id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.1 Rolnummer: P.24.1621.N Zaak: P. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 516 - laatst gezien 2026-06-18 19:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Uit de bepaling van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat wanneer de rechter oordeelt dat er een overschrijding is van de redelijke termijn, maar dat die niet zeer zwaarwichtig is en hij derhalve niet het verval van de strafvordering uitspreekt, hij de overschrijding dient te sanctioneren door een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring, of door een straf op te leggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf, of door het opleggen van een straf die reëel en meetbaar lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding zonder dat in dat laatste geval de rechter verplicht is de straf te vermelden die hij bij niet-overschrijding zou hebben opgelegd; wanneer een beklaagde nog in aanmerking komt voor de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging, kan de remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn bestaan of mede bestaan in het geheel of gedeeltelijk verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging aangezien een dergelijke voorwaardelijke veroordeling een reële en meetbare vermindering van de bestraffing is en aldus een daadwerkelijke remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn vormt, ook al loopt de veroordeelde het risico alsnog de opgelegde straf te moeten ondergaan; de rechter oordeelt onaantastbaar op welke wijze de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet worden geremedieerd
(1).
(1)Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, BS 18 april 2024, in werking getreden op 28 april 2024; J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25/20, 763 –
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Overschrijding van de termijn die niet zeer zwaarwichtig is - Geen verval van de strafvordering - Remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn - Reële en meetbare vermindering van de bestraffing - Verlenen van een volledig of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - ALGEMEEN Vrije woorden: Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Overschrijding van de termijn die niet zeer zwaarwichtig is - Geen verval van de strafvordering - Remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn - Reële en meetbare vermindering van de bestraffing - Verlenen van een volledig of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Overschrijding van de termijn die niet zeer zwaarwichtig is - Geen verval van de strafvordering - Remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn - Reële en meetbare vermindering van de bestraffing - Verlenen van een volledig of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1621.N I J. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Floor Ameye, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, II G. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Dens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, III W. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Bentein, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, alle cassatieberoepen tegen P. B., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 oktober
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memories
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers I en III hun memorie overeenkomstig artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering ter kennis hebben gebracht van de verweerder. In zoverre hun memories betrekking hebben op de burgerlijke vordering van de verweerder, zijn ze bijgevolg niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest veroordeelt de eisers I, II en III tot betaling van een provisionele schadevergoeding aan de verweerder, beveelt een deskundigenonderzoek en verzendt de zaak naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van de burgerlijke vordering. Dit zijn geen eindbeslissingen noch uitspraken in een der gevallen bedoeld in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, behoudens wat betref de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen I, II en III voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers I en III hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerder, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre de cassatieberoepen I en III zijn gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, zijn ze niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn door een stilstand van dertig maanden is overschreden; het oordeelt verder dat de straf zou worden verhoogd naar zes jaar gevangenisstraf, maar dat de door het beroepen vonnis opgelegde straf van vijf jaar gevangenisstraf volstaat en dat passend rechtsherstel wordt verleend door één jaar met uitstel op te leggen; omdat dat uitstel kan worden herroepen, wordt de straf niet op een reële en duidelijke wijze, noch daadwerkelijk verminderd.
- Krachtens artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter, indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken.
- Uit die bepaling volgt dat wanneer de rechter oordeelt dat er een overschrijding is van de redelijke termijn, maar dat die niet zeer zwaarwichtig is en hij derhalve niet het verval van de strafvordering uitspreekt, hij de overschrijding dient te sanctioneren door een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring, of door een straf op te leggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf, of door het opleggen van een straf die reëel en meetbaar lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding. In dat laatste geval is de rechter niet verplicht de straf te vermelden die hij bij niet-overschrijding zou hebben opgelegd.
- Wanneer een beklaagde nog in aanmerking komt voor de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging, kan de remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn bestaan of mede bestaan in het geheel of gedeeltelijk verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging. Een dergelijke voorwaardelijke veroordeling is een reële en meetbare vermindering van de bestraffing en vormt aldus een daadwerkelijke remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, ook al loopt de veroordeelde het risico alsnog de opgelegde straf te moeten ondergaan.
