← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.11 Rolnummer: P.24.1255.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-06-15 16:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beslissing waarbij de beveiligingsmaatregel van de vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid is uitgesproken, belet niet dat dit verval op de in artikel 43 Wegverkeerswet vermelde datum effectief wordt, dit is de beslissing wanneer zij op tegenspraak is gewezen en de betekening wanneer zij bij verstek is gewezen, en verder loopt; zolang de beslissing tot vervallenverklaring niet wordt hervormd, blijft ze gelden en is het derhalve op grond van artikel 49, eerste lid, Wegverkeerswet ook verboden om wetens een motorvoertuig voor het besturen of voor de begeleiding met het oog op de scholing, toe te vertrouwen aan de persoon die van het recht tot sturen vervallen is verklaard; deze uitsluiting van de schorsende werking van het aanwenden van een rechtsmiddel op de uitvoerbaarheid van de bevolen beveiligingsmaatregel volgt uit de wet, die ieder behoort te kennen

(1).
(1)Cass. 19 december 2023, AR P.23.1506.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.1; Cass. 26 september 2023, AR P.23.0879.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.2; Cass. 12 september 2023, AR P.23.0540.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.16, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2023-24,
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 43 Vrije woorden: Verval van het recht tot sturen wegens ongeschiktheid - Aanwenden van een rechtsmiddel door de bestuurder - Geldigheid van het verval tijdens de procedure - Uitlenen van het voertuig aan een bestuurder die het rijverbod wegens ongeschiktheid aanvecht - Strafbaarheid van het uitlenen Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 49 Vrije woorden: Uitlenen van het voertuig aan een bestuurder die het rijverbod wegens ongeschiktheid aanvecht - Verval van het recht tot sturen wegens ongeschiktheid - Aanwenden van een rechtsmiddel door de bestuurder - Geldigheid van het verval tijdens de procedure - Strafbaarheid van het uitlenen Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1255.N I M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. II K. S., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 21 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM en de artikelen 47bis en 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat uit deze bepalingen niet volgt dat een drugs- of alcoholprocedure slechts mag gebeuren mits bijstand van een advocaat; de eiser bevond zich echter duidelijk in een kwetsbare positie daar hij net een accident had; gelet op zijn toestand had de eiser “uiteraard onmiddellijk bijstand voorafgaandelijk aan wat dan ook hebben moeten krijgen van een advocaat”.
  4. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  5. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser zich in een kwetsbare positie bevond, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is en is het evenmin ontvankelijk.
  6. Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering kan slechts zijn geschonden wegens het niet-naleven van de bij een verhoor in acht te nemen formaliteiten, indien een verdachte daadwerkelijk werd verhoord.
  7. Uit artikel 6 EVRM, noch uit enige andere bepaling, volgt dat het afnemen van een ademtest, een ademanalyse, een speekseltest of een speekselanalyse, slechts mag gebeuren met de bijstand van een advocaat.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 50 en 58bis Wegverkeerswet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de veiligheidsmaatregel van het immobiliseren van het voertuig werd niet reglementair bevolen door de procureur des Konings overeenkomstig artikel 58bis Wegverkeerswet; de eiser heeft onmiddellijk het parket gevat in juli 2023 om dit voertuig vrij te geven, nadat de politie en niet het parket had beslist dat het in beslag moest worden genomen; deze beslissing werd dus niet genomen door de bevoegde persoon; het is ook duidelijk dat de eiseres niet op de hoogte was van de omstandigheden en er geen inbreuk was op artikel 49 Wegverkeerswet, zodat het voertuig niet mocht worden geïmmobiliseerd.
  10. De door het middel geformuleerde kritiek is vreemd aan de beslissing van het appelgerecht over eisers schuld en de hem opgelegde bestraffing. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 50, § 2, Wegverkeerswet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verklaren ten onrechte het voertuig van de eiseres verbeurd; het is immers duidelijk dat de eiseres niet kon worden veroordeeld voor het wetens en willens toevertrouwen van dit voertuig aan een persoon die van het recht tot sturen was vervallen; de eiser heeft onmiddellijk via zijn raadsman aan het parket gevraagd om het voertuig vrij te geven maar hierop kwam geen antwoord; de eiser werd wel onmiddellijk gedagvaard.
  12. Het beroepen vonnis verklaart het inbeslaggenomen voertuig verbeurd ten nadele van de eiseres.
  13. Het bestreden vonnis bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen met betrekking tot de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voertuig, na te hebben vastgesteld (p. 11) dat het de eiseres is die onbetwist eigenaar is van het voertuig.
  14. Het middel van de eiser, gericht tegen deze veroordeling van de eiseres, is bij gebrek aan hoedanigheid niet ontvankelijk. Vierde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet en artikel 65 Strafwetboek: de appelrechters gaan ten onrechte niet in op eisers vraag om één straf op te leggen voor alle hem ten laste gelegde feiten samen; de eiser werd “tweemaal maximaal de zwaarste straf opgelegd”.
  16. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 38, § 6, Wegverkeerswet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  17. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken.
  18. Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd. Het in de wet bedoelde opzet kan worden omschreven als eenheid van drijfveer, zonder dat hiervoor is vereist dat de onderscheiden misdrijven bestaan uit of het gevolg zijn van eenzelfde strafbare gedraging.
  19. De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de verschillende feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  20. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  21. Het bestreden vonnis (p. 9) oordeelt onder meer als volgt: - er is geen reden om alle feiten te vermengen; - de eiser nam de beslissing om te rijden spijts een rijongeschiktheid en herstelonderzoeken; - het rijden onder invloed van drank en drugs en in een soortgelijke staat van dronkenschap vergt een afzonderlijke beslissing; - er is voor de vermengde feiten A, B en C geen opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet met de vermengde feiten onder de telastleggingen D en E.
