id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Verzoek tot verhoor van een getuige à charge - Criteria voor het niet-horen van een getuige ter zitting - Toepassing op het horen van een oorspronkelijke medebeklaagde - Beoordeling - Vermelding van de concrete omstandigheden van de beslissing - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Verzoek tot verhoor van een getuige à charge - Criteria voor het niet-horen van een getuige ter zitting - Toepassing op het horen van een oorspronkelijke medebeklaagde - Beoordeling - Vermelding van de concrete omstandigheden van de beslissing - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 7 Het recht op bijstand van een advocaat, dat verbonden is met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, zijn rechten die gelden in personam en in beginsel bijgevolg slechts kunnen worden ingeroepen door degene ten aanzien van wie die rechten werden miskend; een beklaagde kan zich evenwel beroepen op de miskenning van die rechten als verweer tegen belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, hetzij wanneer die andere beklaagde, die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt, hetzij wanneer blijkt dat ingevolge de miskenning van die rechten er ongeoorloofde druk werd uitgeoefend op die andere beklaagde en zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn; wanneer een beklaagde aanvoert dat voor hem belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde zonder de bijstand van een raadsman hoewel hij op die bijstand gerechtigd was, uit het debat moeten worden geweerd, kan de rechter zich niet ertoe beperken na te gaan of die andere beklaagde de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken; hij dient ook na te gaan of de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat niet ertoe heeft geleid dat die andere beklaagde zijn belastende verklaringen heeft afgelegd onder ongeoorloofde druk waardoor de betrouwbaarheid ervan is aangetast
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verhoor van een verdachte door de politie - Recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens het verhoor - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens het verhoor - Verhoor van een verdachte door de politie - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Verhoor van een verdachte door de politie - Recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens het verhoor - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Strafzaken - Verhoor van een verdachte door de politie - Recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1431.N L. D.L., verzoeker tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 23 oktober 2024, vraagt de verzoeker op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 16 februari 2016 in de zaak P.15.1327.N. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 september 2015 werd de verzoeker als beklaagde veroordeeld in twee samengevoegde zaken, namelijk wegens het exploiteren van een cannabisplantage en de daarmee gepaard gaande diefstal van elektriciteit, met de omstandigheid dat de feiten werden gepleegd in staat van wettelijke herhaling en dat het drugmisdrijf werd gepleegd ten aanzien van minderjarigen, in de periode tussen 14 januari 2011 en 24 augustus 2011 (hierna de zaak 2013/CO/1222), en wegens het verhandelen van cocaïne als leidend persoon van een vereniging, met de omstandigheid dat de feiten werden gepleegd in staat van wettelijke herhaling in de periode tussen 15 maart 2009 en 8 april 2009 (hierna de zaak 2014/CO/112).
- De verzoeker voerde voor het hof van beroep onder meer aan dat: - in de zaak 2013/CO/1222
(1)zijn rechten, omschreven in artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werden miskend omdat de voor hem belastende verklaringen van R.F., M.V., R.C., S.V.A., M.S. en M.M.G., waarvan sommigen minderjarig waren, door die laatsten werden afgelegd zonder dat zij werden bijgestaan door een advocaat en zonder naleving van de cautieplicht, alsook dat
