id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250321.1N.7 Rolnummer: F.22.0137.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-04-23 Raadplegingen: 434 - laatst gezien 2026-06-15 03:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250321.1N.7 Fiche De woorden “door toedoen van de overheid” geven aan dat de vertraging waarmee de baten worden betaald, niet kan worden toegeschreven aan de begunstigde ervan; een vertraging die voortvloeit uit de wettelijke of reglementaire procedure die diens rechtsverhouding met de overheid bepaalt, kan niet aan hem worden toegeschreven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Berekening van de aanslag - Afzonderlijke aanslagen Vrije woorden: Bijzonder belastingstelsel - Baten - Vertraging betaling door toedoen van de overheid - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 171 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0137.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, voor wie optreedt de Adviseur-generaal van het KMO Centrum Leuven, met kantoren te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51-57, eiser, tegen
- L.V.H.,
- C.J., verweerders, met als raadslieden mr. Luc Vanheeswijck en mr. Stephanie Thys, advocaten bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 april
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 13 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel in zijn geheel
- De appelrechter stelt vast dat: - “het bewust bedrag deel [uitmaakt] van een eind 2009 door voormeld ministerie op zijn bankrekening gestorte som van € 31.000,00, door de Belgische Staat na een ministerieel besluit van 30 november 2009 toegekend wegens “prestaties geleverd gedurende het jaar 2008” (…)”; - “beide partijen uiteen[zetten] dat een departementsadvocaat die pleit voor het ministerie van financiën in beginsel wordt vergoed middels een “abonnement” (…) waar sprake is van een globale abonnementsvergoeding vanaf 1 januari 2009 ten bedrage van € 30.000,00”; - “[de verweerders] (…) een lijst [voorleggen] van dossiers behandeld voor het ministerie van financiën, die werd afgesloten in 2008 (en dus hun eindresultaat kenden), maar die betrekking hebben op prestaties al geleverd van in 1992”; - “[de eiser] gans en geheel het gegeven dat de door de Belgische Staat toegekende premie of bijbetaling betrekking zou hebben op prestaties geleverd als advocaat in een ander belastbaar tijdperk dan dat verbo[n]den aan de periode tussen 1992 en 2008 [betwist]”; - “het voormeld ministerieel besluit het over “buitengewone” prestaties in 2008 [heeft]”; - “[de eiser] echter zelf in zijn besluiten (…) [stelt] dat het gaat om een premie “bepaald door de in het lopende jaar 2008 uitgesproken vonnissen en arresten” wat ontegensprekelijk wijst op het gegeven dat het gaat om een premie blijkbaar wegens het aldus behaald resultaat in die zaken” en dat dit “de stelling van [de verweerders] [onderschrijft] dat het gaat om een vergoeding van prestaties van [de verweerders] in vele voorgaande jaren, daar aan het vellen van een vonnis of arrest voor een advocaat van één van de partijen meerdere jaren werk vooraf gaan, bestaande in het beheer van het dossier, het onderhouden van de communicatie in dit geval met de advocaat van de belastingplichtige, het houden van contacten met de fiscale administratie om haar conclusies mee te delen en uit te wisselen, en andere daaraan verbonden prestaties en diensten van de advocaat, die uit meer bestaan dan louter het pleiten van de zaak eventueel kort voor het te vellen vonnis of arrest”; - “de eigenlijke abonnementsvergoeding per jaar voor blijkbaar dan “gewone” prestaties van [de eerste verweerder] in 2006, 2007 en 2008 verhoogd [werd] wegens het werkvolume, geenszins [uitsluit] dat de hier bedoelde “premie” inderdaad een “nabetaling” is voor eerder, in voorgaande jaren als advocaat geleverd werk”; - “het voor de bedoelde premie gaat om een betaling voor prestaties en dus baten betrekking hebbende op gedurende een periode van meer dan 12 maanden geleverde arbeid en diensten, derhalve bewezen [is]”.
- De appelrechter stelt aldus in feite vast dat de hier bedoelde premie een eenmalige betaling is en dat de baten betrekking hebben op een periode van meer dan twaalf maanden geleverde arbeid en diensten. Het onderdeel komt in de beide subonderdelen op tegen deze feitelijke beoordelingen en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Overeenkomstig artikel 171, 6°, tweede streepje, WIB92 zijn, in afwijking van de artikelen 130 tot 168, afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten, tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten, de in artikel 23, § 1, 2°, vermelde baten die betrekking hebben op gedurende een periode van meer dan twaalf maanden geleverde diensten en die door toedoen van de overheid niet betaald zijn in het jaar van de prestaties maar in eenmaal worden vergoed, en zulks uitsluitend voor het evenredige deel dat een vergoeding van twaalf maanden prestaties overtreft.
- De woorden “door toedoen van de overheid” geven aan dat de vertraging waarmee de baten worden betaald, niet kan worden toegeschreven aan de begunstigde ervan. Een vertraging die voortvloeit uit de wettelijke of reglementaire procedure die diens rechtsverhouding met de overheid bepaalt, kan niet aan hem worden toegeschreven.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de laattijdigheid toe te schrijven is aan de begunstigde van de inkomsten wanneer deze “de betalingsmodaliteiten die door de overheid wordt voorgesteld bij de toetreding [aanvaardt]”, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 256,71 euro en voor de verweerder op 273,32 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Bart Wylleman, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 21 maart 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250321.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250321.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div