) FR Fiches 1 - 2 Door artikel 2bis, § 2, a),
, a), Drugswet dat een zwaardere straf oplegt wanneer het in artikel 2bis, § 1, Drugswet bepaalde misdrijf wordt gepleegd ten aanzien van hetzij een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar, hetzij een minderjarige boven de volle leeftijd van 12 jaar
minder dan volle zestien jaar oud, beoogt de wetgever het verwezenlijken van een verhoogde bescherming van die minderjarigen wegens zijn grotere kwetsbaarheid wanneer zij in aanraking komen met drugs
dit veronderstelt dat die minderjarigen zich daarvan bewust zijn of dat redelijkerwijze kunnen zijn; aldus zijn de verzwarende omstandigheden van artikel 2bis, § 2, a),
, a), Drugswet van toepassing op alle in artikel 2bis, § 1, Drugswet bedoelde misdrijven die worden gepleegd in de aanwezigheid van of met de betrokkenheid van hier bedoelde minderjarigen in omstandigheden waar de minderjarigen zich daarvan bewust zijn of redelijkerwijze kunnen zijn; de eigen houding van de minderjarige speelt daarbij geen rol zodat voor de bewezenverklaring van de verzwarende omstandigheid niet vereist is dat de minderjarige de feiten
kel ondergaat of zich bewust is van
ig gevaar
minder dan volle 16 jaar oud - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen
verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen
antiseptica
van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 2, a),
3, a) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf gepleegd "ten aanzien" van een minderjarige - Minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar - Minderjarige boven de volle leeftijd van 12 jaar
minder dan volle 16 jaar oud - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen
verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen
antiseptica
van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 2, a),
3, a) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1528.N I P. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Abdel Belkhouribchia, advocaat bij de balie Limburg. II N. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg. III L. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jeroen Vandenberk, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 oktober
bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel, eerste onderdeel, van de eiser II
het eerste middel van de eiser III 3. De middelen
het onderdeel voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet
de artikelen 130, 182
211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de saisine niet was beperkt tot inbreuken op de drugwetgeving in zoverre ze waren gepleegd ten aanzien van de in de telastleggingen genoemde minderjarigen; de feiten waarvoor de eisers II
III door de raadkamer naar de correctionele rechtbank werden verwezen, zijn bijzonder strikt afgelijnd
beperken zich tot de feiten gepleegd ten aanzien van minderjarigen; aldus doen de appelrechters aan autosaisine. 4. Het arrest verklaart de eiser II schuldig aan de telastleggingen A.2, B.1, B.2, B.4, C.2, D.1, D.2
D.4
verklaart de eiser III schuldig aan de telastleggingen B.6
D.6, telkens met inbegrip van de in artikel 2bis, § 2, a) dan wel § 3, a), Drugwet bepaalde verzwarende omstandigheden ten aanzien van de in die telastleggingen vermelde minderjarigen. Die beslissing is, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel, tweede onderdeel
het tweede middel van de eiser II
het tweede middel van de eiser III, naar recht verantwoord. 5. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel, tweede onderdeel,
tweede middel van de eiser II
tweede middel van de eiser III 6. De middelen
het onderdeel voeren schending aan van artikel 149 Grondwet
artikel 2bis Drugwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verzwarende omstandigheid dat de druginbreuken zijn gepleegd ten aanzien van minderjarigen in de zin van artikel 2bis Drugwet voorhanden is wanneer minderjarigen actief deel uitmaken van een vereniging die drugmisdrijven pleegt; het oordeelt ten onrechte dat het inzetten van minderjarigen bij het verhandelen van verdovende middelen een handelen ten aanzien van minderjarigen betreft; de minderjarige dient de handelingen te ondergaan; de situatie waarin de minderjarige zelf actief, al dan niet in het kader van een vereniging met meerderjarigen, inbreuken op de drugwetgeving pleegt of hierin zelfs een leidende rol speelt, valt niet per definitie onder de verzwarende omstandigheid; het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet afleiden dat de eisers II
