← België

L. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.19 Rolnummer: P.23.0633.N Zaak: L. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 532 - laatst gezien 2026-06-16 19:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Nadat de Commissie voor herziening in strafzaken haar advies heeft verleend, dat volgens artikel 445, negende lid, Wetboek van Strafvordering niet bindend is, beslist het Hof volgens artikel 445, tiende lid, Wetboek van Strafvordering tot verwerping van de aanvraag dan wel tot de vernietiging van de veroordeling met verwijzing; wanneer het hof, na het advies van de Commissie, tot het besluit komt dat de door de verzoeker aangevoerde nieuwe elementen, afzonderlijk en zelfs samen genomen, niet het ernstige vermoeden doen ontstaan dat indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest bij het appelgerecht, zij tot een vrijspraak van de veroordeelde zouden hebben geleid, is de aanvraag tot herziening ongegrond. Thesaurus CAS: HERZIENING - ADVIES EN VERWIJZING TOT HERZIENING Vrije woorden: Beslissing na advies Commissie voor herziening - Geen ernstig vermoeden dat de nieuwe gegevens tot vrijspraak zouden hebben geleid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 445, negende en tiende lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Fiche 2 Bij de beoordeling of een bepaalde nieuwe verklaring het ernstig vermoeden doet ontstaan dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker voor de telastlegging, mag de Commissie voor herziening wel degelijk de wijze waarop en de omstandigheden waarin de nieuwe verklaring is afgelegd betrekken, alsook het uit het dossier blijkende gegeven dat de verzoeker een manipulatief karakter heeft. Thesaurus CAS: HERZIENING - ADVIES EN VERWIJZING TOT HERZIENING Vrije woorden: Advies van de Commissie voor herziening - Nieuwe verklaring - Beoordeling door de commissie - Wijze en omstandigheden waarin de nieuwe verklaring tot stand is gekomen - Manipulatief karakter van de verzoeker - Gevolgen Fiche 3 Geen enkele bepaling vereist dat indien de Commissie voor herziening oordeelt dat niet is uit te sluiten dat een nieuwe verklaring werd afgelegd op vraag van een verzoeker tot herziening, zij moet overgaan tot het horen van de persoon die de nieuwe verklaring heeft afgelegd of van andere personen om de geloofwaardigheid van de nieuwe verklaring te beoordelen. Thesaurus CAS: HERZIENING - ADVIES EN VERWIJZING TOT HERZIENING Vrije woorden: Advies van de Commissie voor herziening - Nieuwe verklaring - Horen van personen - Geen verplichting - Grens Tekst van de beslissing Nr. P.23.0633.N P. L., verzoeker tot herziening, gedetineerd, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. A. L.,
  2. E. V., burgerlijke partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 27 april 2023, vraagt de verzoeker op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering de herziening van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 april
  3. Bij arrest van 19 september 2023 heeft het Hof vastgesteld dat de aanvraag tot herziening voldeed aan de formele ontvankelijkheidsvoorwaarden, dat er verder voldoende aanwijzingen waren voor een mogelijke herzieningsgrond en heeft het bevolen dat de aanvraag tot herziening zou worden onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken als bedoeld door artikel 445, vijfde tot en met negende lid, Wetboek van Strafvordering (hierna de Commissie). Op 27 november 2024 is het advies van de Commissie, gedateerd 8 oktober 2024, ontvangen ter griffie van het Hof. Een eensluidend verklaard afschrift van dit advies wordt aan dit arrest gehecht. De verzoeker heeft op 7 maart 2025 een nota ter griffie ingediend als reactie op het advies van de Commissie. Op de rechtszitting van 11 maart 2025 heeft voorzitter Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  4. Bij arrest van 29 april 2020 besliste het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, onder meer als volgt: - de verzoeker werd schuldig verklaard aan de feiten van de telastleggingen A (verkrachting van E. V., kind tussen 14 en 16 jaar, door een persoon met gezag en met de hulp van een ander, 1 augustus 2004-15 november 2004), B (verkrachting van E. V., kind tussen 16 en 18 jaar, door een persoon met gezag en met de hulp van een ander, 14 november 2004-15 november 2006), C (verkrachting van E. V., met de hulp van een ander, 14 november 2006-15 november 2007), D (aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van E. V., minder dan 16 jaar, door een persoon met gezag en met de hulp van een ander, 1 augustus 2004-15 november 2004), E (aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van E. V., tussen 16 en 18 jaar, door een persoon met gezag en met de hulp van een ander, 14 november 2004-15 november 2006), F (aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van E. V., door een persoon met gezag en met de hulp van een ander, 14 november 2006-15 november 2007), H (verkrachting van S. L., kind tussen 14 en 16 jaar, door een persoon met gezag en met de hulp van een ander, 21 november 2002-1 september 2004), I (aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van S. L., minder dan 16 jaar, door een persoon met gezag en met de hulp van een ander, 1 juli 2002-1 september 2004), K (aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van M. L., minder dan 16 jaar, door de vader), L.1.a (opzettelijke slagen aan M. L., minder dan 16 jaar, door de vader, 7 mei 1998-27 maart 2001) en L.1.b (opzettelijke slagen aan M. L., een minderjarige, door de vader, 26 maart 2001-4 september 2008) en L.2 (opzettelijke slagen aan A. L., een minderjarige, door de vader, 26 juni 2002-4 september 2008); - de verzoeker werd bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en tot de ontzetting gedurende een periode van vijf jaar uit de rechten genoemd in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek; - de verzoeker werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan elk van de burgerlijke partijen.
