← België

D. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.11 Rolnummer: P.24.1524.N Zaak: D. contra C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 403 - laatst gezien 2026-06-15 09:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, behoudens akkoord van de partijen of de in artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, conclusies die na het verstrijken van de vastgestelde termijnen worden overgelegd, ambtshalve uit het debat worden geweerd; een partij die, na te hebben vastgesteld dat de tegenpartij haar conclusie laattijdig heeft neergelegd, de rechter zelf verzoekt om een nieuwe conclusietermijn en een uitstel van de behandeling van de zaak, geeft hiermee te kennen akkoord te zijn om af te wijken van de initieel opgelegde conclusietermijnen. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Vrije woorden: Conclusietermijn - Neerlegging van conclusies na het verstrijken van de vastgestelde termijnen - Gevolg - Principiële wering - Verzoek van de partij die de laattijdigheid van de neerlegging van conclusies vaststelt voor nieuwe conclusietermijnen en vraag tot uitstel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, elfde lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 748, § 2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Conclusietermijnen - Neerlegging van conclusies na het verstrijken van de vastgestelde termijnen - Gevolg - Principiële wering - Verzoek van de partij die de laattijdigheid van de neerlegging van conclusies vaststelt voor nieuwe conclusietermijnen en vraag tot uitstel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, elfde lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 748, § 2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1524.N S. D.B., burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen G. C., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechter verwerpt ten onrechte eisers verzoek tot wering uit het debat van de stukken en de conclusie, die de verweerder laattijdig heeft neergelegd; de rechter dient laattijdig neergelegde conclusies ambtshalve uit het debat te weren, behoudens akkoord van de partijen of de in artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, uitzonderingen die in casu niet van toepassing zijn; het gegeven dat de eiser geen belangenschade heeft geleden door de laattijdige neerlegging, is hierbij niet relevant.
  3. Artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, behoudens akkoord van de partijen of de in artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, conclusies die na het verstrijken van de vastgestelde termijnen worden overgelegd, ambtshalve uit het debat worden geweerd. Een partij die, na te hebben vastgesteld dat de tegenpartij haar conclusie laattijdig heeft neergelegd, de rechter zelf verzoekt om een nieuwe conclusietermijn en een uitstel van de behandeling van de zaak, geeft hiermee te kennen akkoord te zijn om af te wijken van de initieel opgelegde conclusietermijnen.
  4. Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat: - bij beschikking met toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering van 14 december 2022, de appelrechter conclusietermijnen heeft vastgesteld en de rechtsdag heeft bepaald op 26 maart 2024; - de verweerder op 29 maart 2023 een conclusie heeft neergelegd ter griffie, die niet werd overgemaakt aan de eiser; - de eiser in zijn conclusie van 1 augustus 2023 de wering vraagt van “eventuele besluiten/stukken”; - het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 maart 2024 vermeldt dat de verweerder stukken neerlegt, de eiser kennis wenst te nemen van de conclusie van 29 maart 2023 en de bijgebrachte stukken, de eiser een bijkomende conclusietermijn verzoekt, waarop de zaak op verzoek van partijen naar de rechtszitting van 14 oktober 2024 wordt uitgesteld; - de eiser in zijn syntheseconclusie van 30 mei 2024 de wering vraagt van het stukkenbundel van de verweerder; - de zaak vervolgens wordt vastgesteld op de rechtszitting van 17 september
  5. De appelrechter die oordeelt dat “in de gegeven omstandigheden waarbij én een nieuwe conclusietermijn én een nieuwe rechtsdag werd bepaald”, de laattijdig overgemaakte stukken en conclusie van de verweerder niet uit het debat worden geweerd, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip “oorzakelijk verband”: de appelrechter oordeelt ten onrechte dat de verweerder slechts een schadevergoeding van 50,00 euro is verschuldigd voor eisers beschadigde bril; hij steunt dit oordeel op het gegeven dat de factuur voor de vervangbril dateert van enkele maanden na de feiten, maar houdt geen rekening met het voorschrift van de oogarts, dat dateert van kort na de feiten noch met het gegeven dat de eiser in tussentijd een andere bril kon gebruiken.
