← België

B. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

) FR Fiches 1 - 3 Behoudens indien het appelgerecht een ambtshalve grief aanvoert als bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is de saisine van dat gerecht beperkt tot die beslissingsonderdelen waartegen de appellant grieven aanvoert zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidbaar zijn verbonden; de beslissing over schuld aan de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 2bis, § 2, a), § 3, b)

§ 4

, b), Drugswet is niet onafscheidbaar verbonden met de beslissing over de schuld aan het basismisdrijf bepaald in artikel 2bis, § 1, Drugswet

wanneer aldus de beklaagde voor het appelgerecht een grief aanvoert waarmee hij

kel opkomt tegen zijn schuldigverklaring aan die verzwarende omstandigheden, moet het appelgerecht niet meer oordelen over de schuld van de beklaagde aan dat basismisdrijf, tenzij het daarover een ambtshalve middel aanvoert. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE

ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Grievenformulier - Beslissingsonderdelen die onafscheidbaar verbonden zijn - Verdovende middelen - Beslissing over de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 2bis, § 2, a), § 3, b)

§ 4

, b), Drugswet - Beslissing over de schuld aan het basismisdrijf bepaald in artikel 2bis, § 1, Drugswet - Geen onafscheidbaar verbonden beslissingsonderdelen - Grief beperkt tot schuldigverklaring aan de verzwarende omstandigheden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot

met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 2, a), 3, b)

4, b) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Hoger beroep - Grievenformulier - Beslissingsonderdelen die onafscheidbaar verbonden zijn - Verdovende middelen - Beslissing over de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 2bis, § 2, a), § 3, b)

§ 4

, b), Drugswet - Beslissing over de schuld aan het basismisdrijf bepaald in artikel 2bis, § 1, Drugswet - Geen onafscheidbaar verbonden beslissingsonderdelen - Grief beperkt tot schuldigverklaring aan de verzwarende omstandigheden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot

met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 2, a), 3, b)

4, b) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Hoger beroep - Grievenformulier - Beslissingsonderdelen die onafscheidbaar verbonden zijn - Verdovende middelen - Beslissing over de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 2bis, § 2, a), § 3, b)

§ 4

, b), Drugswet - Beslissing over de schuld aan het basismisdrijf bepaald in artikel 2bis, § 1, Drugswet - Geen onafscheidbaar verbonden beslissingsonderdelen - Grief beperkt tot schuldigverklaring aan de verzwarende omstandigheden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot

met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 2, a), 3, b)

4, b) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 4 - 5 Door artikel 2bis, § 2, a), Drugswet dat een zwaardere straf oplegt wanneer het in artikel 2bis, § 1, Drugswet bepaalde misdrijf wordt gepleegd ten aanzien van een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar, beoogt de wetgever het verwezenlijken van een verhoogde bescherming van die minderjarige wegens zijn grotere kwetsbaarheid wanneer hij in aanraking komt met drugs

dit veronderstelt dat de minderjarige zich daarvan bewust is of dat redelijkerwijze kan zijn; aldus is de verzwarende omstandigheid van artikel 2bis, § 2, a), Drugswet van toepassing op alle in artikel 2bis, § 1, Drugswet bedoelde misdrijven die worden gepleegd in de aanwezigheid van of met de betrokkenheid van een hier bedoelde minderjarige in omstandigheden waar hij zich daarvan bewust is of redelijkerwijze kan zijn; de eigen houding van de minderjarige speelt daarbij geen rol zodat voor de bewezenverklaring van de verzwarende omstandigheid niet vereist is dat de minderjarige de feiten

kel ondergaat of zich bewust is van

ig gevaar

(1).
(1)Zie Cass. 4 maart 2025, AR P.24.1528.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.2; Cass. 2 maart 2010, AR P.09.1726.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2, AC 2010, nr. 141; Cass. 8 februari 2006, AR P.05.1543.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060208.8, AC 2006, nr. 83. Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Misdrijf - Verzwarende omstandigheid - Misdrijf gepleegd "ten aanzien" van een minderjarige - Minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1

2, a) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf gepleegd "ten aanzien" van een minderjarige - Minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1

2, a) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1527.N T. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen G. A., vrijwillig tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder, zoals nochtans vereist door artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing van het arrest over de vordering van de verweerder tot teruggave, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM

de artikelen 203

204 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen dat zij ingevolge het hoger beroep van de eiser

kel saisine hebben om te oordelen over de verzwarende omstandigheden dat de eiser de hoedanigheid had van leidende persoon van de vereniging, bedoeld in artikel 2bis, § 3, b)

