepsbesluiten”, gedateerd op 18 mei 2021, op p. 30-31 aan: “Ingevolge de overeenkomst dd. 27.10.2016, werd er bij de eisers op aangedrongen om al een bedrag van 8.314,99 EUR terug te betalen en dit op 28.03.2017 (stuk 22). Op dat ogenblik had de verweerster nog steeds haar akkoord niet gegeven m.b.t. de verkoop van het pand te Turnhout, (…) (zie hoger), zodanig dat zij de eisers onder druk bleef zetten. Zoals aangehaald, zal de verweerster haar vordering tot terugbetaling van “vooruitbetaalde” commissies t.b.v. 8.314,99 EUR koppelen aan haar toestemming met het oog op de verkoop. Dit blijkt onder meer uit het feit dat dhr. H. G. (de verweerster) op 01.06.2017 nog steeds geen overeenkomst had opgemaakt (hoewel deze beloofd werd op 29.03.2017, zie hoger) maar waarin hij deze wel aankondigde. Hij liet duidelijk verstaan als volgt, per e-mail van 01.06.2017: “Luc, Ter info. Ik werk nu verder af. Denk jij tijdig aan de betaling die ook vooraf dient te gebeuren, alsook aan de betaling voor de terugvorderbare kredietcommissies?” (stuk 23) De eisers werden op die manier onder druk gezet om zowel de vergoeding ad. 100.000,00 EUR te betalen, alsook de “terugvorderbare kredietcommissies” ad. 8.314,99 EUR. Zonder beide betalingen, zou geen overdracht mogelijk zijn. Dit bleek hoger al duidelijk en enkel de verweerstergelooft nog in haar eigen verhalen. Deze bedragen werden uiteindelijk betaald, opdat er kon worden doorgegaan met de verkoop van het pand te Turnhout, (…) en dit gelet op de grote druk en het geweld, opgelegd en uitgeoefend door de verweerster. Zo werd het bedrag van 100.000,00 EUR betaald door de derde eiseres en werd het bedrag van 8.314,99 EUR als volgt betaald: de eerste eiseres : 4.085,26 EUR de derde eiseres: 2.454,72 EUR (1.694,02 EUR + 760.70 EUR) de tweede eiseres: 1.775,01 EUR De verweerster houdt in haar schrijven dd. 12.10.2017 voor dat de vierde eiser er een jaar over zou hebben gedaan om tot het besef van misbruik te komen en dat de timing de eisers goed zou uitkomen (stuk 26). Dit is uiteraard niet het geval. De druk en het geweld vielen pas weg toen het pand te Turnhout, (…), werd verkocht. Hierover zwijgt de verweerster natuurlijk. Als iets niet in haar kraam past, verzwijgt zij dit liever. Het is dus duidelijk dat de verweerster tot zeer recent druk en geweld zou uitoefenen en dat de eisers dus geenszins getalmd hebben, maar dat zij na de verkoop onmiddellijk zijn overgegaan tot de uitoefening van hun rechten.” Aldus blijkt de tijdelijke voorbehoudloze houding van de eisers m.b.t. de voormelde terugbetalingen en de afspraken te zijn ingegeven door hun belang om met zekerheid het akkoord te bekomen van de verweerster met de verkoop van het pand te Turnhout, (…) op 29 juni 2017 (p.17 van het bestreden arrest). 13. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig uit de enkele afwezigheid van een door eisers uitgedrukt voorbehoud na de ontvangst van de betaling van de opzeggingsvergoedingen en de terugbetaling van 8.314,99 euro kredietcommissies heeft afgeleid dat de eisers zouden hebben afgezien van de bescherming waarvan ze genoten, dan wanneer de houding van de eisers wel degelijk voor een andere uitlegging vatbaar is, zoals blijkt uit de aangehaalde aanvoeringen in hun besluiten. (Schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende de primauteit van het communautair recht op de internrechtelijke normen, de aangehaalde artikelen 15.2, 17, 18 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986, het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, artikel 1338 van het Oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen X.16, X.17, X.18, X.19, X.20 en X.21 WER, het aangehaald artikel 6 Oud Burgerlijk Wetboek en 1.3 Burgerlijk Wetboek). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel X.16, § 1, eerste en tweede lid, WER heeft, indien de handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten of voor bepaalde tijd met de mogelijkheid vroegtijdig op te zeggen, ieder der partijen het recht om die te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bedraagt een maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst. Na het eerste jaar wordt de opzeggingstermijn vermeerderd met een maand voor elk begonnen jaar zonder dat deze termijn zes maanden mag te boven gaan en onverminderd de bepalingen van het derde lid. De partijen mogen geen kortere opzeggingstermijnen overeenkomen. Krachtens