  22. Op grond van deze redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat er geen eenheid van opzet is tussen alle aan de eiser ten laste gelegde feiten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiseres Eerste middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM en de artikelen 47bis en 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres regulier werd verhoord in het kader van de Salduz-procedure, categorie II, zonder bijstand van een advocaat; de eiseres kreeg bij haar verhoor op 24 augustus 2023 “beperkte rechten”; er moet zelfs geen kwetsbare positie noch vrijheidsbeneming zijn om bijstand van een raadsman te moeten hebben.
  24. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  25. Volgens artikel 47bis, § 3, Wetboek van Strafvordering kunnen, indien het verhoor van een meerderjarige verdachte op schriftelijke uitnodiging geschiedt, de in de tweede paragraaf van dit artikel bedoelde rechten, evenals de beknopte mededeling van de feiten waarover de te ondervragen persoon zal worden verhoord, reeds ter kennis worden gebracht in deze uitnodiging waarvan een kopie gevoegd wordt bij het proces-verbaal van verhoor. In dit geval geldt de uitnodiging als mededeling van de rechten bedoeld in artikel 47bis, § 2, Wetboek van Strafvordering en wordt de betrokkene geacht een vertrouwelijk overleg te hebben gepleegd met een advocaat en de nodige maatregelen te hebben genomen om zich door hem te laten bijstaan tijdens het verhoor. Indien de betrokkene zich niet laat bijstaan door een advocaat, wordt hij, vooraleer het verhoor aanvangt, alleszins gewezen op de rechten bedoeld in artikel 47bis, § 2, 2) en 3), Wetboek van Strafvordering.
  26. Het bestreden vonnis (p. 7) stelt vast dat de uitnodigingen tot verhoor van de eiseres zich in het strafdossier bevinden, met een beknopte mededeling van de feiten en haar rechten en dat haar voorafgaand aan het verhoor ook een schriftelijke verklaring van haar rechten werd overhandigd.
  27. Met die redenen oordeelt het bestreden vonnis wettig dat er ten aanzien van de eiseres, die schriftelijk werd uitgenodigd voor verhoor en volgens artikel 47bis, § 3, Wetboek van Strafvordering aldus werd geacht een vertrouwelijk overleg te hebben gepleegd met een advocaat en de nodige maatregelen te hebben genomen om zich door hem te laten bijstaan tijdens het verhoor, en er bijgevolg geen inbreuk is op artikel 6 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  28. Het middel voert schending aan van artikel 49 Wegverkeerswet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van de telastlegging F zijn bewezen; na tussenvonnis is gebleken dat tegen de veroordeling van de eiser tot verval van het recht tot sturen cassatieberoep was ingesteld en werd de telastlegging D in die zin heromschreven; een inbreuk op artikel 49 Wegverkeerswet veronderstelt echter dat de veroordeling tot verval van het recht tot sturen kracht van gewijsde heeft; gelet op de twijfel over dit verval was er uiteraard ook bij de eiseres twijfel over de veroordeling tot rijverbod van de eiser; de eiseres heeft dan ook niet wetens en willens het voertuig toevertrouwd aan de eiser; zij was zelfs niet aanwezig.
  29. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  30. Artikel 43 Wegverkeerswet bepaalt: “Het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de bestuurder gaat in bij de uitspraak van de beslissing wanneer deze op tegenspraak is gewezen en bij de betekening wanneer zij bij verstek is gewezen, niettegenstaande voorziening.”
  31. Het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beslissing waarbij de beveiligingsmaatregel van de vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid is uitgesproken, belet niet dat dit verval op de in artikel 43 Wegverkeerswet vermelde datum effectief wordt en verder loopt. Zolang de beslissing tot vervallenverklaring niet wordt hervormd, blijft ze gelden en is het derhalve op grond van artikel 49, eerste lid, Wegverkeerswet ook verboden om wetens een motorvoertuig voor het besturen of voor de begeleiding met het oog op de scholing, toe te vertrouwen aan de persoon die van het recht tot sturen vervallen is verklaard.
  32. Deze uitsluiting van de schorsende werking van het aanwenden van een rechtsmiddel op de uitvoerbaarheid van de bevolen beveiligingsmaatregel volgt uit de wet, die ieder behoort te kennen.
  33. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  34. Het middel voert schending aan van de artikelen 50 en 58bis Wegverkeerswet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de immobilisering van het voertuig reglementair werd bevolen door de procureur des Konings; er heeft hierover echter geen rechter geoordeeld; bovendien is het duidelijk dat de eiseres niet wetens het motorvoertuig heeft toevertrouwd aan de eiser; de eiser was aan het werk en niet aanwezig en uit de heromschrijving van de telastlegging D blijkt dat het vonnis dat de eiser vervallen verklaarde van het recht tot sturen nog niet in kracht van gewijsde was.
  35. De door het middel geformuleerde kritiek is vreemd aan de beslissing van het appelgerecht over de schuld van de eiseres en de haar opgelegde bestraffing. Het middel is niet ontvankelijk. Vierde middel
  36. Het middel voert schending aan van artikel 50, § 2, Wegverkeerswet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben ten onrechte het voertuig verbeurdverklaard; er is op zijn minst twijfel dat de eiseres wetens en willens haar voertuig heeft toevertrouwd aan de eiser; zij was zelfs niet aanwezig thuis; zij ging ervan uit dat haar zoon inmiddels zijn lesje wel geleerd had; de heromschrijving van de telastlegging D duidt ook op twijfel.
  37. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  38. In zoverre het middel voor het overige is afgeleid uit de in het tweede middel aangevoerde wetsschendingen, is het evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 139,21 euro, waarvan de eiser I 69,60 euro is verschuldigd en de eiseres II 69,61 is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.16 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.