id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.1 Rolnummer: S.17.0095.N Zaak: FAMIFED contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-06-17 Raadplegingen: 314 - laatst gezien 2026-06-19 03:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3N.1 Fiches 1 - 2 De in artikel 68 Verordening (EG) nr. 883/2004 beoogde ‘grond waarop de rechten worden verkregen' ziet niet op de grondslag waarop het recht op gezinsuitkeringen in de bevoegde Lid-Staat wordt geopend, maar wel op de grondslag waarop de verzekerde aan de wetgeving van die bevoegde Lid-Staat is onderworpen
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening 883/2004 - Gezinsbijslagen - Toepasselijke wetgeving Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 68 Thesaurus CAS: GEZINSBIJSLAG - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening 883/2004 - Toepasselijke wetgeving Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 68 Tekst van de beslissing Nr. S.17.0095.N FAMIFED, FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE KINDERBIJSLAG, openbare instelling met zetel te 1000 Brussel, Trierstraat 70, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.737.385, eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen C.D., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 22 september 2017. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 6 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 11, lid 1, van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, hierna Verordening (EG) nr. 883/2004, zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één Lid-Staat onderworpen. Welke die wetgeving is wordt vastgesteld overeenkomstig titel II, Vaststelling van de toepasselijke wetgeving. Artikel 11, lid 3, Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt: “Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:
- a)geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een Lid-Staat, de wetgeving van die Lid-Staat;
- b)geldt voor ambtenaren de wetgeving van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;
- c)geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de Lid-Staat van zijn woonplaats, de wetgeving van die Lid-Staat;
- d)geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een Lid-Staat, de wetgeving van die Lid-Staat;
- e)geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen
- a)tot en met
- d)niet van toepassing zijn, de wetgeving van de Lid-Staat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere Lid-Staten.” 2. Artikel 67 Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat een persoon recht heeft op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde Lid-Staat, ook voor de gezinsleden die in een andere Lid-Staat wonen, alsof deze in eerstbedoelde Lid-Staat woonden. Een pensioengerechtigde heeft echter recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de Lid-Staten die bevoegd zijn voor zijn pensioen. Artikel 68 Verordening (EG) nr. 883/2004 dat de prioriteitsregels bij samenloop van gezinsuitkeringen vaststelt, bepaalt: “1. Indien gedurende hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden in uitkeringen is voorzien op grond van de wetgeving van meer dan een Lid-Staat, zijn de volgende prioriteitsregels van toepassing:
- a)indien door meer dan een Lid-Staat uitkeringen verschuldigd zijn op verschillende gronden, is de volgorde van prioriteit de volgende: eerst de rechten verkregen op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst, vervolgens de rechten verkregen op grond van een pensioen, en ten slotte de rechten verkregen op grond van de woonplaats;
- b)indien door meer dan een Lid-Staat uitkeringen verschuldigd zijn op dezelfde grond, wordt de volgorde van prioriteit vastgesteld op basis van volgende subsidiaire criteria:
- i)indien het gaat om rechten die verkregen zijn op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst: de woonplaats van de kinderen, mits er dergelijke werkzaamheden worden verricht, en subsidiair, in voorkomend geval, het hoogste bedrag aan uitkeringen waarin de betrokken wetgevingen voorzien. In dat laatste geval worden de kosten van de uitkeringen verdeeld volgens in de toepassingsverordening bepaalde criteria;
