← België

D. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Administratieve arrestatie wegens openbare dronkenschap zonder verhoor - Geen recht op bijstand van een advocaat - Arrestatie zonder aanwezigheid van advocaat - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Administratieve arrestatie wegens openbare dronkenschap zonder verhoor - Geen recht op bijstand van een advocaat - Arrestatie zonder aanwezigheid van advocaat - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0760.N B. D., beklaagde en burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen B. M., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 april

  1. De eiser voert in twee memories (hierna memorie I en memorie II) die aan dit arrest zijn gehecht, acht middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (door de eiser in memorie I aangeduid als het eerste middel in de zaak I)
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3.c EVRM en de artikelen 47bis en 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling, van toepassing op het ogenblik van de feiten, voorschrijft dat de eiser een recht op bijstand van een advocaat genoot op het ogenblik dat hij omwille van openbare dronkenschap werd gearresteerd, noch dat er een recht op bijstand van een advocaat zou zijn tijdens een interventie van de politie nadat deze ter plaatse werd geroepen, op voorwaarde dat de politiebeambten ter plaatse niet overgaan tot het afnemen van een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering; het recht op een eerlijk proces en artikel 6.3.c EVRM vereisen echter dat een verdachte recht heeft op een advocaat vanaf het moment dat hij wordt aangehouden of wordt gearresteerd door de politie, zelfs wanneer hij niet meteen door de politie wordt ondervraagd.
  3. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  4. Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering is enkel van toepassing op een persoon die wordt verhoord.
  5. Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt niet dat indien de politie een persoon administratief arresteert omwille van openbare dronkenschap, zonder hem te verhoren, die betrokkene dadelijk recht heeft op de bijstand van een advocaat, noch dat hij slechts in aanwezigheid van een advocaat kan worden gearresteerd.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest (p. 19) stelt vast dat op 26 juni 2021 de eiser werd gearresteerd omwille van openbare dronkenschap, hij op dat ogenblik niet aan een verhoor door de politie werd onderworpen, hij op het ogenblik van zijn verhoor van 30 juni 2021 niet van zijn vrijheid was beroofd en hij voorafgaand en tijdens dat verhoor toegang had tot zijn advocaat naar keuze, alsook dat de advocaat van de eiser tijdens dit verhoor fysiek aanwezig was en effectieve en concrete bijstand leverde, wat blijkt uit de opmerkingen van zijn raadsman die in het proces-verbaal werden opgenomen. Het arrest oordeelt met die redenen wettig dat artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en artikel 6 EVRM niet werden geschonden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel (door de eiser in de memorie I aangeduid als het tweede middel in de zaak I)
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3.c EVRM, artikel 30, tweede lid, Voorafgaandelijke Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de aan de eiser ten laste gelegde weerspannigheid was enkel te wijten aan de onnodige aanwezigheid van zeven politiemensen, waardoor hij ongerust is geworden; de omstandigheid dat hij “continu in de boeien werd gesloten” bevestigt dit en “uiteraard ook de afwezigheid van camerabeelden”, waarvan de appelrechters ten onrechte oordelen dat deze niet noodzakelijk zijn om aan waarheidsvinding te doen.
  9. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  10. Onder het mom van de voor het overige aangevoerde onwettigheden komt het middel geheel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Derde middel (door de eiser in de memorie I aangeduid als het derde middel in de zaak I)
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 269, 271, 280, 1°, 392, 398, eerste lid en 483 Strafwetboek, alsook miskenning van het adagium in dubio pro reo: het onderzoek werd onvolledig gevoerd en er kan worden getwijfeld aan de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten; uit het verhoor van de eiser op de rechtszitting blijkt dat hij zich ongemakkelijk voelde bij de aanwezigheid van zeven agenten, waarvan drie van de “SRT”, waar hij les geeft; de eiser is pas dan weerspannig geworden; ter verantwoording stelt de verweerder dat de eiser “de combi en alles kapot had gestampt”; de eiser had echter “sleffers” aan die hij ook bij zich had op de rechtszitting; het parket bracht stukken bij, maar bewijst op geen enkele manier dat er schade aan de combi werd toegebracht; de verklaringen van de collega’s van de verweerder werden “pour les besoins de la cause” opgesteld; de eiser kaartte op de rechtszitting “dit, en ook het ontbreken van camerabeelden en al de rest uiteraard ook” aan en kreeg niet de mogelijkheid om hierover schriftelijk tegenspraak te voeren; de zaak kon niet snel genoeg in beraad worden genomen.