(2)zijn rechten, omschreven in artikel 6.1 en 6.3.d EVRM werden miskend omdat die personen niet werden gehoord als getuigen op de rechtszitting, te meer aangezien hij zelf niet werd verhoord tijdens het gerechtelijk onderzoek; - in de zaak 2014/CO/112 zijn in artikel 6.1 en 6.3.c EVRM omschreven rechten eveneens werden miskend omdat de medebeklaagden S.H. en A.F. voor hem belastende verklaringen hebben afgelegd zonder dat zij werden bijgestaan door een advocaat en zonder naleving van de cautieplicht. 3. Bij het voormelde arrest van 24 september 2015 werden verzoekers verweermiddelen verworpen. Het hof van beroep veroordeelde de verzoeker: - in de zaak 2013/CO/1222 tot een gevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van 2.000,00 euro, na vermeerdering met 45 opdeciemen gebracht op 11.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, alsook tot de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen voor een bedrag van 84.182,50 euro, tot de kosten en de bijdrage aan het Slachtofferfonds en tot de verbeurdverklaring van welbepaalde overtuigingsstukken; - in de zaak 2014/CO/112 tot een gevangenisstraf van zes jaar en een geldboete van 10.000,00 euro, na vermeerdering met 45 opdeciemen gebracht op 55.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, alsook tot de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen voor een bedrag van 10.713,00 euro en de verbeurdverklaring van het voertuig BMW 320, tot de kosten en de bijdrage aan het Slachtofferfonds en tot de verbeurdverklaring van welbepaalde overtuigingsstukken. 4. De verzoeker stelde cassatieberoep in tegen het arrest van 24 september 2015 en voerde met betrekking tot de in artikel 6.1, 6.3.c en 6.3.d EVRM omschreven rechten die volgens hem in de voormelde zin werden miskend, in een memorie meerdere grieven aan, met name: - in het tweede onderdeel van het eerste middel en in het vierde middel, op grond van de afwijzing van het door hem gevraagde aanvullend onderzoek in de zaak 2013/CO/1222, meer bepaald de weigering om de voormelde personen als getuigen op de rechtszitting te horen, mede gelet op de omstandigheid dat hij zelf niet werd verhoord tijdens het gerechtelijk onderzoek; - in het zesde middel, op grond van de omstandigheid dat in de zaak 2013/CO/1222 voor de beoordeling van de schuld van de verzoeker rekening werd gehouden met voor hem belastende verklaringen, afgelegd door andere verdachten zonder de bijstand van een raadsman en zonder naleving van de cautieplicht; - in het zevende middel, op grond van de omstandigheid dat in de zaak 2014/CO/112 voor de beoordeling van de schuld van de verzoeker rekening werd gehouden met voor hem belastende verklaringen, afgelegd door medebeklaagden zonder de bijstand van een raadsman en zonder naleving van de cautieplicht. 5. Bij arrest P.15.1327.N van 16 februari 2016 heeft het Hof het cassatieberoep van de verzoeker verworpen. Het Hof oordeelde hierbij dat: - de rechter onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van bijkomende onderzoeksmaatregelen beoordeelt, waarbij de omstandigheid dat hij met opgave van redenen de gevraagde onderzoeksmaatregelen afwijst omdat deze niet nuttig noch noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding en om tot zijn overtuiging te komen, geen schending oplevert van artikel 6 EVRM noch een miskenning van het recht van verdediging of van het recht op een eerlijk proces, zodat in de zaak 2013/CO/1222 het voormelde tweede onderdeel van het eerste middel niet kan worden aangenomen en het vierde middel niet ontvankelijk is omdat het geheel is afgeleid uit die vergeefs aangevoerde wetsschending; - het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, deze rechten in personam gelden en een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen lastens hem afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de door hem afgelegde verklaringen intrekt, zodat zowel het zesde middel in de zaak 2013/CO/1222 als het zevende middel in de zaak 2014/CO/112 falen naar recht. 6. Op 15 juli 2016 legde de verzoeker bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 41572/16) neer waarin schending van artikel 6.1, 6.3.c en 6.3.d EVRM werd aangevoerd omdat hij was veroordeeld op grond van belastende verklaringen van medebeklaagden die zij hadden afgelegd zonder de bijstand van een raadsman en zonder naleving van de cautieplicht, alsook op grond van verklaringen van personen die niet als getuigen op de rechtszitting werden gehoord. 