Obsah (15)
Art. 828Art. 829Art. 830Art. 831Art. 832Art. 833Art. 834Art. 835Art. 836Art. 837Art. 838Art. 839Art. 840Art. 841Art. 842id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 828
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 829
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 830
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 831
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 832
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 833
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 834
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 835
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 836
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 837
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 838
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 839
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 840
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 841
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 842- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0362.N J. N., inverdenkinggestelde, verzoeker tot wraking, met als raadsman mr. Jean Flamme, advocaat bij de balie Gent, IN DE ZAAK VAN DE PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN, afdeling Oudenaarde, tegen J. N., reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, beoogt volgens het opschrift van deze akte de wraking van “de magistraten zetelende in de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent (art. 228 en vgl. GerW)”. Kamervoorzitter P. J. en de raadsheren A. A., B. C., A. S. en K. V. hebben de door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd, waarbij zij aangeven zich niet van de zaak te willen onthouden. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het wrakingsverzoek met als opschrift “Verzoekschrift tot wraking van de magistraten zetelende in de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent (art. 228 en vgl. GerW)” strekt tot wraking van “de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent en de verwijzing naar een ander Hof van Beroep”. In dit verzoekschrift zet de verzoeker onder meer uiteen dat tegen hem een gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd naar moord op zijn vroegere vriendin, dat hij zich voor die feiten sinds 29 september 2019 in voorlopige hechtenis bevindt, dat hij steeds heeft ontkend bij die feiten betrokken te zijn, dat het onderzoek exclusief tegen hem en ten laste werd gevoerd terwijl er ernstige aanwijzingen waren tegen de zoon van het slachtoffer, dat twee door de verzoeker tegen de zoon van het slachtoffer ingediende klachten met burgerlijkepartijstelling tot in hoger beroep onontvankelijk werden verklaard op foutieve gronden, dat twee verzoeken van de verzoeker om bijkomend onderzoek als ongegrond werden afgewezen terwijl een verzoek tot aanvullend onderzoek van een andere partij werd ingewilligd, dat politie-inspecteurs in de samenvatting van een buurtonderzoek de verzoeker tot twintigmaal toe “neger” hebben genoemd en dat de onderzoeksrechter deze benaming niet uit het dossier heeft verwijderd, dat de klacht met burgerlijkepartijstelling van de verzoeker tegen de inspecteurs tegen alle evidenties in ongegrond werd verklaard door de kamer van inbeschuldigingstelling, dat niettegenstaande de door de verzoeker aangevoerde twijfel de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent de voorlopige hechtenis van de verzoeker steeds heeft gehandhaafd en dit op onwettige wijze, dat de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent met het arrest van 31 januari 2024 de aanvoering over de excessieve duur van de hechtenis heeft verworpen en daarbij ten onrechte de vertragingen aan de verzoeker heeft toegeschreven, dat het openbaar ministerie om bijzonder opportunistische en laattijdige wijze het geweer van schouder heeft veranderd en de internering van de verzoeker heeft gevorderd, dat vele middelen van de verzoeker onbeantwoord werden gelaten, dat het duidelijk is dat de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent niet meer over de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikt om over de beweerde feiten en de gevorderde internering te beslissen, dat op zijn minst moet worden vastgesteld dat er een schijn van partijdigheid aanwezig is, alsook dat de kamer van inbeschuldigingstelling systematisch alle rechtmatige verzoeken van de verzoeker heeft afgewezen waaronder de gegronde verzoeken tot bijkomend onderzoek en zijn klachten met burgerlijkepartijstelling.
