id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 4
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 2 De verplichting om de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen, die artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering oplegt aan de rechter die ervan kennisneemt, geldt wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid of tegenstrijdigheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken - Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Artikel 4 - Verplichting tot schorsing - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 4
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 3 De vordering waarbij een belastingplichtige opkomt tegen een aanslag in de personenbelasting is geen burgerlijke vordering in de zin van artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Afzonderlijke burgerlijke vordering tegen een aanslag in de inkomstenbelasting - Aard - Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Artikel 4 - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 4
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 4 De fiscale rechter die uitspraak moet doen over een vordering waarbij een belastingplichtige opkomt tegen een aanslag in de personenbelasting, is, gelet op de aard van het fiscale geschil dat betrekking heeft op overheidsinkomsten, niet verplicht om de behandeling van de vordering te schorsen maar mag de behandeling schorsen, ook al is hij ingevolge het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde in de regel door de beslissing van de strafrechter gebonden. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Vrije woorden: Hangende strafvordering - Behandeling van de zaak - Schorsing - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 4- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.
F.23.0029.N T.G., eiser, met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1980 Zemst, Schom 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Bijzondere Belastinginspectie Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 803, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 juni
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 13 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De regel van openbare orde die is bepaald in artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en krachtens welke de behandeling van de burgerlijke vordering die niet tegelijk met de strafvordering door dezelfde rechter gebeurt, moet worden geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat de strafrechtelijke beslissing, ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke vordering, in de regel gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de punten die de strafvordering en de burgerlijke vordering met elkaar gemeen hebben.
- De verplichting om de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen, die voormelde wetsbepaling oplegt aan de rechter die ervan kennisneemt, geldt wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid of tegenstrijdigheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter. De vordering waarbij een belastingplichtige opkomt tegen een aanslag in de personenbelasting is geen burgerlijke vordering in de zin van voormelde wetsbepaling.
- De fiscale rechter die over dergelijke vordering uitspraak moet doen, is, gelet op de aard van het fiscale geschil dat betrekking heeft op overheidsinkomsten, niet verplicht om de behandeling van de vordering te schorsen maar mag de behandeling schorsen, ook al is hij ingevolge het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde in de regel door de beslissing van de strafrechter gebonden. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 357,32 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Bart Wylleman, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 21 maart 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250321.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div