  7. De appelrechter stelt vast dat uit de vaststellingen van de verbalisanten blijkt dat een bril van de eiser naar aanleiding van de feiten werd beschadigd, maar dat, bij nazicht van de foto’s, de beschadigde bril een goedkope en vervangbare leesbril blijkt te zijn zoals die in supermarkten en andere plaatsen worden verkocht.
  8. Hij oordeelt dat de door de eiser voorgelegde factuur met betrekking tot een Theo Space Shuttle Bril met aangepaste zichtcorrectie geen betrekking heeft op de vervanging van eisers beschadigde leesbril en bepaalt de vergoeding voor deze schadepost op 50,00 euro. Met deze redenen verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht dat de door de eiser gevorderde vergoeding van 1.600,00 euro voor de aankoop van een bril met aangepaste zichtcorrectie, niet in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: de appelrechter verwerpt het oorzakelijk verband tussen eisers aankoop van een nieuwe bril en de feiten met als reden dat de voorgelegde factuur dateert van enkele maanden na deze feiten; met het oordeel dat uit de datum van de factuur blijkt dat de nieuwe bril geen betrekking heeft op de beschadigde bril, geven de appelrechters van deze factuur en het bijhorend voorschrift van de oogarts een uitlegging die niet verenigbaar is met hun bewoordingen.
  10. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de appelrechter het oorzakelijk verband tussen de gevorderde vergoeding van 1.600,00 euro voor een nieuwe bril met aangepaste zichtcorrectie afwijst omdat de beschadigde bril een goedkope en vervangbare leesbril betrof, die in supermarkten wordt verkocht, met een waarde van 50,00 euro.
  11. Met dit oordeel geeft de appelrechter geen uitlegging van de factuur, noch van het bijhorend voorschrift van de oogarts en kan hij de bewijskracht van deze stukken dan ook niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip “oorzakelijk verband”: de appelrechter oordeelt ten onrechte dat de door de eiser gevorderde herstelkost voor de toegangspoort, zoals bepaald in het voorgelegde bestek, overdreven is; noch de vaststelling dat dit bestek niet is uitgevoerd, de schade niet op tegenspraak werd vastgesteld en ook niet meer kan worden vastgesteld, noch de bewering van de verweerder dat de poort altijd heeft gewerkt, volstaat om de gevorderde vergoeding ex aequo et bono te bepalen.
  13. De rechter beoordeelt onaantastbaar, maar binnen de perken van de conclusies van de partijen, het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade, alsook het bedrag van de vergoeding dat nodig is voor het volledige herstel van die schade. De rechter mag de schade naar billijkheid ramen mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door de schadelijdende partij voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.
  14. Met de in het onderdeel vermelde en door de eiser niet-bekritiseerde redenen oordeelt de appelrechter naar recht dat de omvang van de schade aan de poort enkel naar billijkheid kan worden bepaald. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het beschikkingsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: met het oordeel dat de schade aan eisers poort niet op tegenspraak werd vastgesteld, werpt de appelrechter een betwisting op die door de partijen in hun conclusie was uitgesloten, zonder hierbij de eiser in de gelegenheid te stellen hierover tegenspraak te voeren.
  16. Het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer de rechter zijn beslissing steunt op feitelijke of juridische elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, konden verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.
  17. Uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt dat: - het vast staat dat de verweerder de ingangspoort van de eiser heeft beschadigd; - de eiser tot staving van zijn vordering tot het vergoeden van de schade aan zijn garagepoort enkel een eenzijdig bestek bijbrengt, waarin de herstelkost wordt bepaald op 10.189,53 euro; - de verweerder dit bedrag betwist dat hij, gelet op het blijven functioneren van de poort, overdreven acht; - geen tegensprekelijke vaststellingen zijn gedaan over de omvang van de schade en door de in tussentijd uitgevoerde herstellingen ook niet meer nuttig zijn.
  18. De appelrechter die op grond van die vaststellingen oordeelt dat de omvang van de schade aan de poort, bij gebrek aan op tegenspraak vastgestelde schade, naar billijkheid wordt bepaald, werpt geen betwisting op die door partijen is uitgesloten en steunt op elementen waarvan de eiser, gelet op het verloop van het debat kon verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover hij tegenspraak heeft kunnen voeren. Bijgevolg miskent de appelrechter noch het beschikkingsbeginsel zoals vervat in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, noch het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het recht van verdediging. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 70,81 euro, waarvan 35,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.