- De verzoeker heeft bij zijn wrakingsverzoek stukken gevoegd, waaronder de volgende arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent, namelijk: - het arrest van 25 november 2021 dat verzoekers hechtenis heeft gehandhaafd en dat werd gewezen door de kamervoorzitters J. L. en P. J. en raadsheer F. D.T.; - het arrest van 21 december 2021 dat verzoekers verzoek om bijkomend onderzoek heeft afgewezen en dat werd gewezen door de kamervoorzitters J. L., P. J. en F. D.T.; - het arrest van 10 februari 2022 dat verzoekers hoger beroep tegen de onontvankelijkverklaring van zijn burgerlijkepartijstelling onontvankelijk heeft verklaard en dat werd gewezen door de kamervoorzitters J. L. en F. D.T. en raadsheer A. A.; - het arrest van 2 augustus 2022 dat verzoekers hechtenis heeft gehandhaafd en dat werd gewezen door kamervoorzitter F. D.T. en de raadsheren O. D.V. en P. M.; - het arrest van 20 april 2023 dat verzoekers verzoek om aanvullend onderzoek heeft afgewezen en dat is gewezen door de kamervoorzitters J. L. en P. J. en raadsheer A. S.; - het arrest van 1 februari 2024 dat verzoekers hechtenis heeft gehandhaafd en dat werd gewezen door de kamervoorzitters J. L. en F. D.T. en raadsheer A. A.; - het arrest van 7 november 2024 dat verzoekers hoger beroep onontvankelijk heeft verklaard tegen de beslissing waarbij verzoekers klachten met burgerlijkepartijstelling onontvankelijk werden verklaard en dat werd gewezen door kamervoorzitter P. J. en de raadsheren A. S. en P. D.
- Opdat een wrakingsverzoek ontvankelijk zou zijn, dient het duidelijk aan te geven: - tegen welke magistraat of magistraten het is gericht; - op welke van in de artikel 828 Gerechtelijk Wetboek vermelde wrakingsgrond of -gronden het is gesteund; - de feitelijke gegevens die de grondslag vormen voor de ingeroepen wrakingsgrond of -gronden; - de procedure of procedures waarop het betrekking heeft.
- Het wrakingsverzoek moet bovendien tijdig worden ingediend, dit wil zeggen bij toepassing van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, van zodra de wrakingsgrond de partij die zich erop beroept, bekend is en in elk geval voor de rechtszitting die daarop volgt.
- Het wrakingsverzoek bekritiseert onder meer handelingen van politie-inspecteurs, de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie. Die kritiek kan onmogelijk een grondslag vormen voor de wraking van magistraten van de zetel die in de kamer van inbeschuldigingstelling zetelen.
- Het wrakingsverzoek bekritiseert meerdere beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent in meerdere procedures waarbij de verzoeker betrokken is (voorlopige hechtenis, verzoeken van de verzoeker om aanvullend onderzoek, klachten met burgerlijkepartijstellingen door de verzoeker, regeling van de rechtspleging) en die werden gewezen in verschillende samenstellingen. Het valt op basis van het wrakingsverzoek niet met zekerheid te achterhalen of het wrakingsverzoek is gericht tegen al de magistraten die in al die zaken hebben gezeteld dan wel op alle magistraten van het hof van beroep te Gent die in de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen zetelen. Aldus is het Hof niet alleen in de onmogelijkheid met zekerheid te achterhalen tegen welke magistraten het wrakingsverzoek precies is gericht, maar ook om na te gaan of de verzoeker in plaats van een wraking in wezen niet de onttrekking van de zaak aan het hof van beroep te Gent beoogt.
- Het wrakingverzoek laat ook niet toe om met zekerheid te achterhalen op welke procedure of procedures het betrekking heeft en met name de procedure van voorlopige hechtenis en of de procedure van regeling van de rechtspleging.
- Uit het wrakingsverzoek valt behalve de kritiek dat de verzoeker het niet eens is met de vermelde beslissingen niet met zekerheid te achterhalen waaruit precies wordt afgeleid dat “de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent” niet meer over de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid zou beschikken. Het enkele feit dat een partij het niet eens is met een rechterlijke beslissing levert immers als dusdanig geen wrakingsgrond op tegen de magistraat of magistraten die de beslissing hebben gewezen.
- De verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek bovendien laattijdig ingediend: de arresten waarop de verzoeker zijn verzoek steunt, dateren uit de periode 2021-2024 en hij heeft zijn wrakingsverzoek slechts op 28 februari 2025 ingediend.
- Het wrakingsverzoek is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het wrakingsverzoek. Zegt dat overeenkomstig artikel 838, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek de griffier dit arrest zal ter kennis brengen van de partijen per gerechtsbrief. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div