← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

) FR Fiches 1 - 2 Door artikel 2bis, § 2, a),

§ 3

, a), Drugswet dat een zwaardere straf oplegt wanneer het in artikel 2bis, § 1, Drugswet bepaalde misdrijf wordt gepleegd ten aanzien van hetzij een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar, hetzij een minderjarige boven de volle leeftijd van 12 jaar

minder dan volle zestien jaar oud, beoogt de wetgever het verwezenlijken van een verhoogde bescherming van die minderjarigen wegens zijn grotere kwetsbaarheid wanneer zij in aanraking komen met drugs

dit veronderstelt dat die minderjarigen zich daarvan bewust zijn of dat redelijkerwijze kunnen zijn; aldus zijn de verzwarende omstandigheden van artikel 2bis, § 2, a),

§ 3

, a), Drugswet van toepassing op alle in artikel 2bis, § 1, Drugswet bedoelde misdrijven die worden gepleegd in de aanwezigheid van of met de betrokkenheid van hier bedoelde minderjarigen in omstandigheden waar de minderjarigen zich daarvan bewust zijn of redelijkerwijze kunnen zijn; de eigen houding van de minderjarige speelt daarbij geen rol zodat voor de bewezenverklaring van de verzwarende omstandigheid niet vereist is dat de minderjarige de feiten

kel ondergaat of zich bewust is van

ig gevaar

(1).
(1)Zie Cass. 4 maart 2025, AR P.24.1527.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.1; Cass. 2 maart 2010, AR P.09.1726.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2, AC 2010, nr. 141; Cass. 8 februari 2006, AR P.05.1543.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060208.8, AC 2006, nr. 83. Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Misdrijf - Verzwarende omstandigheid - Misdrijf gepleegd "ten aanzien" van een minderjarige - Minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar - Minderjarige boven de volle leeftijd van 12 jaar

minder dan volle 16 jaar oud - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 2, a),

3, a) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf gepleegd "ten aanzien" van een minderjarige - Minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar - Minderjarige boven de volle leeftijd van 12 jaar

minder dan volle 16 jaar oud - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 2, a),

3, a) - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1528.N I P. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Abdel Belkhouribchia, advocaat bij de balie Limburg. II N. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg. III L. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jeroen Vandenberk, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 oktober

  1. De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  2. In zoverre het arrest de eisers deels vrijspreekt van de hen ten laste gelegde feiten, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  3. Overeenkomstig artikel 424 Wetboek van Strafvordering neemt de termijn om cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing die bij verstek is gewezen voor alle partijen een aanvang na het verstrijken van de gewone termijnen van verzet, wanneer verzet mogelijk is. Het arrest werd op 23 oktober 2024 bij verstek gewezen ten aanzien van de eiser I, die cassatieberoep aantekende op 31 oktober 2024, hetzij voor het verstrijken van de gewone termijn van verzet. Het cassatieberoep I is voor het overige voorbarig

bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel, eerste onderdeel, van de eiser II

het eerste middel van de eiser III 3. De middelen

het onderdeel voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet

de artikelen 130, 182

211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de saisine niet was beperkt tot inbreuken op de drugwetgeving in zoverre ze waren gepleegd ten aanzien van de in de telastleggingen genoemde minderjarigen; de feiten waarvoor de eisers II

III door de raadkamer naar de correctionele rechtbank werden verwezen, zijn bijzonder strikt afgelijnd

beperken zich tot de feiten gepleegd ten aanzien van minderjarigen; aldus doen de appelrechters aan autosaisine. 4. Het arrest verklaart de eiser II schuldig aan de telastleggingen A.2, B.1, B.2, B.4, C.2, D.1, D.2