III zich schuldig hebben gemaakt aan inbreuken op de drugwetgeving ten aanzien van minderjarigen. 7. De motiveringsplicht bedoeld in artikel 149 Grondwet houdt voor de rechter
kel een formele verplichting in. Een onjuiste beoordeling levert geen motiveringsgebrek op in de zin van die bepaling. 8. Artikel 2bis, § 2, a)
, a), Drugwet legt een zwaardere straf op wanneer het in artikel 2bis, § 1, Drugwet bepaalde misdrijf wordt gepleegd ten aanzien van hetzij een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar, hetzij een minderjarige die meer dan volle twaalf jaar
minder dan volle zestien jaar oud is. Hierdoor beoogt de wetgever het verwezenlijken van een verhoogde bescherming van die minderjarigen wegens hun grotere kwetsbaarheid wanneer zij in aanraking komen met drugs. Dit veronderstelt dat de minderjarigen zich daarvan bewust zijn of dat redelijkerwijze kunnen zijn. Aldus zijn de verzwarende omstandigheden van artikel 2bis, § 2, a)
, a), Drugwet van toepassing op alle in artikel 2bis, § 1, Drugwet bedoelde misdrijven die worden gepleegd in de aanwezigheid van of met de betrokkenheid van hier bedoelde minderjarigen in omstandigheden waar de minderjarigen zich daarvan bewust zijn of redelijkerwijze kunnen zijn. De eigen houding van de minderjarige speelt daarbij geen rol. Bijgevolg is voor de bewezenverklaring van die verzwarende omstandigheden niet vereist dat de minderjarige de feiten
kel ondergaat of zich bewust is van
ig gevaar. 9. In zoverre het onderdeel
de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 10. Het arrest (p. 14-15) oordeelt onder meer als volgt: - de wetgever beoogde met de invoering van de betreffende verzwarende omstandigheid een verhoogde bescherming van minderjarigen wegens hun hogere kwetsbaarheid. Deze bescherming gaat ervan uit dat verdovende middelen voor de minderjarige gevaarlijk kunnen zijn
houdt in dat ofwel de minderjarige over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt om zich bewust te zijn van de feiten die in zijn aanwezigheid zijn gepleegd ofwel dat hij rechtstreeks het risico loopt de schadelijke gevolgen van die feiten te ondergaan. Het is niet vereist dat de verdovende middelen aan de minderjarige worden verkocht of door hem worden gebruikt. De eenvoudige aanwezigheid van de minderjarige bij de ten laste gelegde druginbreuken volstaat voor het voorhanden zijn van de verzwarende omstandigheid dat de inbreuken werden gepleegd ten aanzien van een minderjarige. Voor feiten die zouden zijn gepleegd door meerderjarigen in het kader van een vereniging met onder meer minderjarige leden kan aldus de verzwarende omstandigheid voorhanden zijn; - het hof van beroep stelt vast dat de minderjarigen waarvan sprake in de ten laste gelegde feiten over voldoende onderscheidingsvermogen beschikten om zich bewust te zijn van de feiten die in hun aanwezigheid zouden zijn gepleegd
eventueel ook door henzelf werden gepleegd. Het komt de meerderjarigen toe om oog te hebben voor de kwetsbaarheid van minderjarigen die door de medewerking van meerderjarige personen worden beïnvloed
minder stilstaan bij de ernst van de door hen gepleegde feiten, wat nefast is voor hun verdere ontwikkeling
verdere norm-
waardebepaling, hetgeen de wetgever heeft willen vermijden
zwaarder heeft willen bestraffen in hoofde van de meerderjarigen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig de eisers II
III schuldig verklaren aan de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 2bis, § 2, a) dan wel § 3, a), Drugwet. In zoverre kunnen het onderdeel
de middelen niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser II 11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering
artikel 3 Probatiewet: uit de motivering van het arrest blijkt niet dat er bij de beslissing geen opschorting toe te staan een afweging werd gemaakt tussen eensdeels de ernst
de aard van de bewezen verklaarde feiten
de persoonlijkheid van de eiser II
anderdeels de nadelige effecten van een bestraffing voor zijn reclassering
resocialisering, die in concreto door de eiser II werden aangevoerd in zijn appelconclusie; in zijn appelconclusie voerde hij concrete gegevens aan betreffende zijn persoonlijke
professionele situatie
de nadelige effecten van een bestraffing voor zijn reclassering
resocialisering; uit het arrest kan niet worden opgemaakt dat de appelrechters rekening hielden met die concrete gegevens, gestaafd aan de hand van stukken, waarnaar in appelconclusie werd verwezen; de door de eiser II aangevoerde gegevens worden op geen
kele wijze betrokken in de motivering. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven. Het (p. 35) verwijst voor de straftoemeting naar de door de eiser II neergelegde stukken, waarvan het de inhoud weergeeft