§ 4

, b), Drugwet,

dat de drugmisdrijven werden gepleegd ten aanzien van een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar, bedoeld in artikel 2bis, § 2, a), Drugwet; de eiser heeft in zijn grievenformulier de rubrieken schuld

straf aangeduid

onder de rubriek schuld vermeld wat volgt: “[De eiser] werd veroordeeld voor tenlastelegging A

B. Betwisting hoedanigheid leidinggevend persoon + ten aanzien van minderjarige boven de leeftijd van 16 jaar”; een grief over de schuldvraag maakt bij het appelgerecht de telastlegging aanhangig; aldus behoorde de schuld van de eiser aan de gehele telastleggingen A

B tot de saisine van het appelgerecht; het andersluidende oordeel van het arrest geeft blijk van overdreven formalisme

miskent het recht op toegang tot de rechter (eerste onderdeel); uit de bewoordingen van eisers grief, in het bijzonder de vermelding daarin van de telastlegging B, blijkt dat de eiser opkwam tegen zijn schuldigverklaring aan de gehele telastlegging A (tweede onderdeel). 3. Het arrest (p. 15) stelt vast dat de eiser op de rechtszitting van 18 september 2024 heeft meegedeeld afstand te doen van de grief betreffende de schuld aan de telastlegging B omdat hij voor die telastlegging niet is vervolgd

dat aan de eiser akte wordt verleend van die afstand. In zoverre het middel geen acht slaat op die afstand, berust het op een onvolledige lezing van het arrest

mist het feitelijke grondslag.

  1. Behoudens indien het appelgerecht een ambtshalve grief aanvoert als bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is de saisine van dat gerecht beperkt tot die beslissingsonderdelen waartegen de appellant grieven aanvoert zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidbaar zijn verbonden.
  2. De beslissing over schuld aan de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 2bis, § 2, a), § 3, b)

§ 4

, b), Drugwet is niet onafscheidbaar verbonden met de beslissing over de schuld aan het basismisdrijf bepaald in artikel 2bis, § 1, Drugwet. Wanneer aldus de beklaagde voor het appelgerecht een grief aanvoert waarmee hij

kel opkomt tegen zijn schuldigverklaring aan die verzwarende omstandigheden, moet het appelgerecht niet meer oordelen over de schuld van de beklaagde aan dat basismisdrijf, tenzij het daarover een ambtshalve middel aanvoert. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 6. Uit de in het middel vermelde bewoordingen van eisers grievenformulier kan het arrest wettig afleiden dat de grief van de eiser

kel betrekking had op zijn schuldigverklaring aan de verzwarende omstandigheden van de telastlegging A. Die gevolgtrekking houdt geen overdreven formalisme in. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet

de artikelen 130, 182

211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verwijzingsbeschikking bij de vonnisrechters ook feiten lastens de eiser aanhangig heeft gemaakt in verband met inbreuken op de drugwetgeving in het algemeen; de eiser is

kel vervolgd voor de feiten gepleegd ten aanzien van de minderjarige; aldus doen de appelrechters aan autosaisine.

  1. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging A, met inbegrip van de in artikel 2bis, § 2, a), Drugwet bepaalde verzwarende omstandigheid ten aanzien van de in die telastlegging vermelde minderjarige. Die beslissing is, zoals blijkt uit het antwoord op het derde middel, naar recht verantwoord. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet

artikel 2bis Drugwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het inzetten van minderjarigen bij het verhandelen van verdovende middelen een handelen ten aanzien van minderjarigen betreft; de minderjarige dient de handelingen te ondergaan of zich bewust te zijn van het gevaar; het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet afleiden dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op de drugwetgeving ten aanzien van minderjarigen. 10. De motiveringsplicht bedoeld in artikel 149 Grondwet houdt voor de rechter

kel een formele verplichting in. Een onjuiste beoordeling levert geen motiveringsgebrek op in de zin van die bepaling. 11. Artikel 2bis, § 2, a), Drugwet legt een zwaardere straf op wanneer het in artikel 2bis, § 1, Drugwet bepaalde misdrijf wordt gepleegd ten aanzien van een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar. Hierdoor beoogt de wetgever het verwezenlijken van een verhoogde bescherming van die minderjarige wegens zijn grotere kwetsbaarheid wanneer hij in aanraking komt met drugs. Dit veronderstelt dat de minderjarige zich daarvan bewust is of dat redelijkerwijze kan zijn. Aldus is de verzwarende omstandigheid van artikel 2bis, § 2, a), Drugwet van toepassing op alle in artikel 2bis, § 1, Drugwet bedoelde misdrijven die worden gepleegd in de aanwezigheid van of met de betrokkenheid van een hier bedoelde minderjarige in omstandigheden waar hij zich daarvan bewust is of redelijkerwijze kan zijn. De eigen houding van de minderjarige speelt daarbij geen rol. Bijgevolg is voor de bewezenverklaring van de verzwarende omstandigheid niet vereist dat de minderjarige de feiten

kel ondergaat of zich bewust is van

ig gevaar.