artikel X.18, eerste lid, WER, heeft de handelsagent, na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst, recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. Krachtens artikel X.19 WER kan, voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningvergoeding bepaald in artikel X.18 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding. Krachtens artikel X.20 WER ontstaat het recht op de vergoedingen bedoeld in de artikelen X.18 en X.19 eveneens wanneer door het overlijden van de handelsagent de overeenkomst wordt beëindigd. Artikel X.21 WER bepaalt: “Voordat de handelsagentuurovereenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent afwijken van de bepalingen van de artikelen X.18, X.19 en X.20.” 2. Voormelde wetsbepalingen vormen de omzetting in België van de Richtlijn 89/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten. Artikel 15.1 van deze richtlijn bepaalt dat, indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, elke partij haar met inachtneming van een opzeggingstermijn kan beëindigen. Artikel 15.2 van deze richtlijn bepaalt dat de opzeggingstermijn een maand bedraagt gedurende het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden indien het tweede jaar is ingegaan, drie maanden indien het derde jaar is ingegaan en gedurende de navolgende jaren. De partijen mogen geen kortere termijnen overeenkomen. Krachtens artikel 17.1 van de richtlijn nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 of herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt. Krachtens artikel 17.4 van de richtlijn ontstaat het in lid 2 bedoelde recht op vergoeding of het in lid 3 bedoelde recht op herstel van het nadeel eveneens wanneer door het overlijden van de handelsagent de overeenkomst wordt beëindigd. Artikel 18 van de richtlijn bepaalt de gevallen waarin vergoeding of herstel op grond van artikel 17 niet verschuldigd is. Artikel 19 van de richtlijn bepaalt: “Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken.” 3. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat in het bijzonder de artikelen 17 en 19 beogen de handelsagent te beschermen na de beëindiging van de overeenkomst en deze regels van de richtlijn van dwingende aard zijn (HvJ 9 november 2000, nr. C-381/98, Ingmar, r.o. 21; HvJ 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali, nr. C-465/04, r.o. 22; HvJ 26 maart 2009, Turgay Semen t. Deutsche Tamoil GmbH, nr. C-348/07, r.o. 17; HvJ 17 oktober 2013, nr. C-184/12, Unamar, r.o. 40). 4. De eisers voeren aan dat het dwingend karakter van deze bepalingen tot gevolg heeft dat, zolang de handelsagentuurovereenkomst niet beëindigd is, de handelsagent geen kortere opzeggingstermijn of lagere uitwinningsvergoeding moet dulden noch voorafgaand aan het einde van de samenwerking op geldige wijze van deze bescherming afstand kan doen of op voorhand een lagere bescherming overeenkomen. Volgens de eisers is het pas na het einde van de handelsagentuurovereenkomst door het verstrijken van de door de principaal gegeven opzeggingstermijn dat de partijen hun onderhandelingsvrijheid terug op voet van gelijkwaardigheid herwinnen en betekent dit dat de bestaansreden om te voorzien in de dwingend voorgeschreven bescherming niet ophoudt op het ogenblik dat de handelsagent kennis neemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de door de principaal gegeven opzeg. 5. De aldus opgeworpen betwisting kan slechts worden opgelost door het antwoord op de vraag wanneer een handelsagentuurovereenkomst als beëindigd kan worden beschouwd in de zin van de artikelen 15.2 en 19 Richtlijn 86/653/EEG, waarvoor het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend bevoegd is. 6. Het Hof dient aldus overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: “Dient de handelsagentuurovereenkomst als beëindigd beschouwd te worden in de zin van de artikelen 15.2 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, op het ogenblik van de effectieve stopzetting van de handelsagentuurovereenkomst, dus na het verstrijken van de opzeggingstermijn, dan wel op het ogenblik dat de handelsagent kennis neemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de opzegging van de handelsagentuurovereenkomst?” Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest en in openbare rechtszitting van 28 februari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.6 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div