oordeelt vervolgens (p. 36) ook als volgt: - rekening houdende met alle concrete dossiergegevens ten aanzien van de eiser II dringt zich een streng signaal op, in de zin van een gevangenisstraf van drie jaar
een geldboete van 8.000,00 euro, zijnde 1.000,00 euro vermeerderd met 70 opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; - deze straf wordt opgelegd ten einde de eiser II het besef bij te brengen dat het verhandelen van verdovende middelen in geen
kele omstandigheid kan worden getolereerd
om hem ervan te weerhouden om in de toekomst nieuwe misdrijven te plegen; - de aan de eiser II opgelegde geldboete heeft tot doel hem te raken in zijn vermogen
dient hem te doen inzien dat streven naar crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; - gelet op het blanco strafregister van de eiser II, zijn jeugdige leeftijd, de door hem ondergane voorhechtenis
de tijd die inmiddels is verstreken sedert het plegen van de feiten, wordt uitstel van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf toegestaan behoudens het gedeelte van de voorlopige hechtenis. Met die redenen
de reden (p. 37) dat uit niets blijkt dat een veroordeling voor de eiser II een onevenwichtige sociaaleconomische declassering zou meebrengen, maken de appelrechters de in het middel bedoelde afweging
beantwoorden zij het ter zake door de eiser II gevoerde verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser II
het derde middel van de eiser III 12. De middelen voeren schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°
43bis Strafwetboek
artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het geïndividualiseerde karakter van de straf
van de bijzondere motiveringsplicht: het arrest laat na te motiveren op basis van welke specifieke elementen het totale wederrechtelijk vermogensvoordeel wordt bepaald; het arrest raamt niet het totale vermogensvoordeel dat de vereniging zou hebben gegenereerd
erkent dat het vermogensvoordeel uit de verkoop van de verdovende middelen niet exact kan worden bepaald, aangezien bepaalde parameters onzeker zijn; het maakt ook niet een ex aequo et bono inschatting van dat integrale vermogensvoordeel; het houdt wel rekening met de rol
de mate van betrokkenheid van iedere beklaagde, om zijn persoonlijk gegenereerde vermogensvoordeel te bepalen; het arrest motiveert niet met welke concrete elementen of gegevens uit het strafdossier rekening werd gehouden bij de bepaling van het door de eisers II
III persoonlijk gegenereerde vermogensvoordeel; het is dan ook niet mogelijk voor de eisers II
III de beslissing tot verbeurdverklaring van die vermogensvoordelen te begrijpen, die bovendien niet van alle willekeur ontdaan is; de motivering van het arrest biedt bovendien geen voldoende antwoord op de middelen die de eisers II
III in hun appelconclusie aanvoeren.
het aandeel van de beklaagde in die organisatie of die vereniging, in zoverre dit wordt verantwoord door de concrete dossiergegevens. 15. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel
over de mate waarin hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
een bedrag naar redelijkheid
billijkheid bepaald op 250.000,00 euro voor de cannabishandel, bedragen die verder naar billijkheid dienen te worden verdeeld onder de beklaagden, rekening houdende met ieders rol
aandeel in de feiten; - het staat ontegensprekelijk vast dat de beklaagden wederrechtelijke vermogensvoordelen hebben genoten uit de door hen gepleegde feiten; - er liggen evenwel een aantal onzekere variabelen voor wat betreft de berekening van de precieze omvang van de aan de orde zijnde wederrechtelijke vermogensvoordelen die rechtstreeks zijn voortgekomen uit de door de beklaagden gepleegde feiten; - zo is de exacte hoeveelheid verkochte cocaïne
cannabis niet met zekerheid te bepalen, noch is de gevraagde verkoopprijs met zekerheid te bepalen omdat sommige afnemers spreken van 40,00 euro per gram cocaïne
anderen over 50,00 euro per gram; - anderzijds staat het vast dat het om een aanzienlijke hoeveelheid ging gelet op de verklaringen van de afnemers, de aangetroffen berichten in de gsm-toestellen van de beklaagden
de aangetroffen foto’s met daarop aanzienlijke hoeveelheden cash geld; zo blijkt uit de
kele verklaring van de afnemer X dat die in de periode tussen februari 2021
zijn betrapping op heterdaad