7. Bij beslissing van 13 juni 2024 oordeelde het EHRM, tweede afdeling, met betrekking tot het verzoekschrift nr. 41572/16 eenparig dat er akte werd verleend van de verklaring van de Belgische regering en van de daarin vastgestelde modaliteiten om de aangegane verbintenissen in acht te nemen, alsook dat de zaak bij toepassing van artikel 37.1.c EVRM wordt doorgehaald. Op 4 juli 2024 bracht het EHRM deze beslissing ter kennis van de verzoeker. 8. Uit de voormelde beslissing van het EHRM blijkt dat: - de Belgische regering met het oog op het oplossen van de in het voormelde verzoekschrift opgeworpen grieven een eenzijdige verklaring heeft afgelegd, waarin zij, gelet op de omstandigheid dat de voorafgaande fase van de voorliggende procedure dateert van vóór de zogeheten Salduz-wet van 2011, erkent dat artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd geschonden omdat de verzoeker werd veroordeeld op grond van verklaringen van medebeklaagden die werden afgelegd zonder advocaat, alsook dat artikel 6.3.d EVRM werd geschonden ingevolge de onmogelijkheid om getuigen à charge te ondervragen; - de Belgische regering de doorhaling van de zaak van de rol vraagt tegen betaling aan de verzoeker van een bedrag van 5.000,00 euro als vergoeding voor morele schade, kosten en uitgaven; - voor wat de persoonlijke maatregelen betreft, de Belgische regering verwijst naar de artikelen 442bis en 442quinquies Wetboek van Strafvordering die de voorwaarden bepalen tot heropening van de rechtspleging; - de verzoeker bij brief van 22 april 2024 aan het EHRM heeft meegedeeld dat hij de door de Belgische regering voorgestelde voorwaarden niet aanvaardt. III. BESLISSING VAN HET HOF A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging 9. Artikel 442bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wat betreft de strafvordering de heropening van de rechtspleging kan worden gevraagd in geval van een beslissing van het EHRM waarbij het akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending overeenkomstig artikel 37.1 EVRM en het dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen. 10. Volgens artikel 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening van de rechtspleging te vragen aan de veroordeelde. 11. Het verzoekschrift werd ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven en voldoet aan de in artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm- en tijdsvoorwaarden. 12. In zijn verzoekschrift voert de verzoeker drie gronden tot heropening van de rechtspleging aan, namelijk: - in de zaak 2014/CO/112 op grond van de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor en miskenning van de cautieplicht, omdat de veroordeling van de verzoeker in die zaak gebaseerd is op verklaringen van de medeverdachten H.S. en A.F., tevens medebeklaagden, die werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat en met miskenning van de cautieplicht (hierna eerste heropeningsgrond); - in de zaak 2013/CO/1222 eveneens op grond van de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor en miskenning van de cautieplicht, omdat de veroordeling van de verzoeker in die zaak gebaseerd is op verklaringen van de medeverdachten R.F., M.V., R.C., S.V.A., M.S. en M.M.G., waarvan sommigen zelfs minderjarig, terwijl die verklaringen werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat en met miskenning van de cautieplicht (hierna tweede heropeningsgrond); - in de zaak 2013/CO/1222 tevens op grond van de miskenning van het recht om getuigen à charge onder eed te horen op de rechtszitting, omdat de veroordeling van de verzoeker in die zaak gebaseerd is op belastende verklaringen van R.F., M.V., R.C., S.V.A., M.S. en M.M.G., zonder dat de verzoeker de gelegenheid had die personen als getuigen onder eed op de rechtszitting te horen (hierna derde heropeningsgrond). 