D.4

verklaart de eiser III schuldig aan de telastleggingen B.6

D.6, telkens met inbegrip van de in artikel 2bis, § 2, a) dan wel § 3, a), Drugwet bepaalde verzwarende omstandigheden ten aanzien van de in die telastleggingen vermelde minderjarigen. Die beslissing is, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel, tweede onderdeel

het tweede middel van de eiser II

het tweede middel van de eiser III, naar recht verantwoord. 5. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel, tweede onderdeel,

tweede middel van de eiser II

tweede middel van de eiser III 6. De middelen

het onderdeel voeren schending aan van artikel 149 Grondwet

artikel 2bis Drugwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verzwarende omstandigheid dat de druginbreuken zijn gepleegd ten aanzien van minderjarigen in de zin van artikel 2bis Drugwet voorhanden is wanneer minderjarigen actief deel uitmaken van een vereniging die drugmisdrijven pleegt; het oordeelt ten onrechte dat het inzetten van minderjarigen bij het verhandelen van verdovende middelen een handelen ten aanzien van minderjarigen betreft; de minderjarige dient de handelingen te ondergaan; de situatie waarin de minderjarige zelf actief, al dan niet in het kader van een vereniging met meerderjarigen, inbreuken op de drugwetgeving pleegt of hierin zelfs een leidende rol speelt, valt niet per definitie onder de verzwarende omstandigheid; het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet afleiden dat de eisers II

III zich schuldig hebben gemaakt aan inbreuken op de drugwetgeving ten aanzien van minderjarigen. 7. De motiveringsplicht bedoeld in artikel 149 Grondwet houdt voor de rechter

kel een formele verplichting in. Een onjuiste beoordeling levert geen motiveringsgebrek op in de zin van die bepaling. 8. Artikel 2bis, § 2, a)

§ 3

, a), Drugwet legt een zwaardere straf op wanneer het in artikel 2bis, § 1, Drugwet bepaalde misdrijf wordt gepleegd ten aanzien van hetzij een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar, hetzij een minderjarige die meer dan volle twaalf jaar

minder dan volle zestien jaar oud is. Hierdoor beoogt de wetgever het verwezenlijken van een verhoogde bescherming van die minderjarigen wegens hun grotere kwetsbaarheid wanneer zij in aanraking komen met drugs. Dit veronderstelt dat de minderjarigen zich daarvan bewust zijn of dat redelijkerwijze kunnen zijn. Aldus zijn de verzwarende omstandigheden van artikel 2bis, § 2, a)

§ 3

, a), Drugwet van toepassing op alle in artikel 2bis, § 1, Drugwet bedoelde misdrijven die worden gepleegd in de aanwezigheid van of met de betrokkenheid van hier bedoelde minderjarigen in omstandigheden waar de minderjarigen zich daarvan bewust zijn of redelijkerwijze kunnen zijn. De eigen houding van de minderjarige speelt daarbij geen rol. Bijgevolg is voor de bewezenverklaring van die verzwarende omstandigheden niet vereist dat de minderjarige de feiten

kel ondergaat of zich bewust is van

ig gevaar. 9. In zoverre het onderdeel

de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 10. Het arrest (p. 14-15) oordeelt onder meer als volgt: - de wetgever beoogde met de invoering van de betreffende verzwarende omstandigheid een verhoogde bescherming van minderjarigen wegens hun hogere kwetsbaarheid. Deze bescherming gaat ervan uit dat verdovende middelen voor de minderjarige gevaarlijk kunnen zijn

houdt in dat ofwel de minderjarige over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt om zich bewust te zijn van de feiten die in zijn aanwezigheid zijn gepleegd ofwel dat hij rechtstreeks het risico loopt de schadelijke gevolgen van die feiten te ondergaan. Het is niet vereist dat de verdovende middelen aan de minderjarige worden verkocht of door hem worden gebruikt. De eenvoudige aanwezigheid van de minderjarige bij de ten laste gelegde druginbreuken volstaat voor het voorhanden zijn van de verzwarende omstandigheid dat de inbreuken werden gepleegd ten aanzien van een minderjarige. Voor feiten die zouden zijn gepleegd door meerderjarigen in het kader van een vereniging met onder meer minderjarige leden kan aldus de verzwarende omstandigheid voorhanden zijn; - het hof van beroep stelt vast dat de minderjarigen waarvan sprake in de ten laste gelegde feiten over voldoende onderscheidingsvermogen beschikten om zich bewust te zijn van de feiten die in hun aanwezigheid zouden zijn gepleegd