  5. Bij beschikking P.20.0545.N van 14 juli 2020 heeft het Hof het cassatieberoep van de verzoeker bij toepassing van artikel 433 Wetboek van Strafvordering niet toelaatbaar verklaard.
  6. De verzoeker voert tot staving van zijn verzoek tot herziening drie nieuwe feiten aan: - de nieuwe verklaringen van M. L.; - de verklaring van F. L.; - de verklaring van dr. I. G., toenmalige huisarts van het gezin van de verzoeker.
  7. Het Hof heeft met het arrest van 19 september 2023 geoordeeld dat: - de nieuwe verklaringen van M. L. niet te verenigen vallen met haar verklaring van 29 april 2016 waarop de eerste rechter en vervolgens de appelrechters hebben gesteund om de verzoeker te veroordelen; - uit de verklaringen van M. en F. L. zou kunnen worden afgeleid dat er tussen E. V. en de verzoeker een hechte liefdesrelatie bestond en dat de verzoeker geen gewelddadige feiten pleegde tegenover M., S. en A. L.; - dit laatste gegeven bevestiging kan vinden in de verklaring van de toenmalige huisarts van het gezin van de verzoeker.
  8. De Commissie is van oordeel dat het eerste nieuw element dat door de verzoeker wordt aangevoerd, namelijk de nieuwe verklaringen van M. L., meer bepaald een door haar opgestelde schriftelijke verklaring van 10 juli 2022 en een interview van 14 juli 2022 te Straatsburg door twee erkende privédetectives, weliswaar een nieuw gegeven vormen en een intrekking inhouden van haar tijdens het onderzoek op 29 april 2016 aan de politie en op 19 september 2016 tegen de kinderpsychiater afgelegde verklaringen, maar dat zij in samenhang met eerder in het dossier vermelde bewijselementen en de overige door de verzoeker aangebrachte nieuwe elementen, niet het ernstige vermoeden doen ontstaan dat, indien zij bij de appelrechters bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker. De inhoud van de nieuwe verklaring van M. L. komt in essentie erop neer dat de verzoeker niemand van het gezin ooit heeft mishandeld en dat de relatie die de verzoeker had met E. V. geheel vrijwillig en ongedwongen was. Volgens de verklaring en het interview zouden zij en A. L. zijn gemanipuleerd om verklaringen af te leggen. De Commissie steunt haar advies op het volgende: - de schuldigverklaring van de verzoeker aan de feiten omschreven op E. V. of S. L. (telastleggingen A tot en met I, feiten van verkrachting en aanranding van de eerbaarheid in de periode van 1 juli 2002 tot 15 november 2007) werd niet gesteund op een verklaring afgelegd door M. L., maar op een hele reeks andere bewijselementen; - M. L. werd geboren op 18 juni
  9. Zij was in die misdrijfperiode dus 5 tot 10 jaar oud. Het is aannemelijk dat zij in die periode nog te jong was om getuige te zijn geweest van de met de telastleggingen A tot en met I bedoelde feiten gepleegd op E. V. of S. L. en hier een inschatting van te kunnen maken. Ze heeft er dan ook geen verklaringen over afgelegd. De verklaring die M. L. heeft ingetrokken is geen verklaring waarop de schuldigverklaring aan de feiten van de telastleggingen A tot en met I werd gesteund; - de nieuwe verklaringen van M. L. zijn niet van aard dat zij het ernstige vermoeden doen ontstaan dat, indien zij bij de appelrechters bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker aan de feiten van de telastleggingen A tot en met I; - de nieuwe verklaringen bevatten geen concrete elementen die de gegevens waarop de appelrechters hebben gesteund om deze feiten bewezen te verklaren, te ondergraven. M. L. was immers zelf geen getuige van die feiten. Over de seksuele misdrijven gepleegd op S. L. wordt in haar nieuwe verklaringen niets gezegd. Wat betreft de seksuele feiten op E. V. bevatten de nieuwe verklaringen enkel eigen indrukken van M. L.. De appelrechters hebben voor de bewezenverklaring van de feiten gepleegd op S. L. en E. V. ook gesteund op verklaringen van derden zonder familiale banden met de verzoeker, onder meer G. M., J. G. en de leerlingenbegeleider op school, waarvan het niet geloofwaardig kan worden geacht en ook niet wordt aangevoerd door M. L. dat zij zouden zijn gemanipuleerd om valse verklaringen af te leggen; - de