13. Uit de hierboven vermelde unilaterale verklaring van de Belgische regering en de beoordeling ervan door het EHRM met de voormelde beslissing van 13 juni 2024, zoals die werd medegedeeld op 4 juli 2024, volgt dat: - het Hof van Cassatie bij de beoordeling van verzoekers grief dat de appelrechters in de zaak 2014/CO/112 de beoordeling van de schuld niet mede konden steunen op verklaringen van de medeverdachten H.S. en A.F., afgelegd met miskenning van het recht op bijstand van een advocaat en van de cautieplicht, zich in het antwoord op het zevende middel tot cassatie niet kon beperken tot het oordeel dat het recht op bijstand van een advocaat, dat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, rechten zijn die in personam gelden en dat een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen lastens hem afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de door hem afgelegde verklaringen intrekt; - de verwerping van het zevende middel in het arrest P.15.1327.N het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de toegang tot een raadsman in alle fasen van het strafproces miskent, zoals uitgelegd door het EHRM in het arrest van 8 maart 2022 inzake Tonkov, waarnaar in de beslissing van 13 juni 2024 wordt verwezen, aangezien hierbij niet werd nagegaan of de appelrechters de weerslag hebben onderzocht van de afwezigheid van een raadsman bij de verhoren van H.S. en A.F. op de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van die laatsten en op de mogelijkheid dat die verklaringen onder druk werden afgelegd; - er aanleiding is tot intrekking van het arrest P.15.1327.N in zoverre het op grond van de voormelde motieven het zevende middel verwerpt. 14. De heropening van de rechtspleging met betrekking tot de zaak 2014/CO/112 op basis van de eerste heropeningsgrond kan evenwel niet worden bevolen en de overige voorwaarden van die heropening dienen niet te worden beoordeeld aangezien volgend op de hierbij bevolen intrekking van het arrest P.15.1327.N in zoverre dit het voormelde zevende middel verwerpt, blijkt dat dit middel hoe dan ook niet gegrond is en het arrest van het hof van beroep van 24 september 2015 met betrekking tot de zaak 2014/CO/112 bijgevolg niet moet worden vernietigd. 15. Verder volgt uit de hierboven vermelde unilaterale verklaring van de Belgische regering en de beoordeling ervan door het EHRM met de voormelde beslissing van 13 juni 2024, zoals die werd medegedeeld op 4 juli 2024, dat: - het Hof van Cassatie bij de beoordeling van verzoekers grief dat de appelrechters in de zaak 2013/CO/1222 zich niet konden baseren op de voor hem belastende verklaringen van R.F., M.V., R.C., S.V.A., M.S. en M.M.G. zonder de verzoeker de gelegenheid te bieden die personen als getuigen onder eed op de rechtszitting te horen, zich niet kon beperken tot het oordeel dat de rechter onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van bijkomende onderzoeksmaatregelen beoordeelt en de omstandigheid dat hij deze afwijst omdat ze niet nuttig noch noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding en om tot zijn overtuiging te komen, geen schending oplevert van artikel 6 EVRM noch een miskenning van het recht van verdediging of van het recht op een eerlijk proces (tweede onderdeel van het eerste middel) en dat verzoekers grief voor het overige is afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetsschending (vierde middel); - de verwerping van het tweede onderdeel van het eerste middel en het vierde middel in het arrest P.15.1327.N, evenals de afwijzing in het arrest van 24 september 2015 van verzoekers vraag om de voormelde personen op de rechtszitting te horen, het door artikel 6.1 en 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge onder eed te horen op de rechtszitting miskennen, zoals uitgelegd door het EHRM in de arresten van 15 december 2011 inzake Al-Khawaja en Tahery en van 15 december 2015 inzake Schatschaschwili, waarnaar in de beslissing van 13 juni 2024 wordt verwezen, alsook in het arrest van 14 juni 2016 inzake Riahi. 16. De in de derde heropeningsgrond aangevoerde en aldus vastgestelde schending van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM als gevolg van een procedurefout of -tekortkoming, is dermate ernstig dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Het Hof van Cassatie had immers anders kunnen oordelen dan het met het arrest van 16 februari 2016 heeft gedaan, waardoor het verweer van de verzoeker in de zaak 2013/CO/1222 en zijn vraag om de voormelde personen op de rechtszitting als getuige onder eed te horen, anders hadden kunnen worden beoordeeld. 