eventueel ook door henzelf werden gepleegd. Het komt de meerderjarigen toe om oog te hebben voor de kwetsbaarheid van minderjarigen die door de medewerking van meerderjarige personen worden beïnvloed

minder stilstaan bij de ernst van de door hen gepleegde feiten, wat nefast is voor hun verdere ontwikkeling

verdere norm-

waardebepaling, hetgeen de wetgever heeft willen vermijden

zwaarder heeft willen bestraffen in hoofde van de meerderjarigen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig de eisers II

III schuldig verklaren aan de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 2bis, § 2, a) dan wel § 3, a), Drugwet. In zoverre kunnen het onderdeel

de middelen niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser II 11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering

artikel 3 Probatiewet: uit de motivering van het arrest blijkt niet dat er bij de beslissing geen opschorting toe te staan een afweging werd gemaakt tussen eensdeels de ernst

de aard van de bewezen verklaarde feiten

de persoonlijkheid van de eiser II

anderdeels de nadelige effecten van een bestraffing voor zijn reclassering

resocialisering, die in concreto door de eiser II werden aangevoerd in zijn appelconclusie; in zijn appelconclusie voerde hij concrete gegevens aan betreffende zijn persoonlijke

professionele situatie

de nadelige effecten van een bestraffing voor zijn reclassering

resocialisering; uit het arrest kan niet worden opgemaakt dat de appelrechters rekening hielden met die concrete gegevens, gestaafd aan de hand van stukken, waarnaar in appelconclusie werd verwezen; de door de eiser II aangevoerde gegevens worden op geen

kele wijze betrokken in de motivering. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven. Het (p. 35) verwijst voor de straftoemeting naar de door de eiser II neergelegde stukken, waarvan het de inhoud weergeeft

oordeelt vervolgens (p. 36) ook als volgt: - rekening houdende met alle concrete dossiergegevens ten aanzien van de eiser II dringt zich een streng signaal op, in de zin van een gevangenisstraf van drie jaar

een geldboete van 8.000,00 euro, zijnde 1.000,00 euro vermeerderd met 70 opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; - deze straf wordt opgelegd ten einde de eiser II het besef bij te brengen dat het verhandelen van verdovende middelen in geen

kele omstandigheid kan worden getolereerd

om hem ervan te weerhouden om in de toekomst nieuwe misdrijven te plegen; - de aan de eiser II opgelegde geldboete heeft tot doel hem te raken in zijn vermogen

dient hem te doen inzien dat streven naar crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; - gelet op het blanco strafregister van de eiser II, zijn jeugdige leeftijd, de door hem ondergane voorhechtenis

de tijd die inmiddels is verstreken sedert het plegen van de feiten, wordt uitstel van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf toegestaan behoudens het gedeelte van de voorlopige hechtenis. Met die redenen

de reden (p. 37) dat uit niets blijkt dat een veroordeling voor de eiser II een onevenwichtige sociaaleconomische declassering zou meebrengen, maken de appelrechters de in het middel bedoelde afweging

beantwoorden zij het ter zake door de eiser II gevoerde verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser II

het derde middel van de eiser III 12. De middelen voeren schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°

43bis Strafwetboek

artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het geïndividualiseerde karakter van de straf

van de bijzondere motiveringsplicht: het arrest laat na te motiveren op basis van welke specifieke elementen het totale wederrechtelijk vermogensvoordeel wordt bepaald; het arrest raamt niet het totale vermogensvoordeel dat de vereniging zou hebben gegenereerd

erkent dat het vermogensvoordeel uit de verkoop van de verdovende middelen niet exact kan worden bepaald, aangezien bepaalde parameters onzeker zijn; het maakt ook niet een ex aequo et bono inschatting van dat integrale vermogensvoordeel; het houdt wel rekening met de rol

de mate van betrokkenheid van iedere beklaagde, om zijn persoonlijk gegenereerde vermogensvoordeel te bepalen; het arrest motiveert niet met welke concrete elementen of gegevens uit het strafdossier rekening werd gehouden bij de bepaling van het door de eisers II

III persoonlijk gegenereerde vermogensvoordeel; het is dan ook niet mogelijk voor de eisers II

III de beslissing tot verbeurdverklaring van die vermogensvoordelen te begrijpen, die bovendien niet van alle willekeur ontdaan is; de motivering van het arrest biedt bovendien geen voldoende antwoord op de middelen die de eisers II

III in hun appelconclusie aanvoeren.

