id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verzoek tot deskundigenonderzoek - Verzoek niet gegrond op gegevens die de aangevoerde feiten aannemelijk maken - Weigering door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Recht van verdediging - Recht op tegenspraak - Verzoek tot deskundigenonderzoek - Verzoek niet gegrond op gegevens die de aangevoerde feiten aannemelijk maken - Weigering door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 5 Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen te overleggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt, maar het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de vermelde beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Recht op bewijs - Inhoud - Draagwijdte - Beoordelingsvrijheid van de rechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Bewijs - Recht op bewijs - Inhoud - Draagwijdte - Beoordelingsvrijheid van de rechter Tekst van de beslissing P.24.0929.N
- M. E.,
- D. E.,
- M. E.,
- B. E., burgerlijke partijen, eisers, allen vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- M. K.,
- Y. K., beklaagden, verweerders, met als raadslieden mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel, en mr. Rik Vanreusel, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 4 juni
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: in hun appelconclusie voerden de eisers acht concrete bewijselementen aan waaruit zij afleiden dat de aan de verweerders ten laste gelegde feiten zijn bewezen; de appelrechters beantwoorden deze verweermiddelen niet, minstens kan uit hun beslissing niet worden afgeleid of zij deze elementen in hun oordeel hebben betrokken; aldus miskennen zij tevens eisers’ recht van verdediging en eisers’ recht op een eerlijk proces.
- Uit artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter weliswaar de verplichting een in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkeld verweer te beantwoorden, maar niet dat moet worden ingegaan op elk feitelijk gegeven dat is aangevoerd ter ondersteuning van dit verweer.
- Uit het enkele feit dat de rechter geen melding maakt van een door een partij aangevoerd gegeven volgt niet dat de rechter dit gegeven niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen dat: - de verklaringen van de eiser 1 diverse inconsistenties vertonen, niet coherent zijn en op bepaalde punten tegenstrijdig zijn met de overige elementen in het strafdossier, met name wat zijn verklaringen betreft omtrent de beschadigde band van zijn fiets, het voertuig waarmee hij beweerdelijk werd ontvoerd, de mogelijkheid om de ontvoerders te beschrijven, het al dan niet passeren van een voertuig Golf voorafgaand aan zijn ontvoering, de omvang van de groep ontvoerders en zijn vete met de familie van de verweerders, inconsistenties die niet te wijten zijn aan een beweerde mentale beperking van de eiser 1; - de verweerders in hun gelijklopende verklaringen formeel waren dat de eiser 1 in de nacht van 29 november 2018 aan hun voordeur stond en trachtte binnen te dringen, met een schermutseling tot gevolg, waarbij de eiser 1 voor zijn aanwezigheid in deze buurt geen aannemelijke verklaring geeft; - hoewel het door de verklaring van een getuige vast staat dat een persoon in die buurt werd ontvoerd, het strafdossier geen objectieve onderzoekselementen bevat die de betrokkenheid van de verweerder 1 daarbij aantoont; - bij de verweerder 1 geen tekenen van geweld werden vastgesteld wat nochtans, gelet op de door de eiser 1 beschreven slagen, bij de ontvoerders kon worden verwacht en er tevens een aannemelijke verklaring bestaat voor het feit dat hij kort na de aankomst van de politie met de fiets van de eiser 1 kwam aangestapt; - het door de eerste rechter aangenomen scenario uit geen enkel objectief element van het strafdossier blijkt en er minstens twijfels rijzen of dit scenario binnen de vastgestelde korte tijdspanne zich zou hebben kunnen voordoen. Met die redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer van de eisers dat de verweerders schuldig zijn aan de hen ten laste gelegde feiten, zonder dat zij dienden in te gaan op alle feitelijke elementen die louter ter ondersteuning van dit verweer werden aangevoerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel miskenning aanvoert van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, is het afgeleid van het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging, het recht op bewijs en het recht op tegenspraak: de appelrechters steunen hun afwijzing van elk bijkomend onderzoek naar het reeds bestaande DNA-mengprofiel ten onrechte op redenen die vooruitlopen op de eventuele uitslag van dit onderzoek; noch deze redenen, noch de verwijzing naar de bijkomende kosten verbonden aan dergelijk onderzoek, verantwoorden deze beslissing naar recht; tevens laten zij na te antwoorden op het verzoek van de eisers tot bijkomend DNA-onderzoek op basis van bijkomende swabs in de zakken van de kledij van de eiser
- De rechter kan, zonder schending van artikel 6 EVRM dan wel miskenning van het recht van verdediging, waartoe het recht op tegenspraak behoort, weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de procespartij haar verzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van haar vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.
- Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen te overleggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt. Het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de vermelde beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de reden dat “[de verweerders] steeds formeel (stelden) dat er aan de voordeur van de familie K. een schermutseling tussen partijen plaatsvond, zodat een eventuele uitwisseling van DNA ook op die manier zou kunnen verklaard worden”, oordelen de appelrechters dat het verzoek van de eisers om DNA te laten afnemen van de verweerders en dit te vergelijken met de aangetroffen profielen, niet nuttig is in het kader van een eventuele waarheidsvinding. Met deze reden verantwoorden zij hun beslissing tot afwijzing van het verzoek tot bijkomend DNA-onderzoek naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers de appelrechters hebben verzocht bijkomend DNA-onderzoek te laten verrichten op de haren van de aanvallers die zich in de zakken van de kledij van de eiser 1 zouden bevinden, maar hiertoe louter een suggestie hebben gedaan. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, berust het op een onjuiste lezing van eisers’ appelconclusie en mist het feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,61 euro, waarvan 88,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div