- ii)indien het gaat om rechten die verkregen zijn op grond van een pensioen: de woonplaats van de kinderen, mits op grond van deze wetgeving een pensioen moet worden uitgekeerd, en subsidiair, in voorkomend geval, het langste onder de betrokken wetgevingen vervulde tijdvak van verzekering of verblijf; iii) indien het gaat om rechten die verkregen zijn op grond van de woonplaats: de woonplaats van de kinderen. 2. Bij samenloop van rechten worden de gezinsuitkeringen toegekend overeenkomstig de wetgeving die volgens lid 1 prioritair is aangemerkt. De rechten op gezinsuitkeringen die verschuldigd zijn op grond van de andere betrokken wetgeving of wetgevingen, worden geschorst ter hoogte van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerste Lid-Staat is vastgesteld en, zo nodig, wordt het deel dat dit bedrag overschrijdt uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag. Als het recht op de uitkering in kwestie alleen gebaseerd is op de woonplaats, hoeft deze aanvullende toeslag echter niet te worden uitgekeerd voor kinderen die in een andere Lid-Staat wonen.” 3. De in artikel 68 Verordening (EG) nr. 883/2004 beoogde ‘grond waarop de rechten worden verkregen’ ziet niet op de grondslag waarop het recht op gezinsuitkeringen in de bevoegde Lid-Staat wordt geopend, maar wel op de grondslag waarop de verzekerde aan de wetgeving van die bevoegde Lid-Staat is onderworpen. 4. Uit de vermeldingen van het arrest, blijkt dat: - de verweerster en haar echtgenoot beiden ambtenaar in diplomatieke dienst zijn, de verweerster van België en haar echtgenoot van Duitsland; - zij drie kinderen hebben, de gezinswoning gelegen is in België en er steeds in België gezinsbijslag werd betaald; - de echtgenoot van de verweerster vanaf 1 augustus 2011 tot 30 juni 2014 zijn officiële woonplaats had in Duitsland (Berlijn) en aldaar ook was tewerkgesteld, waarna hij in India (New Delhi) werd gepost; - alle kinderen in Duitsland hoger onderwijs volgden, maar alleen de jongste twee bij de verweerster in België waren gedomicilieerd; - de echtgenoot van de verweerster in mei 2014 in Duitsland kinderbijslag aanvroeg voor de drie aldaar studerende kinderen; - de door de echtgenoot gevraagde kinderbijslag met terugwerkende kracht werd toegekend door het Bundesargentur für arbeit, Familienkasse, Rheinland-Pfalz-Saarland; - de eiser op grond hiervan terugbetaling vordert van de Belgische gezinsbijslag die in juni 2014 aan de verweerster werd uitbetaald, terwijl de FOD Buitenlandse Zaken terugbetaling vordert van Belgische gezinsbijslag die haar vóór 31 mei 2014 werd uitbetaald; - de verweerster beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van de eiser waarbij terugbetaling wordt gevorderd van 345,86 euro aan onterecht betaalde gezinsbijslag voor de maand juni 2014; - de eiser aanvoert dat het bevoegde Duitse orgaan het bedrag van 345,86 euro hem intussen heeft terugbetaald. 5. Met impliciete overname van de redenen van het beroepen vonnis stellen de appelrechters vast dat uit de feiten aldus blijkt dat de verweerster en haar echtgenoot tijdens het tijdvak vanaf 1 augustus 2011 tot 30 juni 2014 in twee verschillende EU-lidstaten woonden en werkten, namelijk België en Duitsland, en er gedurende hetzelfde tijdvak voor dezelfde kinderen in een recht op gezinsbijslag was voorzien zowel op grond van de Belgische wetgeving als op grond van de Duitse wetgeving. Zij verwerpen het verweer van de eiser dat de Duitse wetgeving met toepassing van artikel 68, lid 1, b), sub i), Verordening (EG) nr. 883/2004 als prioritair moet worden aangemerkt omdat ook het recht van verweersters echtgenoot op zijn werkzaamheid als ambtenaar berust en de kinderen hoofdzakelijk in Duitsland verbleven, op grond dat het recht op gezinsbijslag volgens de Duitse wetgeving niet wordt geopend op basis van tewerkstelling maar op basis van woonplaats en het niet relevant is dat verweersters echtgenoot in dezelfde periode ook werkzaamheden verrichtte in Duitsland omdat dit niets kan veranderen aan de gronden waarop de Duitse regeling hem rechten toekent. De appelrechters die zodoende oordelen dat het recht op gezinsbijslag door verweersters echtgenoot niet wordt verkregen op grond van zijn werkzaamheden maar op grond van de woonplaats, op basis van de grondslag waarop het recht op gezinsuitkeringen volgens de Duitse wetgeving wordt geopend en niet op basis van de grondslag waarop verweersters echtgenoot aan de Duitse sociale zekerheidswetgeving is onderworpen, verantwoorden hun beslissing dat de Belgische wetgeving met toepassing van artikel 68, lid 1,
- a)Verordening (EG) nr. 883/2004 prioritair is, niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Kosten 7. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de eiser te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het oordeelt over het incidenteel beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel. Bepaalt de kosten voor de eiser op 745,95 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfond voor juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, als voorzitter, de sectievoorzitters Christian Storck, Koen Mestdagh en Mireille Delange en raadsheer Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting van 24 maart 2025 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div