id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 195
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemeting - Weigering een straf met probatieuitstel toe te kennen - Vermelding van een eerdere veroordeling maar zonder toevoeging van het uitstel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 5 - 6 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter in zijn beslissing vast te stellen dat een beklaagde al dan niet nog in aanmerking komt voor probatieuitstel van tenuitvoerlegging, ook niet indien de rechter wel vaststelt dat de beklaagde niet meer in aanmerking komt voor gewoon uitstel van tenuitvoerlegging en wel in aanmerking komt voor een werkstraf of een straf onder elektronisch toezicht, maar die straffen niet passend zijn. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Vrije woorden: Weigering een straf met probatieuitstel toe te kennen - Geen vermelding dat de beklaagde nog in aanmerking komt voor een probatieuitstel - Wel vermelding dat een gewoon uitstel niet meer mogelijk is of dat andere straffen niet passend zijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemeting - Weigering een straf met probatieuitstel toe te kennen - Geen vermelding dat de beklaagde nog in aanmerking komt voor een probatieuitstel - Wel vermelding dat een gewoon uitstel niet meer mogelijk is of dat andere straffen niet passend zijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0102.N O. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kristof Lauwens, advocaat de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 13 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het bestreden vonnis oordeelt dat het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in de vier examens en onderzoeken een straf is, dat de bestraffing geheel correct en gepast is en dat enige mildering van de bestraffing afbreuk doet aan het preventief en sanctionerend karakter van de bestraffing, terwijl dit een beveiligingsmaatregel is die geen sanctionerend karakter heeft en louter dient ter bescherming van de maatschappij.
- De omstandigheid dat een beveiligingsmaatregel er in essentie toe strekt de maatschappij te beschermen, belet niet dat van een dergelijke maatregel ook een preventief en sanctionerend effect kan uitgaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 38, § 6, Wegverkeerswet verplicht de rechter om indien daartoe aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, de beveiligingsmaatregel op te leggen van het afhankelijk maken van het herstel van het verval van het recht tot sturen van het slagen in de vier examens en onderzoeken.
- De omstandigheid dat de rechter, die vaststelt dat hij verplicht is om deze maatregel op te leggen, de maatregel bestempelt als een straf, kan de eiser niet grieven. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het doel van de in het verleden uitgesproken straffen kan niet ertoe strekken te vermijden dat een beklaagde een voertuig bestuurt; daarvoor bestaan beveiligingsmaatregelen; bovendien is de motivering dubbelzinnig en tegenstrijdig; het bestreden vonnis oordeelt dat de opgelegde straf geen afbreuk doet aan de kansen op re-integratie van de eiser in de samenleving op een wijze die buiten verhouding staat tot de ernst van de feiten; een dergelijke motivering is dubbelzinnig; het oordeel dat de opgelegde straf geen afbreuk doet aan de kansen op de re-integratie van de eiser in de samenleving is tegenstrijdig met de toevoeging “op een wijze die buiten verhouding staat tot de ernst van de feiten”; indien een bestraffing niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten, is ze vanzelfsprekend onjuist gemotiveerd.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter bij de verantwoording van de afwijzing van een verzoek om een werkstraf of om een straf onder elektronisch toezicht wijst op het gegeven dat het opleggen van dergelijke straffen in het verleden geen gedragscorrigerend effect heeft gehad. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Een middel dat een dubbelzinnigheid als motiveringsgebrek aanvoert, is slechts ontvankelijk indien wordt verduidelijkt in welke lezing de beslissing wettig is en in welke andere lezing de beslissing niet wettig is. In zoverre het middel niet aan die vereiste voldoet, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Voor het overige ontwaart het Hof de door het middel aangevoerde tegenstrijdigheid niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het bestreden vonnis laat na te vermelden dat een eerdere veroordeling tot achttien maanden met uitstel van tenuitvoerlegging werd opgelegd, wat op zich reeds getuigt van een gebrekkige motivering; het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser niet meer in aanmerking komt voor gewoon uitstel en dat een werkstraf en elektronisch toezicht niet passend worden geacht, maar het laat na te vermelden dat de eiser wel nog in aanmerking komt voor probatie-uitstel; daaruit kan worden afgeleid dat het bestreden vonnis de mogelijkheid van probatie-uitstel over het hoofd heeft gezien; minstens had moeten worden gemotiveerd dat een straf met probatie-uitstel geen adequate bestraffing is en een effectieve gevangenisstraf zich opdringt.
- Het bestreden vonnis vermeldt wel degelijk dat een effectieve gevangenisstraf noodzakelijk is. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Uit het enkele feit dat de rechter bij de bespreking van het strafrechtelijk verleden van een beklaagde melding maakt van de veroordeling tot een gevangenisstraf van achttien maanden, zonder daarbij te vermelden dat die straf met uitstel van tenuitvoerlegging werd uitgesproken, volgt niet dat de beslissing daardoor gebrekkig is gemotiveerd.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter in zijn beslissing vast te stellen dat een beklaagde al dan niet nog in aanmerking komt voor probatie-uitstel van tenuitvoerlegging, ook niet indien de rechter wel vaststelt dat de beklaagde niet meer in aanmerking komt voor gewoon uitstel van tenuitvoerlegging en wel in aanmerking komt voor een werkstraf of een straf onder elektronisch toezicht, maar die straffen niet passend zijn.
- Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering om in te gaan op een verzoek om probatie-uitstel nauwkeurig moet motiveren voor zover die straf wettelijk mogelijk is. Bij afwezigheid van een dergelijk verzoek moet de rechter niet motiveren waarom hij een probatie-uitstel niet passend acht. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div