id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Verwittiging van de aard en redenen van de telastlegging - Aanpassing van tenlastelegging door de vonnisrechter - Wijziging van de datum van de vervolgde feiten - Verwittiging van de beklaagde in de procedure in hoger beroep - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Artikel 6.3.b - Recht op voldoende tijd en faciliteiten om zijn verweer voor te bereiden - Verwittiging van de aard en redenen van de telastlegging - Aanpassing van tenlastelegging door de vonnisrechter - Wijziging van de datum van de vervolgde feiten - Verwittiging van de beklaagde in de procedure in hoger beroep - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verwittiging van de aard en redenen van de telastlegging - Aanpassing van tenlastelegging door de vonnisrechter - Wijziging van de datum van de vervolgde feiten - Verwittiging van de beklaagde in de procedure in hoger beroep - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.1383.N BEST BUDGET CAR nv, met zetel te 3300 Tienen, Leuvenselaan 53/A, ON 0431.904.574, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Willem Van Betsbrugge, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 6 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21bis Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het feit dat de dagvaarding niet duidelijk maakt dat het om twee onderscheiden inbreuken gaat, geen miskenning is van het recht van verdediging en dat een eenvoudige raadpleging van het strafdossier een en ander zou hebben verduidelijkt; de dagvaarding moet echter op zich duidelijk genoeg zijn om een verweer te kunnen voeren; bovendien ontving de raadsman van de eiseres na een verzoek aan de griffie voor het verkrijgen van een afschrift slechts één dossier van 23 pagina’s.
- In zoverre het middel aanvoert dat de raadsman van de eiseres na een verzoek aan de griffie tot het verkrijgen van een afschrift van het strafdossier een onvolledig afschrift zou hebben gekregen, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging. Deze bepaling bedoelt met “de redenen” de ten laste gelegde strafbare feiten en met “de aard” de juridische kwalificatie van die feiten.
- Noch artikel 6.1 of 6.3.a EVRM, noch enig algemeen rechtsbeginsel legt enige bijzondere vorm op voor wat betreft de wijze waarop de vervolgde partij op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.
- Niets belet dat de vonnisrechter op basis van de informatie uit het strafdossier de redenen van de beschuldiging, zoals vermeld in de gedinginleidende akte, verduidelijkt, onder meer door aanpassing van de incriminatiedata, en de partijen vervolgens uitnodigt om hierover standpunt in te nemen. Het enkele feit dat deze verduidelijking een gevolg is van het verweer van de beklaagde of dat zij pas in de procedure in hoger beroep gebeurt, miskent het recht van verdediging niet. Daarvoor is enkel vereist dat de beklaagde na de verduidelijking kan beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging, zoals bepaald in artikel 6.3.b EVRM.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 29ter en 67ter Wegverkeerswet en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters keren de bewijslast met betrekking tot de ontvangst van de vragen om inlichtingen om en oordelen ten onrechte dat de eiseres niet heeft opgeworpen dat zij deze vragen niet had ontvangen en dit ook niet in haar grievenformulier werd aangehaald; het is immers niet aan de eiseres om het bewijs te leveren van niet-ontvangst van de vragen om inlichtingen; het openbaar ministerie moet de verzending en ontvangst daarvan aantonen; de zetel van de eiseres is gelegen in een gebouw achterin en de post wordt dikwijls verkeerd afgeleverd; de eiseres heeft ook mondeling op de rechtszitting in eerste aanleg verduidelijkt dat niet alle vragen om inlichtingen werden ontvangen en dit hoefde niet expliciet te worden vermeld in het grievenformulier, waarin zij wel de rubriek “procedure” aankruiste; ook in haar syntheseconclusie gaf de eiseres aan vóór 16 november 2022 geen berichten te hebben ontvangen.
- Een onjuiste motivering levert mogelijks een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 4) oordeelt: “Niets laat toe om in alle redelijkheid aan te nemen dat [de eiser] de respectievelijke vragen tot inlichtingen niet zou ontvangen hebben, te meer aangezien er ook telkens een rappel verstuurd werd. Dit argument werd in eerste aanleg kennelijk niet opgeworpen en ook in het grievenschrift wordt dit niet aangehaald.”
- Met deze redenen beoordelen de appelrechters enkel de geloofwaardigheid van het gevoerde verweer, maar leggen zij geen bewijslast bij de eiseres. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Met deze redenen beperken de appelrechters ook niet de draagwijdte van de grieven die door de eiseres met haar in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift tegen het beroepen vonnis werden ingebracht. In zoverre mist het middel tevens feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel voor het overige verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft of opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 29ter en 67ter Wegverkeerswet: de appelrechters wijzigen, enerzijds, de kwalificatie door de eiseres te veroordelen voor feiten op 24 maart 2022 voor telastlegging A en op 14 april 2022 voor telastlegging B in de plaats van op 2 december 2022 voor beide telastleggingen, zoals opgenomen in de dagvaarding en oordelen, anderzijds, dat “er ook telkens een rappel verstuurd werd” en “[de] antwoorden van [de eiseres] (…) niet alleen ver buiten de wettelijke termijnen [waren], maar bovendien attesteerde zij telkens dat ze de identiteit van diegene die met het voertuig reed op het moment van de verkeersinbreuk niet kende (zie stukken I, 25 en II, 11)”; deze motiveringen zijn tegenstrijdig; indien de inbreuken worden bewezen geacht op 24 maart 2022 en 14 april 2022 is al wat er nadien gebeurde immers niet van belang; het kan niet zijn dat er wordt verwezen naar rappels om tegen te spreken dat het eerste formulier niet werd ontvangen; evenmin kan de inhoud van het ingevulde formulier op 16 november 2022 naar aanleiding van die rappels worden beoordeeld voor de inbreuken die men bewezen acht op die eerdere data.
- Het bestreden vonnis (p. 4) oordeelt dat: - de antwoorden van de eiseres niet alleen ver buiten de wettelijke termijnen waren; - de eiseres bovendien telkens attesteerde dat ze de identiteit van diegene die met het voertuig reed op het moment van de verkeersinbreuk niet kende; - zij nochtans wettelijk ertoe was gehouden om, hetzij de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen, hetzij minstens de identiteit van de persoon die verantwoordelijk was voor het voertuig, behoudens diefstal, fraude of overmacht.
- De vaststelling van de appelrechters dat de mededeling door de eiseres laattijdig was, volstond voor de schuldigverklaring aan de feiten van de heromschreven telastleggingen A en B. Het middel bekritiseert derhalve overtollige redenen, zodat het niet tot cassatie kan leiden en het niet ontvankelijk is. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021023.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div