appelrechters oordelen met verwijzing naar de verklaring van J. G. dat het feit dat deze de indruk kreeg dat E. V. een relatie onderhield met de verzoeker logisch te verklaren is door de heel sluwe wijze waarop de verzoeker E., misbruik makend van haar kwetsbaarheid als puber in een moeilijke en onstabiele thuissituatie, in zijn macht kreeg en op manipulatieve en controlerende wijze in haar leefwereld binnendrong. Aldus besluiten de appelrechters dat zonder meer sprake is van morele dwang, waaruit blijkt dat zij de hypothese van een relatie in ogenschouw hebben genomen en van oordeel waren dat een dergelijke indruk, zoals die ook naar voren komt in de door de verzoeker aangevoerde nieuwe verklaring van M. L., geenszins wegneemt dat sprake is van morele dwang; - de verwijzing van de verzoeker in zijn verzoekschrift (p. 14) naar het beroepen vonnis (p. 27) als zou uitdrukkelijk worden verwezen naar de verklaring van M. L., is niet dienend aangezien op die bladzijde van het beroepen vonnis naar deze verklaring wordt gewezen om de onschuld van de verzoeker aan de telastlegging J (verkrachting van M. L.) te motiveren; - wat betreft de verwijzing van de verzoeker in zijn verzoekschrift (p. 14) naar het beroepen vonnis (p. 28) dat uitdrukkelijk verwijst naar de verklaring van M. L., moet worden vastgesteld dat in dit vonnis zijn schuld aan de telastlegging K (aanranding van de eerbaarheid van M. L.) onder meer wordt gesteund op die verklaring, maar ook en vooral dat de verzoeker door de appelrechters schuldig wordt bevonden aan deze telastlegging omdat ze van oordeel waren dat het verplichten van M. om in haar ontluikende puberteit en seksualiteit naakt rond te lopen in huis en in de tuin, naar de naaktsauna te gaan en haar schaamhaar af te scheren of te laten afscheren door een derde, volgens de algemeen gangbare maatschappelijke opinie een aanranding van de eerbaarheid uitmaakt. De bewezenverklaring van die handelingen werd in het beroepen vonnis gesteund op verschillende verklaringen (p. 29) en dus niet enkel op de verklaring van M. L.; - uit die redenen blijkt dat de door de appelrechters beschreven handelingen volstonden voor de bewezenverklaring van de onder de telastlegging K beschreven feiten en dat die bewezenverklaring niet werd gesteund op andere door M. L. aangehaalde handelingen, namelijk het meermaals betasten van haar borsten en geslachtsdelen en het op zijn geslacht leggen van haar hand. De intrekking door M. L. van haar verklaring over die handelingen kan dan ook onmogelijk het ernstige vermoeden doen ontstaan dat, indien de intrekking bij de appelrechters bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker aan de feiten omschreven onder de telastlegging K; - de appelrechters steunen de bewezenverklaring van de feiten omschreven onder de telastleggingen L.1 en L.2 (slagen of verwondingen) op diverse met elkaar overeenstemmende verklaringen die in het beroepen vonnis op omstandige wijze werden aangehaald en dus op de verklaringen van M. en A. L., E. V., C. D.P. en I. D. De beide laatste personen legden verklaringen af op de rechtszitting bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg en wat C. D.P. betreft onder eed. Hoewel de bewezenverklaring van de verzoeker mede is gesteund op de ingetrokken verklaring van M. L. is er, rekening houdend met de overige gegevens van het dossier en de beoordeling van de geloofwaardigheid van de nieuwe verklaringen van M. L., geen sprake van een ernstig vermoeden dat, indien de intrekking bij de appelrechters bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker aan de feiten omschreven onder de telastleggingen L.1 en L.2; - het is rekening houdend met de overige gegevens van het dossier, waaronder de vele verklaringen betreffende het manipulatief karakter van de verzoeker, niet uitgesloten dat M. L. de nieuwe verklaringen heeft afgelegd op vraag van de verzoeker. Daarbij kan op het volgende worden gewezen. Uit haar verklaringen blijkt dat zij in 2013 in Straatsburg is gaan wonen toen ze 16 jaar oud was. Ze zag haar vader daarna zelden en de laatste keer was dit in