  1. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  2. Het arrest (p. 18) oordeelt dat in een aangetroffen groepsgesprek de eiser aan de minderjarige de opdracht gaf om “van de 288 150 gram te maken” wat in het licht van de verklaring van de minderjarige

de overige verklaringen van de medebeklaagden dat de minderjarige de pakketjes cocaïne moest verdelen

klaarmaken, overduidelijk betrekking heeft op deze verzwarende omstandigheid.

  1. Op grond van die redenen kan het arrest de eiser wettig schuldig verklaren aan de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 2bis, § 2, a), Drugwet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 37quinquies Strafwetboek

artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de bijzondere motiveringsplicht: uit het arrest blijkt niet dat de appelrechters rekening houden met eisers verzoek om hem een werkstraf op te leggen; het arrest beantwoordt dat verzoek niet

laat de eiser niet toe de beslissing te begrijpen. 16. In zijn appelconclusie heeft de eiser aan de appelrechters in ondergeschikte orde gevraagd om hem een werkstraf dan wel een straf met probatie-uitstel op te leggen

de gebeurlijke geldboete eveneens met uitstel op te leggen. Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2024 heeft de eiser in ondergeschikte orde gevraagd hem een straf met probatievoorwaarden op te leggen

heeft hij zich, daarover in persoon ingelicht door de appelrechters, akkoord verklaard met het naleven van probatievoorwaarden.

  1. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die een verzoek van een beklaagde om een werkstraf afwijst, die beslissing met redenen moet omkleden.
  2. Uit die bepaling volgt niet dat de rechter die weigert een werkstraf uit te spreken, daarvoor noodzakelijk een op zichzelf staande motivering moet opgeven. De rechter kan die weigering ook motiveren met redenen waarmee hij een verzoek tot het verlenen van een probatie-uitstel afwijst of met redenen op grond waarvan hij andere of effectieve straffen oplegt.
  3. Het arrest oordeelt op grond van een geheel van gegevens die het opsomt, namelijk de aard

de ernst van de feiten, de duurtijd van de incriminatieperiode voor wat de handel in verdovende middelen betreft, eisers streefdoel naar gemakkelijk geldgewin, eisers leidinggevende

organiserende rol, eisers jeugdige leeftijd

eisers persoonlijke

sociale toestand

persoonlijkheid, waaronder een voor de eiser gunstig evolutieverslag van de justitie-assistent, dat voor de vermengde feiten van de telastleggingen A

C (onwettig wapenbezit) onder meer een hoofdgevangenisstraf van vier jaar verantwoord is, dat een uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden niet passend is

dat het opleggen van een effectieve gevangenisstraf

een effectieve geldboete, rekening houdend met de aard

de ernst van de feiten

de aan het hof van beroep verstrekte gegevens met betrekking tot de persoonlijkheid

de bezigheden van de eiser, geen disproportionele declassering tot gevolg heeft. Uit die redenen blijkt dat het arrest ook het

kel bij appelconclusie geformuleerde verzoek van de eiser om hem een werkstraf op te leggen, verwerpt. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed

naar recht verantwoord. Dat het arrest, anders dan bij een medebeklaagde, de werkstraf als dusdanig niet vermeldt, doet hieraan geen afbreuk

heeft niet tot gevolg dat de eiser de beslissing niet kan begrijpen. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel 20. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°

43bis Strafwetboek

artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het geïndividualiseerde karakter van de straf

de bijzondere motiveringsplicht: het arrest beveelt lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van een bedrag van 500.000,00 euro, dat de eiser zou hebben verkregen uit de feiten van de telastlegging A; op basis van de motivering van het arrest kan de eiser deze verbeurdverklaring, die hij ingevolge het gebrek aan precieze gegevens heeft betwist, niet begrijpen; de door het arrest gehanteerde beoordelingselementen slaan

kel op de vermogensvoordelen voor de organisatie in haar geheel, maar niet op de vermogensvoordelen voor de eiser individueel; het arrest baseert zich ook niet op concrete gegevens van het strafdossier

het bepaalt de verbeurdverklaring op een willekeurige wijze.

  1. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag van een uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Daarvoor dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van het vermogensvoordeel toelaten. De beslissing moet de essentiële gegevens bevatten die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de toegepaste straf van de verbeurdverklaring uit te oefenen.
  2. De rechter kan vermogensvoordelen ex aequo et bono bepalen op een forfaitaire wijze, onder meer gesteund op de opbrengsten van de organisatie of de vereniging in het kader waarvan de feiten werden gepleegd, alsook op de rol

het aandeel van de beklaagde in die organisatie of die vereniging, in zoverre dit wordt verantwoord door de concrete dossiergegevens. 23. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel

over de mate waarin hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.