  12. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser op de rechtszitting van 21 maart 2024, waar de zaak in beraad werd genomen, heeft gevraagd om nog verder schriftelijk standpunt in te nemen over de door het openbaar ministerie na het tussenarrest van 8 februari 2024 gevoegde stukken. In zoverre het middel miskenning van het recht van verdediging aanvoert, is het nieuw en evenmin ontvankelijk.
  14. Onder het mom van de voor het overige aangevoerde onwettigheden komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel eveneens niet ontvankelijk. Vierde middel (door de eiser in de memorie I aangeduid als het vierde middel in de zaak I en het eerste middel in de zaak III)
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het grievenformulier van het openbaar ministerie voldoende nauwkeurig is, terwijl het met betrekking tot de zaak I en de zaak III enkel een grief aanvoert over de bestraffing, zonder te preciseren of het met deze grief een strafverzwaring of -vermindering beoogt; de appelrechters oordelen tevens ten onrechte dat het hoger beroep van de eiser in de zaak III onontvankelijk is; er werd tweemaal hoger beroep aangetekend en er werden drie verzoekschriften neergelegd; uit de inhoud van wat werd aangeduid als het verzoekschrift in de zaak II blijkt duidelijk dat dit gaat over de zaak III; de eiser werd hiermee geconfronteerd op de laatste rechtszitting van 21 maart 2024 en kreeg geen recht meer om zich hierop te verdedigen.
  16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser meer dan één verklaring van hoger beroep ter griffie heeft afgelegd. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser tweemaal hoger beroep aantekende, mist het feitelijke grondslag.
  17. Uit de stukken waarop het Hof verder vermag acht te slaan, blijkt dat de partijen door de appelrechters op de rechtszitting van 12 oktober 2023 een eerste maal werden gehoord over de grieven die tegen het beroepen vonnis werden ingebracht, de appelrechters op de rechtszitting van 21 maart 2024 volledigheidshalve de contouren van het hoger beroep nogmaals in het debat hebben gebracht, waarbij expliciet werd verwezen naar het feit dat de verklaring van hoger beroep namens de eiser enkel was gericht tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis in de zaak I en de zaak II, buiten de vrijspraak tegen T.S., en dus niet in de zaak III en dat de raadsman van de eiser hieromtrent werd gehoord op de rechtszitting. In zoverre het middel miskenning van het recht van verdediging aanvoert, mist het eveneens feitelijke grondslag.
  18. Uit de tekst van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering volgt dat het in die bepaling bedoelde hoger beroep een verklaring van hoger beroep vereist ter griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen.
  19. Uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering en hun wetsgeschiedenis volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens binnen de door die verklaring bepaalde grenzen verder door de in het verzoekschrift of grievenformulier opgegeven grieven.
  20. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering vereist niet dat het openbaar ministerie dat in zijn grievenschrift een grief aanvoert tegen de beslissing over de bestraffing door het beroepen vonnis, bovendien preciseert tegen welke specifieke straf of straffen de grief is gericht en of met de grief een strafverzwaring of een strafvermindering wordt beoogd.
  21. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  22. Het arrest (pagina 12, rubriek 4.1, nr. 1) oordeelt vooreerst dat het hoger beroep van de eiser van 25 november 2022 tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis “in zaak I en II buiten de vrijspraak tegen de heer [T.S.]” tijdig en regelmatig naar vorm is ingesteld en derhalve ontvankelijk is, behoudens voor wat verder in het arrest wordt beslist. Het arrest (pagina 13, rubriek 4.1, nr. 4) oordeelt vervolgens dat, voor zover de grieven in het verzoekschrift aangeduid als “Zaak II” of de argumentatie in de conclusie van de eiser dienen te worden beschouwd als een hoger beroep tegen de beslissingen van de eerste rechter in de zaak III, dit gelet op de bewoordingen van de verklaring van hoger beroep van de eiser onontvankelijk moet worden verklaard.