  10. Uit haar verklaringen blijkt ook dat ze 2 à 3 jaar voor het afleggen ervan, alle contacten heeft verbroken met haar moeder en haar zus A., maar dat ze thans toch behoefte heeft aan familiaal contact. Ze hoopt ook dat de verzoeker spoedig zal worden vrijgelaten en gelooft dat hij haar en haar zoon zal steunen. Op 18 juni 2022 heeft de verzoeker M. telefonisch gecontacteerd en reeds op 10 juli 2022 legt zij haar schriftelijke verklaring af; - dit gegeven wordt nog versterkt door de vaststelling dat de schriftelijke verklaring en het interview tegenstrijdig zijn met betrekking tot de aangevoerde dwang om klacht neer te leggen: daar waar in de schriftelijke verklaring staat dat M. en haar zus in 2016 werden gedwongen tot neerlegging van hun klachten, M. bij het interview op de vraag of haar zus in 2016 vrijwillig haar klacht heeft ingediend, antwoordt dat zij denkt dat zij werd beïnvloed. Over zichzelf zegt M. dat het waar is dat haar familie rondom haar lichtjes tot zelfs heel veel heeft aangedrongen om klacht neer te leggen; - de verklaringen die M. L. destijds aflegde tegenover de kinderpsychiater A. C. waren erg gedetailleerd en er werd ook vastgesteld dat er bij M. sprake is geweest van automutilatie en een traumatische dissociatie, die onder meer bleek uit haar beschrijving van het gebruik van een avatar als deel van haar virtuele zelf.
  11. De Commissie is van oordeel dat het tweede nieuw element dat door de verzoeker wordt aangevoerd, namelijk de verklaringen van F. L. bestaande in een schriftelijke verklaring en een interview door twee privédetectives, geen ernstig vermoeden opleveren dat, indien zij bij de appelrechters bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker aan een van de feiten waarvoor hij werd veroordeeld. De Commissie overweegt in dat verband wat volgt: - F. L., de pleegzoon van de verzoeker, is geboren op 23 september 1982 en woonde naar zijn herinnering samen met zijn moeder en de verzoeker van midden 1986 tot
  12. Hij woonde dus van zijn vier tot ongeveer veertien jaar bij de verzoeker. M. en A. zijn pas later geboren namelijk in 1997 en
  13. F. L. heeft het in zijn verklaring over de contacten met M. en A., maar noch uit die schriftelijke verklaring noch uit het interview blijkt in welke periode deze contacten plaatsvonden en hoe lang die duurden. Op het ogenblik dat A. werd geboren, was F. L. ongeveer 20 jaar oud, zodat mag worden aangenomen dat het om familiebezoeken ging zonder overnachting; - het louter gegeven dat de verzoeker geen geweld heeft gebruikt tegenover zijn pleegzoon wanneer hij bij diens moeder woonde tussen 1986 en 1996, levert, rekening houdend met de overige gegevens van het dossier, geen ernstig vermoeden op dat de appelrechters met kennis van dit gegeven niet zouden hebben beslist tot de bewezenverklaring van het geweld gebruikt door de verzoeker tegenover zijn dochters, in een totaal andere tijdsperiode en wanneer hij samenwoonde met een andere vrouw, die ook zelf verklaarde slachtoffer te zijn geweest van geweld gepleegd door de verzoeker. Het gegeven dat er geen geweld werd gepleegd tijdens familiebezoeken is niet van aard een dergelijk vermoeden op te leveren; - wat betreft de feiten tegenover E. V. heeft F. L. verklaard dat hij met haar had gesproken bij zijn pleegvader thuis en ook bij hem thuis, waarbij ze hem had gezegd dat ze het absoluut geen probleem vond dat de verzoeker zoveel ouder was dan zij, maar die verklaring bevat geen tijdsindicatie zodat daaruit niet kan worden afgeleid hoe oud E. was bij dit gesprek. Het loutere feit dat de verzoeker en E. een verliefd stel zouden zijn geweest, brengt niet noodzakelijk mee dat er geen sprake kan zijn geweest van verkrachting zoals bedoeld onder de telastlegging A; - het gegeven dat F. L. niet eens kennis had van de vervolging van zijn pleegvader doet uitschijnen dat de band tussen beiden minstens al enige tijd was verwaterd, wat het vermoeden doet rijzen dat F. L. na zijn meerderjarigheid te weinig concrete contacten had met M. en A. L. en E. V. om een doorslaggevende verklaring af te leggen over de aan de verzoeker verweten feiten.