  1. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  2. Het arrest (p. 23-24) oordeelt als volgt: - het openbaar ministerie berekende het vermogensvoordeel voor de eiser op in totaal 1.021.790,00 euro, vertrekkend van een dagopbrengst van 8.000,00 euro vermenigvuldigd met 126 dagen; - het staat vast dat de eiser aanzienlijke vermogensvoordelen heeft genoten uit de telastlegging A. Dit blijkt uit de aangetroffen gelden, uit de uitlezing van gsm's van de oorspronkelijk medebeklaagden

uit de verklaring van B.; - een mathematisch exacte berekening van het door de eiser genoten vermogensvoordeel is niet mogelijk omdat op grond van de

kele verklaring van B. niet zonder meer mag worden aangenomen dat er elke dag een omzet was van 8.000,00 euro. Wel was er sprake van een aanzienlijke klantenlijst

werd er zeer intensief gedeald; - bij ontstentenis van meer nauwkeurige gegevens worden de vermogensvoordelen voortvloeiende uit de verkoop van cocaïne bepaald in redelijkheid

billijkheid

rekening houdende met hogervermelde gegevens; - het hof van beroep brengt ook de rol

de mate van de betrokkenheid van de eiser in rekening

het feit dat de winsten werden gegenereerd door een vereniging met meerdere deelnemers; - het hof van beroep bepaalt in lijn met het voorgaande

tevens rekening houdende met de verbeurdverklaring van de luxe-jas, de illegale vermogensvoordelen voor de eiser in redelijkheid

billijkheid op 500.000,00 euro; - het opleggen van deze verbeurdverklaringen maakt voor de eiser geen onredelijk zware straf uit. Uit niets blijkt dat de verbeurdverklaring disproportioneel zou zijn. Louter volledigheidshalve onderstreept het hof van beroep nog dat de eiser hoe dan ook in gebreke blijft aannemelijk te maken dat de voormelde verbeurdverklaringen dermate afbreuk zouden doen aan zijn financiële toestand dat ze een miskenning van het eigendomsrecht zouden inhouden. 26. Op grond van die redenen, die de eiser toelaten de beslissing te begrijpen, kan het arrest met de vereiste zekerheid, zonder willekeur noch miskenning van eisers eigendomsrecht

op grond van een individuele beoordeling naar de eiser toe, het door de eiser uit de telastlegging A verkregen vermogensvoordeel ex aequo et bono bepalen op een bedrag van 500.000,00 euro. Aldus is de beslissing eveneens regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel 27. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°

43bis Strafwetboek

artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet waarom de specifieke persoonlijke

financiële situatie van de eiser niet toelaat de verbeurdverklaring te matigen overeenkomstig artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek; evenmin motiveert het of er met de aangevoerde gegevens rekening is gehouden

in hoeverre dit desgevallend gebeurde; nochtans werd deze matiging door de eiser expliciet gevraagd bij conclusie; de rechter dient na te gaan of de omvang van de verbeurdverklaarde goederen overeenstemt met de ernst van het gepleegde misdrijf

moet aftoetsen of deze straf geen buitensporige last meebrengt voor de beklaagde.

  1. Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid van artikel 43bis bedoelde geldwaarde vermindert om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.
  2. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, maar het komt aan de veroordeelde wel toe de gegevens aan te reiken die de rechter in staat moeten stellen de redelijkheid van de eventueel te bevelen verbeurdverklaring te beoordelen.
  3. In zijn appelconclusie (p. 5) heeft de eiser aangevoerd dat nergens uit het strafdossier blijkt dat hij

ig persoonlijk vermogensvoordeel heeft genoten dan wel gerealiseerd, dat zijn rol uiterst inferieur was zodat zeker geen gelijke verdeling gehanteerd kan worden bij een gebeurlijke raming ex aequo et bono, dat gelet op het gebrek aan bewijs de vordering ongegrond dient te worden verklaard

dat de vordering minstens extreem herleid dient te worden teneinde geen onredelijk zware bestraffing op te leggen, waarbij in het bijzonder rekening dient gehouden te worden met de collectieve schuldenregeling van de eiser. 31. Met de redenen vermeld in het antwoord op het vijfde middel verwerpt

beantwoordt het arrest dat verweer, zonder dat het daarop tot in de bijzonderheden dient in te gaan. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed

naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen

de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert

Jos Decoker,

in openbare rechtszitting van 4 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060208.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.