id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.8 Rolnummer: P.24.0766.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 664 - laatst gezien 2026-06-18 14:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 4 Het recht op bijstand van een tolk bepaald in artikel 6.3.e. EVRM geldt niet enkel bij de zaak voor het vonnisgerecht, maar ook voor onderzoeksverrichtingen tijdens het vooronderzoek; het staat aan de rechter te oordelen of de verdachte of de beklaagde voldoende de taal van de rechtspleging begrijpt en spreekt, zodat hij in staat is zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen maar uit het enkele feit dat een beklaagde tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep werd bijgestaan door een tolk, volgt niet noodzakelijk dat de beklaagde de taal van de procedure niet of onvoldoende beheerste voor zijn verhoor door de politie of voor een effectieve uitoefening van zijn recht van verdediging bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie Cass. 7 maart 2023, AR P.22.1551.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.2. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bijstand tolk - Invulling van dit recht - Beoordeling door de rechter - Eerbiediging van het recht van verdediging - Bijstand van tolk in hoger beroep - Toezicht door het Hof - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op bijstand van een tolk - Invulling van dit recht - Beoordeling door de rechter - Eerbiediging van het recht van verdediging - Bijstand van tolk in hoger beroep - Toezicht door het Hof - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Recht op bijstand van een tolk - Invulling van dit recht - Beoordeling door de rechter - Eerbiediging van het recht van verdediging - Bijstand van tolk in hoger beroep - Toezicht door het Hof - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Vrije woorden: Recht op bijstand van een tolk - Invulling van dit recht - Beoordeling door de rechter - Eerbiediging van het recht van verdediging - Bijstand van tolk in hoger beroep - Toezicht door het Hof - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 Uit artikelen 29ter, eerste lid, en 67ter, eerste tot en met vierde lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de verplichting voor de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, om de nodige maatregelen te nemen om aan de verplichting te voldoen de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, mee te delen binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd, voortvloeit uit de wet, namelijk uit artikel 67ter Wegverkeerswet dat elkeen geacht is te kennen
(1).
(1)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1259.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8; Cass. 9 november 2021, AR P.21.0894.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.3. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Verplichting tot het nemen van de nodige maatregelen om aan de verplichting te voldoen - Verplichting die voortvloeit uit de wet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 Vrije woorden: Artikel 29ter - Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Verplichting tot het nemen van de nodige maatregelen om aan de verplichting te voldoen - Verplichting die voortvloeit uit de wet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 7 - 8 Uit artikelen 29ter, eerste lid, en 67ter, eerste tot en met vierde lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat (-) de vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten (-) de verplichting de gevraagde informatie te verstrekken ook bestaat indien de vraag niet schriftelijk is gesteld, maar enkel mondeling zoals in de vorm van een verhoor en in dat geval de termijn van vijftien dagen om de gegevens te bezorgen een aanvang neemt vanaf de datum van het verhoor (-) het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft, zonder dat in de uitnodiging tot dergelijk verhoor of tijdens dit verhoor uitdrukkelijk moet worden gewezen op de verplichtingen van artikel 67ter Wegverkeerswet
(1).