  14. De Commissie is van oordeel dat het derde nieuw element dat door de verzoeker wordt aangevoerd, namelijk de schriftelijke verklaring van 1 november 2021 van huisarts dr. I. G. als zou zij nooit aanwijzingen of tekens of mishandelingen of misbruik van de kinderen hebben vastgesteld en dat ze hierover nooit werd bevraagd door justitie, geen ernstig vermoeden oplevert dat, indien dit element bij de appelrechters bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker aan een van de feiten waarvoor hij werd veroordeeld. De Commissie overweegt in dat verband als volgt: - deze verklaring bevat geen bijkomende gegevens, zodat bijvoorbeeld niet kan worden vastgesteld hoe vaak, wanneer en waarom de kinderen bij de huisarts op consultatie zijn geweest en of dat in aanwezigheid van hun vader was; - er moet worden opgemerkt dat in haar verklaring van 29 april 2016 M. L. op de vraag of zij als gevolg van de slagen zodanig gekwetst werd dat zij een dokter heeft opgezocht of in het ziekenhuis werd opgenomen, heeft geantwoord dat haar moeder er altijd was om haar te verzorgen, maar dat zij daarvoor nooit naar een ziekenhuis of een dokter is gegaan. De verzoeker heeft op 7 maart 2025 ter griffie van het Hof een nota ingediend. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  15. Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
  16. Nadat de Commissie haar advies heeft verleend, dat volgens artikel 445, negende lid, Wetboek van Strafvordering niet bindend is, beslist het Hof volgens artikel 445, tiende lid, Wetboek van Strafvordering tot verwerping van de aanvraag dan wel tot de vernietiging van de veroordeling met verwijzing.
  17. Het Hof neemt betreffende de drie door de verzoeker aangevoerde nieuwe elementen de in het advies van de Commissie vermelde redenen, die hierboven in hun essentie zijn weergegeven, over. Het komt aldus tot het besluit dat die gegevens, afzonderlijk en zelfs samen genomen, niet het ernstige vermoeden doen ontstaan dat indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest bij het appelgerecht, zij tot een vrijspraak van de veroordeelde zouden hebben geleid.
  18. De door de verzoeker in zijn nota ontwikkelde kritiek op het advies van de Commissie betreffende het eerste nieuw element, kan het Hof niet bijtreden: - uit het gegeven dat de bewezenverklaring van de feiten omschreven onder de telastlegging K niet enkel steunt op de verklaring van M. L., maar op meerdere verklaringen, kan wel degelijk worden afgeleid dat de verklaring van M. L. niet het ernstig vermoeden doet ontstaan dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker voor deze telastlegging; - noch de omstandigheid dat de verwijzing naar die andere verklaringen niet geheel precies is noch het gegeven dat de verklaringen van E. V., A. L. en I. D. verklaringen zijn van horen zeggen, laat toe anders te oordelen; - er blijkt niet dat de appelrechters in hun bewijsconstructie aan de verklaring van M. L. een groter gewicht hebben toegekend dan aan de andere verklaringen; - er blijkt evenmin dat zonder de verklaring van M. L. de kans groot was, minstens niet onbestaande, dat de appelrechters de verzoeker zouden hebben vrijgesproken voor de feiten omschreven onder de telastlegging K; - bij de beoordeling of een bepaalde nieuwe verklaring het ernstig vermoeden doet ontstaan dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker voor deze telastlegging, mag wel degelijk de wijze waarop en de omstandigheden waarin de nieuwe verklaring is afgelegd worden betrokken, alsook het uit het dossier blijkende gegeven dat de verzoeker een manipulatief karakter heeft; - geen enkele bepaling vereist dat indien de Commissie oordeelt dat niet is uit te sluiten dat een nieuwe verklaring werd afgelegd op vraag van een verzoeker tot herziening, zij moet overgaan tot het horen van de persoon die de nieuwe verklaring heeft afgelegd of van andere personen om de geloofwaardigheid van de nieuwe verklaring te beoordelen.
  19. De aanvraag tot herziening is dan ook ongegrond. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot herziening ongegrond. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.