- De rechter oordeelt onaantastbaar op welke wijze de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet worden geremedieerd.
- Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient hij die keuze niet nader met redenen te omkleden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 39) oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat die overschrijding niet dermate zwaarwichtig is dat een verval van de strafvordering zich opdringt. Het (p. 41) oordeelt vervolgens dat bij niet-overschrijding van de redelijke termijn de aan de eiser I door het beroepen vonnis opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar zou worden verhoogd tot een effectieve gevangenisstraf van zes jaar. Vervolgens remedieert het de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn door de met het beroepen vonnis opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar te behouden, alsook voor een periode van één jaar van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen voor een termijn van vijf jaar. Aldus vermindert het arrest reëel en meetbaar de opgelegde straf in vergelijking met de straf die het had opgelegd bij niet-overschrijding. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning “van het recht op motivatie van de beslissingen in strafzaken”: het arrest beantwoordt niet het door de eiser II in een appelconclusie gevoerde verweer wat de schuldvraag betreft.
- Het middel dat niet preciseert welk verweer het arrest onbeantwoord laat, is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest verklaart de eiser II ten onrechte schuldig aan de telastlegging B; het antwoordt evenmin op het verweer over het vermoeden van onschuld en het houdt geen rekening met het vermoeden van onschuld.
- Uit de schuldigverklaring door de strafrechter aan de ten laste gelegde feiten, kan een beklaagde geen miskenning van het vermoeden van onschuld afleiden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige preciseert het middel niet hoe en waarom het arrest het vermoeden van onschuld miskent, noch op welk verweer desbetreffend het arrest niet antwoordt. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 434 Strafwetboek: het arrest duidt op geen enkele manier aan waar het strafdossier aantoont dat de eiser II wist dat hij het door de wet strafbaar gestelde feit van de telastlegging B pleegde en heeft willen plegen; uit de objectieve stukken van het strafdossier blijkt daarentegen dat hij geen enkele kennis had van de wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving van de verweerder, laat staan dat hij aan dit misdrijf wenste deel te nemen.
- In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Met de in het arrest (p. 32 tot 34) vermelde redenen die de feitelijke elementen weergeven waarop de appelrechters hun oordeel steunen, verantwoorden zij naar recht de beslissing dat het voor de telastlegging B vereiste opzet bij de eiser II voorhanden was en omkleden zij die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser III aan de foltering van de verweerder op de getuigenissen rond het gebruik van de gasbrander door hem en op het feit dat hij actief deelnam aan de afpersing; de verklaringen van bepaalde beklaagden, die anderen beschermen, wijken wat af van de overige en de verweerder twijfelt zelf aan de deelname aan de foltering; die twijfel moet in het voordeel van de eiser III spelen; waarom de appelrechters meer belang hechten aan de verklaringen van sommige andere beklaagden dan aan de verklaring van de eiser III en anderen, waaronder de verweerder, blijkt nergens concreet uit; om de telastlegging A bewezen te verklaren verwijst het arrest naar de belangrijke rol van de eiser III bij de afpersing, omschreven onder de telastlegging D en om de telastlegging D bewezen te verklaren verwijst het arrest naar zijn betrokkenheid bij de foltering.
- Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel vereist, beoordeelt de rechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens en bewijselementen, waaronder getuigenverklaringen en verklaringen van de beklaagden en de slachtoffers. Hij moet bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie daarbij niet motiveren waarom hij de ene verklaring wel en een andere niet als geloofwaardig beoordeelt.
- Uit de omstandigheid dat de rechter op basis van de door hem als geloofwaardig beoordeelde verklaringen en andere bewijselementen een beklaagde schuldig verklaart aan het hem ten laste gelegde, kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 309,72 euro, waarvan op elk cassatieberoep 103,24 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div