  23. Met die redenen oordelen de appelrechters wettig dat de eiser geen ontvankelijk hoger beroep heeft aangetekend met betrekking tot de feiten van de zaak III en dat hun saisine hierdoor is beperkt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel (door de eiser in de memorie II aangeduid als het eerste middel in de zaak II)
  24. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser niet bewijst dat de verweerder een fout heeft begaan; de verweerder heeft in zijn verhoor en op de rechtszitting van 10 januari 2024 duidelijk toegegeven slagen te hebben toegediend; hij heeft dit proberen te kaderen in de omstandigheid dat de eiser de combi zou hebben vernield, maar het openbaar ministerie heeft geen schade aan de combi kunnen aantonen; wel zijn er enkele verklaringen “pour les besoins de la cause”, die niets bewijzen; de eiser liep verwondingen op en was hierdoor arbeidsongeschikt; het is duidelijk dat de slagen van de verweerder onnodig en buitenproportioneel waren, wat kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de eiser in de combi was en op geen enkele manier nog een gevaar kon betekenen; dat de “SRT-diensten” van Antwerpen zich niet schamen voor buitenproportioneel geweld is algemeen bekend; de eiser kreeg hierover amper tegenspraak op de rechtszitting van 21 maart
  25. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  26. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de raadsman van de eiser op de rechtszitting van 21 maart 2024 werd gehoord over de door het openbaar ministerie gevoegde stukken en dat hij, zonder bezwaar van de andere partijen, zelf nog een stuk neerlegde. In zoverre het middel miskenning van het recht van verdediging aanvoert, mist het eveneens feitelijke grondslag.
  27. Onder het mom van de voor het overige aangevoerde onwettigheden komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Zesde middel (door de eiser in de memorie II aangeduid als het tweede middel in de zaak II)
  28. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 37 Wet Politieambt en artikel 257 Strafwetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser niet bewijst dat de verweerder bovenmatig of onevenredig geweld heeft gebruikt zonder geldige reden; terwijl in het arrest niet wordt betwist dat de verweerder tegen de eiser fysiek geweld heeft gebruikt dat bestond uit twee à drie slagen tegen het hoofd van de eiser; uit de verklaringen van de eiser kan worden afgeleid dat hij geboeid en geriemd in de combi zat en dat hij slippers droeg; het parket of de verweerder bewijzen niet dat er ernstige schade was aan het politievoertuig.
  29. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  30. Onder het mom van de voor het overige aangevoerde onwettigheden komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Zevende middel (door de eiser in de memorie II aangeduid als het derde middel in de zaak II)
  31. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 257 Strafwetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser niet bewijst dat de verweerder bovenmatig of onevenredig geweld heeft gebruikt zonder geldige reden; uit de verklaring van de eiser blijkt duidelijk dat de twee slagen, die de verweerder niet betwist, werden toegebracht wanneer hij geboeid zat in de combi; uit geen enkel element blijkt dat er schade was aan de combi; uit alle elementen van het dossier blijkt dat de eiser weerspannig was omdat er op een bepaald moment acht agenten zonder enige geldige reden aanwezig waren; er was ook geen enkele wettige reden om de eiser twee of mogelijk zelfs drie slagen in het gezicht te geven terwijl hij geboeid zat in de combi; “alle elementen die naderhand ‘pour les besoins de la cause’ nog voorgebracht worden of geen recht van verdediging meer kan worden uitgeoefend, en [maken] in die zin een schending van art. 6 EVRM [uit]”.
  32. Het middel is geheel afgeleid uit de met het zesde middel vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Achtste middel (door de eiser in de memorie I aangeduid als het tweede middel in de zaak III)
  33. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: de advocaat van de eiser werd in de zaak III op 10 oktober 2021 de toegang ontzegd tot de verhoorruimte; vooraleer de eiser contact kon hebben met zijn advocaat werd zelfs een dokter gevorderd om een bloedproef af te nemen en werd hem een rijverbod van 15 dagen opgelegd; uiteindelijk werd de eiser vier maanden later door een andere politiedienst in deze aangelegenheid verhoord; terwijl “het Hof van Beroep, hier wou rondwandelen in zijn arrest, door te stellen dat het beroep onontvankelijk was”.
  34. Het middel is geheel afgeleid uit de met het vierde middel vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  35. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 166,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.