← België

JAVNO PREDUZECE ELEKTROPRIVREDA BIH D.D. c. STRABAG AG

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 1717

, § 3, b), ii) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - ALGEMEEN Vrije woorden: Arbitrale uitspraak - Vernietiging - Rechter - Bevoegdheid - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717

, § 3, b), ii) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Fiches 3 - 4 De verplichting bepaald bij artikel 1713, § 4, Gerechtelijk Wetboek om de arbitrale uitspraak met redenen te omkleden waarvan de miskenning overeenkomstig artikel 1717, § 3, a), iv), Gerechtelijk Wetboek kan leiden tot vernietiging van de arbitrale beslissing, heeft dezelfde draagwijdte als de rechterlijke motiveringsplicht bepaald in artikel 149 Grondwet; hieruit volgt dat het scheidsgerecht evenmin ertoe is gehouden de redenen van zijn redenen te vermelden. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Vrije woorden: Arbitrale uitspraak - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1713, § 4 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717

, § 3, a), iv) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Arbitrage - Arbitrale uitspraak - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1713, § 4 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717, § 3, a), iv) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Tekst van de beslissing Nr.

C.24.0202.N JAVNO PREDUZECE ELEKTROPRIVREDA BIH D.D. - SARAJEVO, publiekrechtelijke vennootschap naar het recht van Bosnië en Herzegovina, met zetel te 71000 Sarajevo (Bosnië en Herzegovina), Vilsonovo šetalište 15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie die optreedt op vordering en concept, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. STRABAG AG, vennootschap naar het recht van Oostenrijk, met zetel te 9800 Spittal an der Drau (Oostenrijk), Ortenburgerstra?e 27,
  2. KONCAR-INŽENJERING ZA ENERGETIKU I TRANSPORT D.D.O., vennootschap naar het recht van Kroatië, met zetel te 1000 Zagreb (Kroatië), Fallerovo šetalište 22, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 september
  3. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 18 december 2024 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
  4. De annulatierechter oordeelt dat: - het scheidsgerecht als feitenrechter in laatste aanleg op onaantastbare wijze heeft geoordeeld dat er geen overeenkomst bestond over een factuurvereiste, bij gebreke waarvan er evenmin sprake kon zijn van een uitvoering ervan die niet te goeder trouw was; - het door de eiseres aangevoerde middel tot nietigverklaring van de arbitrale uitspraak wegens strijdigheid met de openbare orde, in werkelijkheid een verdoken middel is om het debat inzake het bestaan van een overeenkomst over een factuurvereiste in deze procedure te laten overdoen; - het middel niet tot nietigverklaring van de arbitrale uitspraak kan leiden; - een annulatieberoep immers geen tweede aanleg inhoudt en de annulatierechter niet in de beoordeling ten gronde treedt.
  5. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de annulatierechter aldus niet dat het scheidsgerecht naar recht heeft geoordeeld dat er geen overeenkomst bestond over een factuurvereiste, bij gebreke waarvan er evenmin sprake kon zijn van een uitvoering ervan die niet te goeder trouw was, maar wel dat het oordeel van het scheidsgerecht onaantastbaar is en het bijgevolg niet aan de annulatierechter toekomt om na te gaan of er al dan niet een overeenkomst bestond over een factuurvereiste. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Eerste onderdeel
  6. De annulatierechter oordeelt dat de eiseres die een miskenning aanvoert van het beginsel van de bindende kracht van overeenkomsten uitgaat van de onjuiste premisse dat tussen partijen een overeenkomst bestond over een factuurvereiste.
  7. Deze zelfstandige, in het tweede onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden draagt de beslissing van de annulatierechter dat de miskenning van het beginsel van de bindende kracht niet tot de nietigverklaring van de arbitrale uitspraak kan leiden. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Vierde onderdeel
  8. Het onderdeel voert in werkelijkheid aan dat het scheidsgerecht de stukken heeft uitgelegd op een wijze die verschilt van de uitleg die de eiseres daarvan voorstelt.
  9. Dergelijke grief houdt geen miskenning van bewijskracht van akten in. In zoverre het onderdeel een miskenning van bewijskracht van akten aanvoert, is het niet ontvankelijk.
  10. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat uit het geheel van feitelijke elementen en stukken blijkt dat de arbitrale uitspraak een duidelijke willekeur in zich draagt, vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet is bevoegd en is het niet ontvankelijk.
  11. Voor het overige is het onderdeel afgeleid en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. De annulatierechter oordeelt dat het scheidsgerecht de bewijskracht van de stukken niet heeft miskend.
  13. Deze zelfstandige in het vierde onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden draagt de beslissing van de annulatierechter dat de arbitrale uitspraak niet kan worden vernietigd wegens miskenning van bewijskracht. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Vijfde onderdeel
  14. Krachtens artikel 1717, § 3, b), ii), Gerechtelijk Wetboek kan een arbitrale uitspraak worden vernietigd indien ze in strijd is met de openbare orde. Deze bepaling houdt niet in dat de rechter die over de vernietiging van een arbitrale beslissing moet oordelen het geschil opnieuw moet beoordelen in het licht van de bepalingen die de openbare orde raken waarvan toepassing wordt gemaakt in de bestreden beslissing, maar enkel dat hij verplicht is te controleren of de uitspraak in strijd is met de openbare orde.