  1. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag van een uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Daarvoor dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van het vermogensvoordeel toelaten. De beslissing moet de essentiële gegevens bevatten die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de toegepaste straf van de verbeurdverklaring uit te oefenen.
  2. De rechter kan vermogensvoordelen ex aequo et bono bepalen op een forfaitaire wijze, onder meer gesteund op de opbrengsten van de organisatie of de vereniging in het kader waarvan de feiten werden gepleegd, alsook op de rol

het aandeel van de beklaagde in die organisatie of die vereniging, in zoverre dit wordt verantwoord door de concrete dossiergegevens. 15. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel

over de mate waarin hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.

  1. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  2. Het arrest (p. 40) oordeelt: - ten aanzien van de beklaagden werd door het openbaar ministerie een nieuwe schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen neergelegd; - het openbaar ministerie vordert een bedrag van 500.000,00 euro voor wat de cocaïnehandel betreft, berekend op tien blokken van één kilo cocaïne met een straatwaarde van 50,00 euro per gram

een bedrag naar redelijkheid

billijkheid bepaald op 250.000,00 euro voor de cannabishandel, bedragen die verder naar billijkheid dienen te worden verdeeld onder de beklaagden, rekening houdende met ieders rol

aandeel in de feiten; - het staat ontegensprekelijk vast dat de beklaagden wederrechtelijke vermogensvoordelen hebben genoten uit de door hen gepleegde feiten; - er liggen evenwel een aantal onzekere variabelen voor wat betreft de berekening van de precieze omvang van de aan de orde zijnde wederrechtelijke vermogensvoordelen die rechtstreeks zijn voortgekomen uit de door de beklaagden gepleegde feiten; - zo is de exacte hoeveelheid verkochte cocaïne

cannabis niet met zekerheid te bepalen, noch is de gevraagde verkoopprijs met zekerheid te bepalen omdat sommige afnemers spreken van 40,00 euro per gram cocaïne

anderen over 50,00 euro per gram; - anderzijds staat het vast dat het om een aanzienlijke hoeveelheid ging gelet op de verklaringen van de afnemers, de aangetroffen berichten in de gsm-toestellen van de beklaagden

de aangetroffen foto’s met daarop aanzienlijke hoeveelheden cash geld; zo blijkt uit de

kele verklaring van de afnemer X dat die in de periode tussen februari 2021

zijn betrapping op heterdaad

kele maanden later, in mei 2021, reeds voor 900 gram had gekocht van de vereniging, wat alleen voor deze afnemer al neerkomt op een illegaal vermogensvoordeel van minimaal 36.000,00 euro; - bij ontstentenis van meer nauwkeurige gegevens die een mathematisch zekere berekening zouden toelaten, raamt het hof van beroep de vermogensvoordelen voortvloeiend uit de verkoop van cocaïne

cannabis in redelijkheid

billijkheid

rekening houdende met hogervermelde gegevens; - verder wordt ook de rol

de mate van betrokkenheid van de beklaagden in rekening gebracht

het feit dat de winsten werden gegenereerd door een vereniging met meerdere deelnemers waarvan

kele minderjarig waren

die aldus niet in zake zijn

waarbij zelfs mag aangenomen worden dat een belangrijk gedeelte van de gegenereerde vermogensvoordelen bij deze deelnemers moet zijn terecht gekomen; - aldus wordt in de lijn met het voorgaande het illegale vermogensvoordeel ten aanzien van de eiser II bepaald op 70.000,00 euro

ten aanzien van de eiser III op 60.000,00 euro. 18. Op grond van die redenen, die de eisers II