17. De verzoeker, die stelt dat op grond van de in het arrest van 24 september 2015 opgelegde gevangenisstraffen tegen hem nog steeds een strafuitvoeringsmodaliteit geldt, werd in de zaak 2013/CO/1222 behalve tot een gevangenisstraf van vier jaar onder meer ook veroordeeld tot een geldboete van 2.000,00 euro, na vermeerdering met 45 opdeciemen gebracht op 11.000,00 euro, alsook tot de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen voor een bedrag van 84.182,50 euro, tot de kosten en de bijdrage aan het Slachtofferfonds. Met staving door meerdere stukken verwijst de verzoeker naar de pogingen tot uitvoering van die vermogensstraffen, die zijn financiële toestand ernstig hebben aangetast, alsook naar het afbetalingsplan waaraan hij zich in dit verband dient te houden. Bijgevolg blijft de verzoeker in de zaak 2013/CO/1222 zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. 18. De in de artikelen 442bis en 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde voorwaarden zijn verenigd. Er is grond tot heropening van de rechtspleging in zoverre deze betrekking heeft op de zaak 2013/CO/1222 en tot intrekking van het arrest P.15.1327.N van 16 februari 2016 in de hierna bepaalde mate. 19. Gelet op de heropening van de rechtspleging betreffende de zaak 2013/CO/1222 op basis van de derde heropeningsgrond, gaat het Hof verder niet in op de tweede heropeningsgrond, die eveneens op die zaak betrekking heeft en niet tot een ruimere heropening kan leiden. B. Cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 september 2015 Tweede onderdeel van het eerste middel en vierde middel 20. Het tweede onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de veroordeling in de zaak 2013/CO/1222 is niet naar recht verantwoord; de eiser werd niet gehoord tijdens het gerechtelijk onderzoek en heeft niet alle mogelijkheden gehad voor de onderzoeksgerechten en voor de rechter ten gronde om verweer te voeren tijdens een tegensprekelijk debat; het gevraagde bijkomend onderzoek werd tevens afgewezen om de eiser vervolgens schuldig te verklaren op basis van door hem betwiste getuigenverklaringen. Het vierde middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de eiser werd in de zaak 2013/CO/1222 veroordeeld; in zijn op de rechtszitting van 4 juni 2015 neergelegde conclusie heeft hij om verhoren onder eed en confrontatie verzocht gezien hij laattijdig werd verhoord en geen tegenspraak meer kon bieden tegen de door de anderen tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen; de veroordeling steunt op de incriminerende verklaringen van deze andere verdachten die door de eiser worden betwist, maar door de appelrechters betrouwbaar worden bevonden; zij stellen dat het gevraagde bijkomend onderzoek niet nuttig noch noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en dat de eiser alle mogelijkheden had voor de onderzoeksgerechten en de rechter ten gronde om verweer te voeren via een tegensprekelijk debat. 21. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 22. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 23. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 24. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. 25. Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 26. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 27. De redenen die het arrest in de zaak 2013/CO/1222 aanneemt ter afwijzing van eisers verzoek tot het horen op de rechtszitting onder eed van R.F., M.V., R.C., S.V.A., M.S. en M.M.G. als getuige à charge (p. 19-20, randnummer 5) kunnen noch afzonderlijk noch samengenomen die beslissing naar recht verantwoorden. Immers verantwoorden de appelrechters de afwijzing van dat verzoek louter door erop te wijzen dat: - de gevraagde onderzoeksdaden geenszins nuttig, laat staan noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding; - de voormelde jongeren allen een gedetailleerde verklaring hebben afgelegd in de loop van het gerechtelijk onderzoek en hun verklaringen deel uitmaken van het strafbundel; - de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat bij het verhoor geenszins de betrouwbaarheid van hun verklaringen in het gedrang heeft gebracht en het gebruik van die verklaringen tegen de eiser niet van aard zijn om diens recht van verdediging of recht op een eerlijk proces in het gedrang te brengen. 