  15. De annulatierechter stelt vast dat het scheidsgerecht de stelling van de eiseres dat de verweersters de goede trouw hebben miskend door het contract op te zeggen ingevolge de niet-betaling van de onder ICP nr. 10 gecertificeerde bedragen, heeft onderzocht en verworpen, en oordeelt dat een vanuit het standpunt van de eiseres “verkeerd” resultaat van die toetsing aan het principe van de uitvoering te goeder trouw, geen schending kan opleveren van de openbare orde. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de annulatierechter in het licht van het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten zelf moest nagaan of de verweersters het contract te goeder trouw hebben uitgevoerd, kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  16. De annulatierechter oordeelt dat in zoverre de eiseres het scheidsgerecht verwijt dat het niet heeft gemotiveerd waarom het geen bewijs van een overeengekomen factuurvereiste zag in het gegeven dat de verweersters in het verleden wel facturen hadden uitgereikt, de appreciatie door het scheidsgerecht van die praktijk uit het verleden, een onderdeel was van de motivering van het scheidsgerecht om geen overeenkomst over een factuurvereiste aan te nemen en dat het scheidsgerecht “zijn motivering niet moet motiveren”.
  17. Deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden draagt de beslissing van de annulatierechter dat er geen motiveringsgebrek voorligt. In zoverre het middel is gericht tegen een overtollige reden, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  18. De annulatierechter oordeelt dat in zoverre de eiseres een motiveringsgebrek aanvoert omdat het scheidsgerecht niet gemotiveerd heeft waarom het “er de voorkeur aan geeft, haar beslissing te baseren op een volgens haar te vage en algemene getuigenis, terwijl de getuigenis van R. een bijzonder grote relevantie vertoont voor de oplossing van dit geschil” zodat de arbitrale uitspraak “een duidelijke willekeur” in zich draagt, de in de conclusie van de eiseres opgenomen citaten niet voorkomen in haar “post-hearing brief (conclusie na hoorzitting)”, zodat de eiseres het scheidsgerecht bezwaarlijk kan verwijten niet te hebben geantwoord op iets dat zij niet in conclusie voor het scheidsgerecht heeft aangevoerd.
  19. Deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden draagt de beslissing van de annulatierechter dat er geen motiveringsgebrek voorligt. In zoverre het middel is gericht tegen een overtollige reden, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  20. De annulatierechter oordeelt dat het feit dat getuige R. niet aanwezig was op de tweede kick-off meeting en dat hij heeft toegegeven dat zijn verklaring was gebaseerd op de notulen van die meeting, een verklaring kan bieden voor het feit dat de schriftelijke verklaring van R. niet aan bod is gekomen in de discussie over de factuurvereiste in de “post-hearing brief” van de eiseres noch in de arbitrale uitspraak.
  21. Met die reden beantwoordt de annulatierechter het in het middel bedoelde verweer van de eiseres. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  22. De verplichting bepaald bij artikel 1713, § 4, Gerechtelijk Wetboek om de arbitrale uitspraak met redenen te omkleden waarvan de miskenning overeenkomstig artikel 1717, § 3, a, iv), Gerechtelijk Wetboek kan leiden tot vernietiging van de arbitrale beslissing, heeft dezelfde draagwijdte als de rechterlijke motiveringsplicht bepaald in artikel 149 Grondwet. Hieruit volgt dat het scheidsgerecht evenmin ertoe is gehouden de redenen van zijn redenen te vermelden.
  23. Uit de vaststellingen van de annulatierechter blijkt dat het scheidsgerecht het verweer van de eiseres dat de opzegging van het contract door de verweersters zou indruisen tegen de goede trouw omwille van de eigen wanprestaties van de verweersters, met inbegrip van de beweerde fabricage van de beëindiging door de verweersters, heeft verworpen met als reden dat: - geen van de door de eiseres aangevoerde wanprestaties de conclusie rechtvaardigen dat de verweersters niet langer loyaal waren aan het contract; - enkel de aangevoerde fabricage van de beëindiging door de verweersters zou kunnen kwalificeren als een gebrek aan loyauteit onder het contract; - het scheidsgerecht niet ervan was overtuigd dat de opzegging door de verweersters was gefabriceerd en voornamelijk was gemotiveerd door de poging van de verweersters om een prijsverhoging te bedingen. De annulatierechter die oordeelt dat het scheidsgerecht met die redenen zijn beslissing afdoende motiveert, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  24. Het middel dat opkomt tegen de eigen interpretatie die het scheidsgerecht geeft van de Bosnische Boekhoudwet, voert geen motiveringsgebrek aan, maar bekritiseert de wettigheid van de arbitrale uitspraak. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  25. De annulatierechter oordeelt dat nog los van het feit dat hij zich niet dient te buigen over de concrete omstandigheden van de onderliggende zaak, hij niet inziet hoe het argument dat het scheidsgerecht bij zijn motivering geen rekening houdt met de concrete omstandigheden van de zaak, een ander licht zou kunnen werpen op datgene wat al werd beslist over de motivering van de arbitrale uitspraak.
  26. Met deze redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, verwerpt en beantwoordt de annulatierechter het verweer van de eiseres dat het scheidsgerecht bij zijn motivering geen rekening houdt met de concrete omstandigheden van de zaak. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  27. De omstandigheid dat geen rekening wordt gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak vormt geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 478,75 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Bruno Lietaert en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 3 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250303.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.