III toelaten de beslissing te begrijpen, kan het arrest met de vereiste zekerheid, zonder willekeur noch miskenning van hun eigendomsrecht

op grond van een individuele beoordeling naar hen toe, het door hen verkregen vermogensvoordeel ex aequo et bono bepalen op een bedrag van 70.000,00 euro voor de eiser II

60.000,00 euro voor de eiser III. Aldus is de beslissing eveneens regelmatig met redenen omkleed

wordt het door de eisers II

III aangevoerde verweer beantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser II

het vierde middel van de eiser III 19. De middelen voeren schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°

43bis Strafwetboek

artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het geïndividualiseerde karakter van de straf

van de bijzondere motiveringsplicht: het arrest motiveert niet waarom de uitgesproken verbeurdverklaring van 70.000,00 euro ten aanzien van de eiser II

60.000,00 euro ten aanzien van de eiser III geen onredelijk zware bestraffing voor hen is; het gaat niet na of een dergelijke verbeurdverklaring geen buitensporige last of buitensporig leed teweegbrengt voor de eisers II

III. Het middel van de eiser II voert verder nog aan dat de omstandigheid dat het arrest de verbeurdverklaring niet matigt, omdat de bepaling van de illegale vermogensvoordelen reeds in billijkheid gebeurde

het een minimale begroting ervan betreft, niet afdoende zijn; bovendien oordeelt het arrest ten onrechte dat de eiser II in gebreke blijft om aannemelijk te maken dat de opgelegde verbeurdverklaring afbreuk doet aan zijn financiële toestand; het arrest motiveert niet waarom de specifieke persoonlijke

financiële situatie van de eiser II geen matiging toelaat.

  1. Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid van artikel 43bis bedoelde geldwaarde vermindert om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.
  2. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, maar het komt aan de veroordeelde wel toe de gegevens aan te reiken die de rechter in staat moeten stellen de redelijkheid van de eventueel te bevelen verbeurdverklaring te beoordelen.
  3. In zijn appelconclusie heeft de eiser II aangevoerd dat een verbeurdverklaring van 750.000,00 euro te verdelen over de beklaagden voor hem een burgerlijke dood betekent

hem, gelet op zijn jonge leeftijd, elk toekomstperspectief zou ontnemen, omdat het een bedrag betreft dat men moeilijk afgelost krijgt in zijn leven

dat hij nooit een eigendom zou kunnen bezitten. De eiser III heeft in zijn appelconclusie gevraagd de verbeurdverklaring te herleiden. 23. Met de redenen vermeld in het antwoord op het vierde middel van de eiser II

het derde middel van de eiser III

met de redenen dat die verbeurdverklaringen ten aanzien van de eisers II

III geen onredelijk zware straf uitmaken

dat uit niets blijkt dat de verbeurdverklaringen van voormelde bedragen disproportioneel zouden zijn, verwerpt

beantwoordt het arrest het verweer van de eisers II

III, zonder dat het daarop tot in de bijzonderheden dient in te gaan. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed

naar recht verantwoord. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser III 24. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17

8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest miskent de bewijskracht van het aanhoudingsmandaat van 20 mei 2021, de navolgende beschikkingen van de raadkamer

de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling

ten slotte van de beschikking tot handlichting door de onderzoeksrechter van 6 januari 2021 door te oordelen dat de eiser III schuldig is aan de telastleggingen B.6

D.6 in de periode van zijn voorlopige hechtenis; er worden geen concrete feitelijke gedragingen weerhouden die de schuld van de eiser III binnen de periode van de voorlopige hechtenis zouden aantonen.

  1. Het arrest verwijst niet naar de in het middel vermelde akten, zodat het de bewijskracht ervan niet kan miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  2. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft,

is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen

de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers I, II

III tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 303,12 euro, waarvan de eisers I, II

III elk 101,04 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert

Jos Decoker,

in openbare rechtszitting van 4 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060208.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.