← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.6 Rolnummer: P.24.1650.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 423 - laatst gezien 2026-06-15 03:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 De bijzondere bewijswaarde van een op grond van artikel 62 Wegverkeerswet gedane vaststelling van een door een motorvoertuig gevoerde snelheid is als zodanig niet afhankelijk van de rijrichting waarin dit voertuig reed. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: Bijzondere bewijswaarde van de vaststellingen - Vaststelling van de gevoerde snelheid - Rijrichting - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Verkeer - Bijzondere bewijswaarde van de vaststellingen - Vaststelling van de gevoerde snelheid - Rijrichting - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Verkeer - Bijzondere bewijswaarde van de vaststellingen - Vaststelling van de gevoerde snelheid - Rijrichting - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1650.N T. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Curd Vanacker, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 31 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 62, derde lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt dat volgens de eiser de vaststellingen niet rechtsgeldig zijn gelet op de tegenstrijdigheid inzake de gevoerde rijrichting, dat op grond van artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet processen-verbaal die worden opgesteld in het kader van overtredingen van deze wet bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen en dat het tegenbewijs niet werd geleverd; deze redenen verwijzen naar het eerste lid van artikel 62 Wegverkeerswet, terwijl de vaststellingen zijn gedaan door onbemande automatisch werkende toestellen, waarop artikel 62, derde lid, Wegverkeerswet van toepassing is; het bestreden vonnis steunt haar motivering op een verkeerd wetsartikel; het aanvankelijk proces-verbaal stelt eerst dat het voertuig Mercedes in de richting van het centrum van Houthulst reed, om dan vervolgens te bepalen dat het voertuig wegreed van het centrum; de vaststellingen in het proces-verbaal zijn tegenstrijdig en dus geenszins correct; het is niet duidelijk in welke rijrichting het voertuig werd geflitst, zodat de eiser niet met zekerheid kan zeggen wie er op dat moment het voertuig bestuurde; aangezien de vaststellingen in het aanvankelijk proces-verbaal tegenstrijdig zijn, verliezen ze hun bewijskracht; de appelrechters spreken zich ook niet uit over de vraag of de foutieve vermelding van de gevoerde rijrichting geen invloed heeft op de vaststelling van de overdreven snelheid.
  3. De bijzondere bewijswaarde van een op grond van artikel 62 Wegverkeerswet gedane vaststelling van een door een motorvoertuig gevoerde snelheid is als zodanig niet afhankelijk van de rijrichting waarin dit voertuig reed. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. In zoverre het middel aanvoert dat de onduidelijkheid van de vaststelling van de rijrichting van het voertuig ertoe leidt dat niet met zekerheid blijkt wie met het voertuig reed, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  5. Voor het overige is het middel afgeleid uit die vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het evenmin ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verzoek om een werkstraf; het motiveert evenmin waarom een geldboete en het verval van recht tot sturen gekoppeld aan de herstelexamens en proeven meer gepaste straffen zijn dan een werkstraf.
  7. Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Behoudens in geval van § 7, moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw overtreedt.”
  8. Het bestreden vonnis verklaart de eiser schuldig aan het hem ten laste gelegde misdrijf zoals bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, Wegverkeerswet, gepleegd in staat van herhaling zoals bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. Aldus moet het bestreden vonnis de eiser voor drie maanden vervallen verklaren van het recht tot het besturen van een motorvoertuig en het herstel in dit recht afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, ongeacht of het al dan niet aangewezen is een werkstraf op verzoek van de eiser op te leggen in de plaats van een geldboete. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
  9. Indien een beklaagde om een werkstraf heeft verzocht, dan volgt uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en artikel 149 Grondwet dat uit de rechterlijke beslissing moet blijken dat, voor zover de straf wettelijk mogelijk is, de rechter het verzoek om een werkstraf in aanmerking heeft genomen en hij bovendien de redenen vermeldt waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan, zodat de beklaagde in staat is de beslissing te begrijpen.
  10. Niet is vereist dat de rechter het verzoek om een werkstraf afwijst met een afzonderlijke, op zich zelf staande en dus autonome motivering. Die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd door opgave van redenen om een andere straf of andere straffen op te leggen.
  11. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. In zijn grievenformulier heeft de eiser aangevoerd: “Ondergeschikt wordt een mildere toepassing gevraagd van de strafwet, met in het bijzonder een belangrijk gedeelte van het rijverbod met uitstel gelet op de persoonlijke situatie van de beklaagde (zelfstandige in de bouwsector met een week-weekregeling voor zijn dochter en een zwangere vriendin). De gunst van een alternatieve maatregel (bijvoorbeeld een werkstraf) wordt gevraagd”.
  13. Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 3 oktober 2024 heeft de eiser in ondergeschikte orde gevraagd om een zo groot mogelijk gedeelte van de bestraffing, in het bijzonder wat het rijverval betreft, met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen en werd een stukkenbundel neergelegd.
  14. Het bestreden vonnis oordeelt dat bij de straftoemeting en dus ook bij de keuze voor een geldboete en het bedrag ervan rekening wordt gehouden met: - de aard en de objectieve ernst van de feiten, het strafverleden van de eiser, zijn leeftijd en zijn socio-economische en financiële en familiale situatie; - het gevoegde uittreksel van het strafregister van 30 april 2024 waaruit blijkt dat de eiser reeds drie veroordelingen door de politierechtbank opliep; - het feit dat de eiser zich in staat van herhaling en verzwaring bevindt. Het vonnis oordeelt verder dat de geldboete en het verval van het recht tot sturen van drie maanden, gekoppeld aan de examens en onderzoeken, die werden opgelegd door de politierechtbank passend voorkomen teneinde de eiser het ongeoorloofde karakter van de gepleegde feiten te doen inzien en hem te beletten om in de toekomst gelijkaardige of andere misdrijven te plegen en er geen aanleiding is om een mildere bestraffing op te leggen zoals gevorderd door de eiser. Uit die redenen blijkt dat het vonnis ook het verzoek om alternatieve maatregelen op te leggen, waaronder een werkstraf, verwerpt. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 29,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.