(1)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1259.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8; Cass. 9 november 2021, AR P.21.0894.N,ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Vraag om inlichtingen - Vormvereisten - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 Vrije woorden: Artikel 29ter - Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Vraag om inlichtingen - Vormvereisten - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 9 - 12 Uit artikelen 29ter, eerste lid, en 67ter, eerste tot en met vierde lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat (-) de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt en aan wie de vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet in de vorm van een verhoor wordt gesteld tijdens dit verhoor, dat ook beperkt is tot die vraag om inlichtingen, niet als verdachte van het in artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf wordt verhoord (-) dergelijk verhoor geen verhoor is in de zin van artikel 47bis, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering dat recht geeft op het in die bepalingen vermelde recht op een vertrouwelijk overleg met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat en bijstand door deze advocaat tijdens het verhoor (-) het aflopend misdrijf van artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet pas voltrokken is na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen na de voormelde vraag om inlichtingen (-) de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt en die tijdens een dergelijk verhoor verklaart verdere inlichtingen te zullen inwinnen, zich nog niet schuldig kan maken aan het in artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf en daarmee dus geen zelf-incriminerende verklaring aflegt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt - Vraag om inlichtingen in de vorm van een verhoor - Geen verdachte - Geen verhoor in de zin van artikel 47bis, §§ 2 en 3, Wetboek van Strafvordering - Ontstaan van het aflopend misdrijf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 Vrije woorden: Artikel 29ter - Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt - Vraag om inlichtingen in de vorm van een verhoor - Geen verdachte - Geen verhoor in de zin van artikel 47bis, §§ 2 en 3, Wetboek van Strafvordering - Ontstaan van het aflopend misdrijf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Wegverkeer - Artikel 67ter Wegverkeerswet - Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt - Vraag om inlichtingen in de vorm van een verhoor - Geen verdachte - Geen verhoor in de zin van artikel 47bis, §§ 2 en 3, Wetboek van Strafvordering - Ontstaan van het aflopend misdrijf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Wegverkeer - Artikel 67ter Wegverkeerswet - Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Verplichting de identiteit van de bestuurder mede te delen - Natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt - Vraag om inlichtingen in de vorm van een verhoor - Geen verdachte - Geen verhoor in de zin van artikel 47bis, §§ 2 en 3, Wetboek van Strafvordering - Ontstaan van het aflopend misdrijf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29ter, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0766.N H. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 15 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het proces-verbaal van 17 september 2021 het recht van verdediging van de eiser niet miskent omdat de eiser niet bewijst dat hij het Nederlands niet machtig zou zijn; er wordt door de appelrechters gewezen op het feit dat de eiser is ingegaan op zijn uitnodiging tot verhoor door de politie en dat hij zijn wens uitdrukte om in het Nederlands te worden verhoord en deze taal te gebruiken voor de rechtspleging; de eiser is echter het Nederlands niet machtig en spreekt Turks; terwijl de eiser de bijstand van een tolk genoot toen hij werd ondervraagd door de appelrechters, was dit niet het geval tijdens zijn ondervraging door de politie; de eiser zou op 17 september 2021 omstreeks 13.15 uur zijn verhoord in het Nederlands; het verhoor werd echter voorgekauwd; de eiser werd verzocht om te ondertekenen door middel van handgebaren; de eiser kon op dat ogenblik onmogelijk de gevolgen van zijn handtekening inschatten, laat staan dat hij zou hebben verteld wat hij heeft “verklaard”; de appelrechters verwijten de eiser ook dat hij pas voor het eerst in hoger beroep aanhaalt dat hij het Nederlands niet machtig is, terwijl de raadsman van de eiser op 27 juni 2022 de griffie van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, aanschreef met de vraag om bijstand van een tolk Turks-Nederlands op de rechtszitting van 4 juli 2022; op diezelfde dag antwoordde een medewerker van de griffie per e-mail dat er onvoldoende tijd was om nog in een tolk te kunnen voorzien voor deze zitting; ook in hoger beroep werd verzocht om in een tolk Turks-Nederlands te voorzien voor de rechtszitting, wat toen wel gebeurde.
- Artikel 6.3.e EVRM bepaalt dat eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft zich kosteloos te laten bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter rechtszitting wordt gebruikt niet verstaat of niet spreekt.
- Dit recht geldt niet enkel bij de behandeling van de zaak voor het vonnisgerecht, maar ook voor onderzoeksverrichtingen tijdens het vooronderzoek.
- Het staat aan de rechter te oordelen of de verdachte of de beklaagde voldoende de taal van de rechtspleging begrijpt en spreekt, zodat hij in staat is zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen.
- Uit het enkele feit dat een beklaagde tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep werd bijgestaan door een tolk, volgt niet noodzakelijk dat de beklaagde de taal van de procedure niet of onvoldoende beheerste voor zijn verhoor door de politie of voor een effectieve uitoefening van zijn recht van verdediging bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 5-6) oordeelt onder meer als volgt: - de eiser meent dat hij diende te worden verhoord met bijstand van een tolk omdat hij de taal van de rechtspleging onvoldoende machtig zou zijn, maar de rechtbank stelt vast dat hij hierover pas voor het eerst in hoger beroep een opmerking formuleert; - er wordt vastgesteld dat de eiser in de taal van de rechtspleging werd uitgenodigd voor verhoor en dat hij naar aanleiding van dit verhoor zijn wens uitdrukte het Nederlands te gebruiken voor de rechtspleging; - daarenboven verscheen de eiser in persoon voor de politierechtbank, bijgestaan door zijn raadsman; - uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 juli 2022 blijkt niet dat de eiser zich niet in de Nederlandse taal uitdrukte of om bijstand van een tolk heeft verzocht; - het proces-verbaal van 17 september 2021 schendt zodoende artikel 6 EVRM niet omdat de eiser werd verhoord zonder bijstand van een tolk; - het feit dat de eiser pas voor het eerst in hoger beroep voorhoudt het Nederlands niet machtig te zijn, kan niet overtuigen; - de eiser drukte zich op de rechtszitting van 18 maart 2024 uit in het Turks, maar dit bewijst niet dat hij het Nederlands niet machtig zou zijn.
