Obsah (12)
Art. 510Art. 511Art. 512Art. 513Art. 514Art. 514bisArt. 515Art. 516Art. 517Art. 518Art. 519Art. 520id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 510
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 511
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 512
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 513
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 514
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 514bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 515
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 516
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 517
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 518
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 519
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 520- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.
BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Brandstichting - Vernieling of poging tot vernieling van een gebouw door ontploffing - Materieel bestanddeel van het misdrijf - Gelijkstelling met vernieling of een poging tot vernieling door brandstichting - Moreel bestanddeel van het misdrijf - Algemeen opzet Wettelijke bepalingen:
Art. 510
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 511
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 512
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 513
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 514
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 514bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 515
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 516
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 517
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 518
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 519
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 520- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.1758.N I en II B. A., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing.
- De raadsman van de eiser heeft zowel op 6 december 2024 als op 10 december 2024 cassatieberoep ingesteld door het afleggen van een verklaring ter griffie van het appelgerecht. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 520 Strafwetboek: met het oordeel dat “de eiser in redelijkheid diende te weten dat deze een ontploffing tot gevolg kon hebben en daartoe aanleiding kon geven” verantwoordt het arrest de beslissing dat de eiser het feit van de telastlegging B wetens en willens heeft gepleegd niet naar recht; daarmee oordeelt het arrest immers ten onrechte dat het algemeen opzetvereiste niet volwaardig moet worden bewezen en dat het kan volstaan dat de eiser had moeten weten dat hij dat misdrijf pleegde; ook kan uit geen enkel element van het strafdossier worden afgeleid dat de eiser daadwerkelijk de wil heeft gehad dat feit te begaan (eerste onderdeel); bovendien is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd doordat het enerzijds oordeelt dat wetens en willens feitelijke omstandigheden in het leven werden geroepen en het anderzijds vaststelt dat de eiser in redelijkheid had moeten weten wat de gevolgen zouden zijn (tweede onderdeel).
- Artikel 520 Strafwetboek stelt strafbaar zij die gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, rijtuigen, wagons, vliegtuigen of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen vernielen of pogen te vernielen door het veroorzaken van een ontploffing. Gelet op de nauwe band van die strafbepaling met de artikelen 510 tot en met 519 Strafwetboek wordt het vernielen of het pogen te vernielen van een gebouw door ontploffing gelijkgesteld met het vernielen of pogen te vernielen van een gebouw door brandstichting.
- Ontploffing of brandstichting in de betekenis van deze bepalingen bestaat wanneer de dader wetens en willens de feitelijke omstandigheden in het leven roept waarvan hij in redelijkheid moet weten dat die ontploffing of brand tot gevolg kunnen hebben of daartoe aanleiding kunnen geven. Voor strafbaarheid wordt aldus het bewijs van algemeen opzet vereist. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Een rechterlijke beslissing is tegenstrijdig gemotiveerd wanneer zij redenen bevat die elkaar opheffen of teniet doen. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat van strafbare ontploffing sprake is wanneer opzettelijk bepaalde feitelijke omstandigheden worden gecreëerd en, anderdeels, dat van die voortgebrachte omstandigheden redelijkerwijze geweten moet zijn dat zij tot ontploffing kunnen leiden. Die redenen sluiten elkaar immers niet uit. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Met het oordeel dat de eiser door de gaskraan te verwijderen, hetgeen een beveiligingselement is, en door vervolgens vast te stellen dat er gas ontsnapte, wetens en willens de feitelijke omstandigheden in het leven heeft geroepen waarvan hij in redelijkheid diende te weten dat deze een ontploffing tot gevolg konden hebben of daartoe aanleiding konden geven, verantwoordt het arrest de beslissing dat de eiser voor het feit van de telastlegging B met algemeen opzet handelde, naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer in eisers grievenformulier dat hij zich niet ervan bewust was dat hij een gaskraan had opengedraaid en dat hij anders voor zijn veiligheid het appartementsgebouw wel eerder zou hebben verlaten.
- Het arrest (p. 12) oordeelt: “De verklaring (van de eiser) dat ze niet beseften dat het om gas ging, is ongeloofwaardig nu ze aan een technische installatie rommelden en bovendien gas (in tegenstelling tot lucht) niet reukloos is zodat ze dit onmiddellijk moeten opgemerkt hebben; ook de bewoners merkten dit onmiddellijk op; bovendien was op de toegangsdeur tot het lokaal met de kraan (en gasmeters) een groot bord aangebracht met de tekst ‘gas/gaz’ en is op de foto’s van de gasmeters in het lokaal zeer duidelijk te zien dat het om gasmeters gaat.” Met die redenen beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds stelt het arrest vast dat de gasgeur omstreeks 14.45 uur werd opgemerkt en dus vlak voordat de eiser het appartementsgebouw verliet; anderzijds stelt het vast dat een waarde van 70 à 80 procent LEL werd gemeten, wat net onder de explosiegrens is, en oordeelt het dat het gas zich reeds enige tijd aan het verspreiden moet zijn geweest; die redenen zijn tegenstrijdig.
- Het arrest oordeelt niet dat alvorens een waarde te bereiken van 70 à 80 procent LEL, het gas zich reeds enige tijd aan het verspreiden moet zijn geweest. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 33, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest veroordeelt de eiser tot een effectieve hoofdgevangenisstraf van twee jaar en handhaaft vervolgens met eenparigheid zijn gevangenhouding; evenwel is in hoger beroep geen sprake van een vermindering van een in eerste aanleg opgelegde hoofdgevangenisstraf van drie jaar, maar werd enkel de opgelegde hoofdgevangenisstraf van twee jaar bevestigd; aldus is de beslissing tot de gevangenhouding van de eiser niet naar recht verantwoord.
- Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. In zoverre ingesteld tegen de beslissing over de verdere aanhouding van de eiser, heeft het cassatieberoep I bijgevolg geen bestaansreden meer. Het middel dat gericht is tegen een beslissing waartegen het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 152,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040608.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div