id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1250
, 1° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: Indeplaatsstelling - Voorwaarde - Gelijktijdig met de betaling - Begrip Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1250
, 1° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BETALING Vrije woorden: Indeplaatsstelling - Voorwaarde - Gelijktijdig met de betaling - Begrip Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1250, 1° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
C.24.0100.N BALOISE BELGIUM nv, met zetel te 2600 Antwerpen, Posthofbrug 16, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.048.883, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.494.849, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 25 april
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 30 januari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 1250, 1°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indeplaatsstelling bij overeenkomst geschiedt wanneer de schuldeiser, die betaling ontvangt van een derde persoon, hem doet treden in zijn rechten, rechtsvorderingen, voorrechten of hypotheken tegen de schuldenaar. Deze indeplaatsstelling moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling geschieden.
- Aan de voorwaarde dat de indeplaatsstelling gelijktijdig met de betaling geschiedt, kan de schuldeiser voldoen door, zelfs in een document van vóór de betaling, zijn voornemen aan te geven om de derde persoon in zijn rechten, rechtsvorderingen, voorrechten of hypotheken te doen treden op het moment van de betaling door deze persoon.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres stelt dat de verweerster, die de rechtsbijstandsverzekeraar is van de benadeelde, niet de hoedanigheid van gesubrogeerde in diens rechten heeft en dus geen rechtstreekse vordering tegen haar kan instellen; - de verweerster onder stuk 5 een vergoedingskwitantie voorbrengt, waarbij de benadeelde zich op 18 januari 2021 akkoord verklaart met het door de verweerster voorgestelde bedrag als vergoeding voor zijn schade; - dit document verder vermeldt: “Ik verklaar uitdrukkelijk dat deze maatschappij in al mijn rechten treedt ten opzichte van al wie voor het ongeval aansprakelijk is”; - uit stuk 7 van de verweerster blijkt dat de effectieve vergoeding op 15 februari 2021 werd uitgekeerd; - derhalve duidelijk sprake is van een indeplaatsstelling bij overeenkomst, waarbij de eiseres echter opwerpt dat artikel 1250, 1°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de indeplaatsstelling gelijktijdig met de betaling dient te geschieden; - aangezien de overeenkomst dateert van 18 januari 2021 en de betaling slechts van 15 februari 2021, de verweerster, aldus de eiseres, niet rechtsgeldig is gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde; - de zienswijze van de eiseres fout en veel te strikt is: volgens deze letterlijke interpretatie zou het gehele proces van conventionele subrogatie zich in één en dezelfde seconde moeten afspelen, wat enkel louter theoretisch mogelijk is; - de beide onderdelen, subrogatie en betaling, in hun juiste betekenis moeten worden gezien; - het uitgangspunt is dat de derde-betaler niet kan optreden tegen de schuldenaar zolang hij zelf niet betaald heeft aan de schuldeiser; - de betaling immers de voorwaarde is opdat de indeplaatsstelling kan gebeuren; - de subrogant en de derde-betaler echter wel degelijk voorafgaandelijk een overeenkomst tot subrogatie kunnen sluiten, die pas uitwerking verkrijgt op het ogenblik dat er daadwerkelijk wordt betaald; - de gelijktijdigheid dus louter slaat op het intreden van het rechtsgevolg, niet op de overeenkomst waarin dit rechtsgevolg wordt beoogd.
- Met deze redenen oordeelt de appelrechter naar recht en zonder de bewijskracht van de vergoedingskwitantie van 18 januari 2021 te miskennen, dat aan de voorwaarde dat de indeplaatsstelling gelijktijdig met de betaling geschiedt, is voldaan doordat deze vergoedingskwitantie pas uitwerking verkrijgt op het ogenblik dat er daadwerkelijk wordt betaald. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, besluit de appelrechter tot conventionele en niet tot wettelijke indeplaatsstelling. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- De appelrechter oordeelt, enerzijds, dat de verweerster de benadeelde heeft vergoed voor 4.610,27 euro en derhalve ten belope van dit bedrag gesubrogeerd is in diens rechten en, anderzijds, dat de bijkomend door de verweerster gevorderde administratiekosten van 100 euro door de eiseres niet worden betwist.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechter, door de eiseres te veroordelen tot betaling van 4.709 euro aan de verweerster, oordeelt dat de verweerster in de rechten van de benadeelde werd gesubrogeerd voor een hoger bedrag dan het door haar aan de benadeelde vergoede bedrag van 4.610,27 euro, berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist derhalve feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 273,12 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest en in openbare rechtszitting van 28 februari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div