- Op grond van die redenen kan het vonnis wettig oordelen dat het proces-verbaal van 17 september 2021 artikel 6 EVRM niet schendt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel voor het overige opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 juli 2022 niet blijkt dat de eiser zich niet in het Nederlands uitdrukte of om bijstand van een tolk verzocht; in dit proces-verbaal wordt echter geen melding gemaakt van de taal waarin de eiser zelf zich al dan niet zou hebben uitgedrukt en daaruit kan bovendien niet worden afgeleid of er al dan niet om een tolk werd verzocht; door aan te nemen dat de eiser niet om de bijstand van een tolk heeft verzocht voor de eerste rechter en pas voor het eerst in hoger beroep dergelijke vraag heeft gesteld, miskennen de appelrechters de bewijskracht van de e-mail van de griffie; zij miskennen ook de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 juli 2022 in de mate dat hieruit zou worden afgeleid dat de eiser zich in het Nederlands zou hebben uitgedrukt.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift indien de gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere.
- Het bestreden vonnis verwijst niet naar de in het onderdeel vermelde e-mail en kan dus de bewijskracht daarvan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het bestreden vonnis (p. 5) stelt vast dat uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 juli 2022 niet blijkt dat de eiser zich niet in het Nederlands uitdrukte of om bijstand van een tolk heeft verzocht. Daarmee geven de appelrechters geen uitlegging van dit proces-verbaal, die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de appelrechters oordelen ten onrechte dat uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 juli 2022 niet blijkt dat de eiser zich niet in het Nederlands uitdrukte of om de bijstand van een tolk verzocht; het al dan niet hebben van een afdoende Nederlandse taalvaardigheid is echter nooit het voorwerp geweest van het debat; de eiser kon niet verwachten dat de appelrechters hieraan zouden twijfelen, zeker niet gelet op de bijstand van een tolk en het gebrek aan een debat hierover.
- Uit het geheel van de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen van het bestreden vonnis blijkt dat eisers Nederlandse taalvaardigheid het voorwerp is geweest van het debat in hoger beroep. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser niet bewijst dat hij het Nederlands niet machtig zou zijn; de eiser kan dit negatieve bewijs onmogelijk leveren.
- Het bestreden vonnis (p. 5) oordeelt niet, zoals het onderdeel aanvoert, dat de eiser niet bewijst het Nederlands niet machtig te zijn, maar wel dat het feit dat hij zich op de rechtszitting van 18 maart 2024 in het Turks uitdrukte, niet bewijst dat hij het Nederlands niet machtig is. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede en derde middel
- Het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47bis, § 2, § 5 en § 6, 5), Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser op 17 september 2021 onmogelijk als verdachte kon worden verhoord, nu de inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet pas kan ontstaan de zestiende dag na de vraag om inlichtingen; de eiser werd niet ingelicht over het recht op een vertrouwelijk overleg en het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor, hoewel er duidelijk elementen waren die lieten vermoeden dat hem feiten ten laste konden worden gelegd; het verhoor was immers specifiek gericht om bij de eiser, als zaakvoerder van de rechtspersoon, na te vragen wie de bestuurder van het voertuig was geweest op het ogenblik van de feiten (eerste onderdeel); ook het recht van verdediging van de eiser werd op een onherstelbare wijze aangetast op het ogenblik waarop hij zonder bijstand van een advocaat een zelf-incriminerende verklaring aflegde; het proces-verbaal van verhoor wordt bovendien als doorslaggevend bewijs aangewend (tweede onderdeel). Het derde middel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet: de eiser kreeg zelf geen kennis van een formele vraag tot het verstrekken van inlichtingen; meer nog, de vraag om inlichtingen werd hem nooit gestuurd; de eiser werd immers uitgenodigd om te worden verhoord over een “verkeersovertreding op 24/07/2021 om 10.54 uur”; de eiser verklaarde in dat verhoor van 17 september 2021 dat hij op het ogenblik van de overtreding op vakantie was, werd gevraagd wie dan wel de bestuurder zou zijn maar werd nooit gewezen op een verplichting om deze identiteit mee te delen; uit de vraagstelling wie de chauffeur was op het ogenblik van de overtreding kan niet zonder meer worden afgeleid dat de eiser werd gewezen op een verplichting tot mededeling van de identiteit met verwijzing naar artikel 67ter Wegverkeerswet; de aan de eiser in het verhoor van 17 september 2021 verweten inbreuk onderscheidt zich fundamenteel van een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet, waarover hij niet werd verhoord.