28. Het tweede onderdeel van het eerste middel en het vierde middel zijn in zoverre gegrond. Zevende middel 29. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest steunt zich bij de beoordeling van eisers schuld aan de telastlegging A in de zaak 2014/CO/112 op verklaringen van medebeklaagden afgelegd tijdens hun vrijheidsberoving zonder bijstand van een raadsman en zonder naleving van de cautieplicht. 30. Het recht op bijstand van een advocaat, dat verbonden is met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, zijn rechten die gelden in personam en in beginsel bijgevolg slechts kunnen worden ingeroepen door degene ten aanzien van wie die rechten werden miskend. Een beklaagde kan zich evenwel beroepen op de miskenning van die rechten als verweer tegen belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, hetzij wanneer die andere beklaagde, die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt, hetzij wanneer blijkt dat ingevolge de miskenning van die rechten er ongeoorloofde druk werd uitgeoefend op die andere beklaagde en zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn. 31. Wanneer een beklaagde aanvoert dat voor hem belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde zonder de bijstand van een raadsman hoewel hij op die bijstand gerechtigd was, uit het debat moeten worden geweerd, kan de rechter zich niet ertoe beperken na te gaan of die andere beklaagde de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken. Hij dient ook na te gaan of de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat niet ertoe heeft geleid dat die andere beklaagde zijn belastende verklaringen heeft afgelegd onder ongeoorloofde druk waardoor de betrouwbaarheid ervan is aangetast. 32. Uit het arrest blijkt dat de appelrechters met betrekking tot eisers verweer dat in de zaak 2014/CO/112 voor de beoordeling van zijn schuld geen rekening kon worden gehouden met de voor hem belastende verklaringen van de medeverdachten H.S. en A.F., afgelegd met miskenning van het recht op bijstand van een advocaat en van de cautieplicht, niet alleen oordelen dat dit recht in personam geldt en niet werd ingeroepen door H.S. en A.F. en dat zij hun voor de eiser belastende verklaringen ook niet hebben ingetrokken wegens de miskenning van dat recht. Immers oordelen de appelrechters, na een zeer uitgebreide toelichting van de omstandigheden waarin de verklaringen van zowel H.S. als A.F. werden afgelegd (arrest, p. 40-51, punt 3), ook als volgt met betrekking tot de verklaringen van H.S. (arrest, p. 45-46): - H.S. legde pas een eerste verklaring af nadat hij zijn raadsman had kunnen spreken; - H.S. heeft gedurende het verder verloop van het gerechtelijk onderzoek en ook vooraleer hij de voor de eiser belastende verklaringen aflegde, de gelegenheid gehad om zijn raadsman te raadplegen; - de verdediging maakt geenszins aannemelijk dat er ongeoorloofde politiedruk werd uitgeoefend bij het afnemen van de verhoren. Deze aantijging wordt door geen enkel objectief element gesteund. De onderbrekingen tijdens sommige verhoren waren steeds op verzoek van H.S.; - de aantijging van de verdediging dat de verklaringen door H.S. zouden zijn afgelegd onder de valse belofte dat zijn andere handeltjes ongemoeid zouden worden gelaten of hij een lichtere straf zou krijgen, blijkt nergens uit; - uit niets blijkt dat de verklaringen het gevolg waren van misbruik van de kwetsbare positie van de verdachte, suggestieve vragen of misleiding als verhoortechniek; - uit het feit dat H.S. zijn eerder afgelegde verklaringen wijzigde op 13 augustus 2009 en toen besloot om de waarheid te zeggen, waarbij hij belastende verklaringen aflegde lastens de eiser, kan geenszins afgeleid worden dat dit gebeurde onder ongeoorloofde politiedruk of onder valse beloftes; - het hof van beroep is van