id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Vrijheidsberoving - Detentieomstandigheden in de gevangenis - Aanvoering door de gedetineerde van een uitgebreide, gedetailleerde en geloofwaardige beschrijving van de detentieomstandigheden - Wettigheid van de vrijheidsberoving - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALGEMEEN Vrije woorden: Artikel 3 EVRM - Verbod van foltering, onmenselijke of vernederende handelingen of bestraffingen - Detentieomstandigheden in de gevangenis - Aanvoering door de gedetineerde van een uitgebreide, gedetailleerde en geloofwaardige beschrijving van de detentieomstandigheden - Wettigheid van de vrijheidsberoving - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0202.N en P.25.0234.N A. H., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Hendrik Vandekerckhove, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Suikerrui 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging
- Het Hof voegt in het belang van een goede rechtsbedeling de zaken ingeschreven onder de rolnummers P.25.0202.N en P.25.0234.N samen. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verklaart eisers hoger beroep en zijn verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest hanteert bij de beoordeling van de door de eiser aangevoerde schending van deze verdragsbepaling een verkeerde bewijsstandaard; de eiser heeft in zijn appelconclusie een geloofwaardige en redelijk gedetailleerde beschrijving gegeven van de vernederende omstandigheden van zijn detentie in de gevangenis te Antwerpen, welke werden bevestigd door recente rapporten waaronder een rapport van december 2024; het arrest kan dit verweer niet verwerpen met het oordeel dat op basis van de overgelegde stukken de concrete leefomstandigheden in de cel waar de eiser verblijft niet kunnen worden geverifieerd en dat daarvoor geen objectieve gegevens voorliggen.
- Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM), volgt dat indien een persoon die van zijn vrijheid is beroofd aanvoert dat de omstandigheden waarin hij is opgesloten een schending uitmaken van die verdragsbepaling, hij die aanvoering niet moet bewijzen. De opsluitingsomstandigheden maken precies dat een dergelijke bewijslast niet realistisch is.
- Wel is vereist dat de betrokkene ter staving van de door hem aangevoerde verdragsrechtelijke schending een uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens.
- Die beschrijving moet de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving in staat stellen na te gaan of de aangevoerde schending van artikel 3 EVRM prima facie niet manifest ongegrond is.
- Indien de betrokkene een dergelijke uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens, staat het aan de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving de gegrondheid ervan te beoordelen, desgevallend na het inwinnen van aanvullende informatie en het bevelen van de zich opdringende onderzoeksmaatregelen.
- In zijn appelconclusie heeft de eiser met betrekking tot de problematiek van de overbevolking in de Belgische gevangenissen verwezen naar het jaarverslag 2023 van de Commissie van Toezicht van de gevangenis te Antwerpen, het jaarverslag 2023 van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen en een geschrift van de Penitentiaire adviesraad van de fod Justitie over vaststellingen in december
- Hij heeft vervolgens aangevoerd dat: - hij verblijft in een cel van acht vierkante meter, samen met twee celgenoten, waarvan één grondslaper en dat volgens de EHRM-rechtspraak de ruimte die het toilet inneemt niet mag worden meegerekend voor de bepaling van de vereiste minimale oppervlakte; - er volgens de EHRM-rechtspraak dan ook een vermoeden van schending van artikel 3 EVRM voorligt; - dit vermoeden kan worden weerlegd indien er slechts op korte occasionele tijdstippen sprake is van een gebrek aan ruimte, er voldoende tijd buiten de cel kan worden gespendeerd, er voldoende activiteiten buiten de cel worden georganiseerd en er een geen andere verzwarende omstandigheden spelen zoals een staking, maar dat dergelijke elementen niet voorhanden zijn; - bovendien de eiser gebruik moet maken van het in de cel zonder enige afscheiding geplaatst toilet, in aanwezigheid van de twee celgenoten. Een dergelijke nabijheid en blootstelling is niet alleen vanuit een gezondheids- en hygiëneperspectief te bekritiseren, maar het ontneemt de eiser elke vorm van privacy gezien hij te allen tijde in het zicht verblijft van zijn celgenoten en eventueel binnenkijkende cipiers.
- De eiser heeft daaruit afgeleid dat er een schending is van de artikelen 3 en 5 EVRM, zijn gevangenhouding onwettig is en hij moet worden vrijgelaten dan wel dat zijn vrijheidsberoving moet worden omgezet naar een vrijheidsberoving onder de modaliteit van het elektronisch toezicht.
- Het arrest (p. 4, randnr. 3.5) verwerpt eisers aanvoering op de volgende gronden: - de eiser maakt onvoldoende concreet aannemelijk dat zijn specifieke detentieomstandigheden in strijd zouden zijn met artikel 3 EVRM; - uit de aan de kamer van inbeschuldigingstelling overgelegde gegevens kan niet worden afgeleid dat de eiser ingevolge zijn huidige detentieomstandigheden zou zijn onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling; - de enkele verwijzing door de verzoeker naar zijn verblijf in de gevangenis te Antwerpen en de vaststellingen in de jaarverslagen van de Commissie van Toezicht bij de gevangenis te Antwerpen en van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen met betrekking tot de overbevolking in de gevangenis te Antwerpen volstaat hier niet; - op basis van de stukken die voorliggen kunnen de concrete leefomstandigheden in de cel waar de eiser verblijft niet worden geverifieerd en liggen daarover geen objectieve gegevens voor.
- De appelrechters die niet vaststellen dat de eiser geen uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving heeft verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens, maar zijn verweer in wezen verwerpen omdat zij niet beschikken over objectieve gegevens betreffende de opsluitingsomstandigheden van de eiser, verantwoorden die beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit eisers hoger beroep en verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 153,18 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.28 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.29 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div