- Artikel 67ter, eerste tot en met vierde lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, zijn de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen. De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd. De Koning kan de formaliteiten bepalen die gevolgd dienen te worden bij de overmaking van de identiteit. Indien de persoon die verantwoordelijk is voor voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de onmiskenbare bestuurder meedelen. De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen.”
- Artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet stelt strafbaar met gevangenisstraf en met geldboete, of met een van die straffen alleen, hij die de verplichtingen bedoeld in artikel 67ter van de wet niet nakomt.
- Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat: - de verplichting voor de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, om de nodige maatregelen te nemen om aan de verplichting te voldoen de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, mee te delen binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd, voortvloeit uit de wet, namelijk uit artikel 67ter Wegverkeerswet dat elkeen geacht is te kennen; - de vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten; - de verplichting de gevraagde informatie te verstrekken ook bestaat indien de vraag niet schriftelijk is gesteld, maar enkel mondeling zoals in de vorm van een verhoor; - in dat geval de termijn van vijftien dagen om de gegevens te bezorgen een aanvang neemt vanaf de datum van het verhoor; - het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft, zonder dat in de uitnodiging tot dergelijk verhoor of tijdens dit verhoor uitdrukkelijk moet worden gewezen op de verplichtingen van artikel 67ter Wegverkeerswet; - de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt en aan wie de vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet in de vorm van een verhoor wordt gesteld tijdens dit verhoor, dat ook beperkt is tot die vraag om inlichtingen, niet als verdachte van het in artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf wordt verhoord; - dergelijk verhoor geen verhoor is in de zin van artikel 47bis, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering dat recht geeft op het in die bepalingen vermelde recht op een vertrouwelijk overleg met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat en bijstand door deze advocaat tijdens het verhoor; - het aflopend misdrijf van artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet pas voltrokken is na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen na de voormelde vraag om inlichtingen; - de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt en die tijdens een dergelijk verhoor verklaart verdere inlichtingen te zullen inwinnen, zich nog niet schuldig kan maken aan het in artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf en daarmee dus geen zelf-incriminerende verklaring aflegt.
- De middelen die uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de aan de eiser opgelegde geldboete van 200,00 euro is niet op reële en meetbare wijze lager dan de strafmaat die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden; de appelrechters oordelen immers, enerzijds, dat een geldboete van 200,00 euro een adequaat antwoord is op het gepleegde feit en stellen, anderzijds, vast dat de redelijke termijn is overschreden en de opgelegde straf, die eveneens 200,00 euro bedraagt, een mildere straf zou zijn dan die welke anders zou worden opgelegd (eerste onderdeel); deze motivering is tegenstrijdig (tweede onderdeel).
- Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat tussen redenen die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen.
- De in het middel vermelde redenen doen elkaar niet teniet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Het bestreden vonnis (p. 7) oordeelt onder meer dat: - het passend maar voldoende is de eiser voor de telastlegging C enkel te veroordelen tot een geldboete van 200,00 euro, meer opdeciemen; - deze bestraffing een adequaat maatschappelijk antwoord op het gepleegde feit weerspiegelt; - de appelrechters het eens zijn met de eiser dat de redelijke termijn is overschreden, nu meer dan een jaar is verstreken tussen het instellen van het hoger beroep en de eerste vaststelling in hoger beroep; - een eenvoudige schuldigverklaring echter niet opportuun is, gelet op het strafregister van de eiser; - de opgelegde straf een mildere bestraffing vormt dan deze die in dit geval voor het bestrafte feit adequaat zou zijn zonder het overschrijden van de redelijke termijn.
- Met deze redenen geven de appelrechters op reële en meetbare wijze aan dat zij zonder overschrijding van de redelijke termijn, de eiser zwaarder zouden hebben bestraft dan zij hebben gedaan. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div