oordeel dat uit het feit dat de verklaringen van H.S. werden afgelegd zonder dat hij bijstand genoot van een advocaat bij zijn verhoren en waarbij hij vanaf 13 augustus 2009 belastende verklaringen aflegde lastens de eiser, geenszins kan worden afgeleid dat deze verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn en het gebruik ervan ten nadele van de eiser diens recht van verdediging zou schenden; en vervolgens met betrekking tot de verklaringen van A.F. (arrest, p. 50): - het hof van beroep is van oordeel dat uit het louter feit dat A.F. geen bijstand van een advocaat bij zijn verhoren genoot, niet zomaar kan afgeleid worden dat de door hem afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn, of dat het gebruik ervan ten nadele van de eiser diens recht van verdediging zou miskennen. Het is aan het hof van beroep om de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen te onderzoeken; - na grondige lezing en analyse van de door A.F. afgelegde verklaringen, stelt het hof van beroep vast dat: ? A.F. vooraleer hij enige verklaring aflegde, de gelegenheid heeft gehad om zijn raadsman te spreken. Reeds in het kader van de uitleveringsprocedure had hij zowel zijn Nederlandse als Belgische raadsman gesproken; ? A.F. ook tijdens het verder verloop van de procedure de gelegenheid heeft gehad om zijn raadsman te raadplegen; ? de verdediging geenszins aannemelijk maakt dat er ongeoorloofde politiedruk werd uitgeoefend bij het afnemen van diens verhoren. Deze aantijging wordt door geen enkel objectief element gesteund; ? de aantijging van de verdediging dat de verklaringen door A.F. werden afgelegd onder de valse beloftes dat hij zo sneller naar vrouw en kind mocht, nergens uit blijkt; ? nergens uit blijkt dat de verklaringen het gevolg waren van misbruik van de kwetsbare positie van de verdachte, suggestieve vragen of misleiding als verhoortechniek; - gelet op het voormelde, is het hof van beroep van oordeel dat uit het feit dat de verklaringen van A.F., die werden afgelegd zonder dat hij bijstand genoot van een advocaat bij zijn verhoren en waarbij hij belastende verklaringen aflegde lastens de eiser, geenszins kan worden afgeleid dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn, en het gebruik ervan ten nadele van de eiser diens recht van verdediging zou miskennen. 33. Aldus oordelen de appelrechters op grond van een omstandig gemotiveerd onderzoek dat de miskenning van het recht van de medeverdachten H.S. en A.F. op bijstand van een raadsman bij de door hen afgelegde verklaringen tijdens het vooronderzoek, niet ertoe heeft geleid dat zij hun voor de eiser belastende verklaringen hebben afgelegd onder ongeoorloofde druk waardoor de betrouwbaarheid van die verklaringen is aangetast. Het middel kan niet worden aangenomen. Omvang van de cassatie 34. De voormelde onwettigheid van het arrest van 24 september 2015 leidt tot de vernietiging van dat arrest in zoverre de eiser in de zaak 2013/CO/1222 schuldig werd verklaard en werd veroordeeld tot straf, alsook tot de kosten en de bijdrage aan het Slachtofferfonds in die zaak. Ze laat de veroordeling van de eiser in de zaak 2014/CO/112 onverlet. Dictum Het Hof, Beveelt de heropening van de rechtspleging in de mate zoals hierna bepaald. Trekt het arrest in dat het Hof op 16 februari 2016 met nummer P.15.1327.N heeft gewezen, in zoverre hierin het cassatieberoep in de zaak 2013/CO/1222 werd verworpen, alsook in zoverre hierin het zevende middel werd verworpen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk ingetrokken arrest. Vernietigt het bestreden arrest van 24 september 2015 in zoverre het de eiser in de zaak 2013/CO/1222 schuldig verklaart en veroordeelt tot straf, tot de kosten en de bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de aanvraag tot heropening en het cassatieberoep voor het overige. Laat de kosten van de rechtspleging tot heropening ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten van de rechtspleging tot heropening op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Ilse Couwenberg, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Ilse Couwenberg, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div