kele maanden later, in mei 2021, reeds voor 900 gram had gekocht van de vereniging, wat alleen voor deze afnemer al neerkomt op een illegaal vermogensvoordeel van minimaal 36.000,00 euro; - bij ontstentenis van meer nauwkeurige gegevens die een mathematisch zekere berekening zouden toelaten, raamt het hof van beroep de vermogensvoordelen voortvloeiend uit de verkoop van cocaïne
cannabis in redelijkheid
billijkheid
rekening houdende met hogervermelde gegevens; - verder wordt ook de rol
de mate van betrokkenheid van de beklaagden in rekening gebracht
het feit dat de winsten werden gegenereerd door een vereniging met meerdere deelnemers waarvan
kele minderjarig waren
die aldus niet in zake zijn
waarbij zelfs mag aangenomen worden dat een belangrijk gedeelte van de gegenereerde vermogensvoordelen bij deze deelnemers moet zijn terecht gekomen; - aldus wordt in de lijn met het voorgaande het illegale vermogensvoordeel ten aanzien van de eiser II bepaald op 70.000,00 euro
ten aanzien van de eiser III op 60.000,00 euro. 18. Op grond van die redenen, die de eisers II
III toelaten de beslissing te begrijpen, kan het arrest met de vereiste zekerheid, zonder willekeur noch miskenning van hun eigendomsrecht
op grond van een individuele beoordeling naar hen toe, het door hen verkregen vermogensvoordeel ex aequo et bono bepalen op een bedrag van 70.000,00 euro voor de eiser II
60.000,00 euro voor de eiser III. Aldus is de beslissing eveneens regelmatig met redenen omkleed
wordt het door de eisers II
III aangevoerde verweer beantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser II
het vierde middel van de eiser III 19. De middelen voeren schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°
43bis Strafwetboek
artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het geïndividualiseerde karakter van de straf
van de bijzondere motiveringsplicht: het arrest motiveert niet waarom de uitgesproken verbeurdverklaring van 70.000,00 euro ten aanzien van de eiser II
60.000,00 euro ten aanzien van de eiser III geen onredelijk zware bestraffing voor hen is; het gaat niet na of een dergelijke verbeurdverklaring geen buitensporige last of buitensporig leed teweegbrengt voor de eisers II
III. Het middel van de eiser II voert verder nog aan dat de omstandigheid dat het arrest de verbeurdverklaring niet matigt, omdat de bepaling van de illegale vermogensvoordelen reeds in billijkheid gebeurde
het een minimale begroting ervan betreft, niet afdoende zijn; bovendien oordeelt het arrest ten onrechte dat de eiser II in gebreke blijft om aannemelijk te maken dat de opgelegde verbeurdverklaring afbreuk doet aan zijn financiële toestand; het arrest motiveert niet waarom de specifieke persoonlijke
financiële situatie van de eiser II geen matiging toelaat.
hem, gelet op zijn jonge leeftijd, elk toekomstperspectief zou ontnemen, omdat het een bedrag betreft dat men moeilijk afgelost krijgt in zijn leven
dat hij nooit een eigendom zou kunnen bezitten. De eiser III heeft in zijn appelconclusie gevraagd de verbeurdverklaring te herleiden. 23. Met de redenen vermeld in het antwoord op het vierde middel van de eiser II
het derde middel van de eiser III
met de redenen dat die verbeurdverklaringen ten aanzien van de eisers II
III geen onredelijk zware straf uitmaken
dat uit niets blijkt dat de verbeurdverklaringen van voormelde bedragen disproportioneel zouden zijn, verwerpt
beantwoordt het arrest het verweer van de eisers II
III, zonder dat het daarop tot in de bijzonderheden dient in te gaan. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed
naar recht verantwoord. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser III 24. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17
8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest miskent de bewijskracht van het aanhoudingsmandaat van 20 mei 2021, de navolgende beschikkingen van de raadkamer
de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling
ten slotte van de beschikking tot handlichting door de onderzoeksrechter van 6 januari 2021 door te oordelen dat de eiser III schuldig is aan de telastleggingen B.6
D.6 in de periode van zijn voorlopige hechtenis; er worden geen concrete feitelijke gedragingen weerhouden die de schuld van de eiser III binnen de periode van de voorlopige hechtenis zouden aantonen.
is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen
de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers I, II
III tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 303,12 euro, waarvan de eisers I, II
III elk 101,04 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert
Jos Decoker,
in openbare rechtszitting van 4 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060208.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.