id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 4
, 1° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen
Art. 5
, § 2, 2° en 3° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen
Art. 18
, §§ 1, tweede lid en 2, 2° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Richtlijn 2000/78/EEG - Aanvullende regelingen sociale zekerheid - Arbeidsbetrekkingen - Werkgever - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen
Art. 4
, 1° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen
Art. 5
, § 2, 2° en 3° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen
Art. 18
, §§ 1, tweede lid en 2, 2° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Tekst van de beslissing Nr. S.22.0009.N TELENET GROUP bv, met zetel te 2800 Mechelen, Liersesteenweg 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0462.925.669, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- C.M., in haar hoedanigheid van wettelijke erfgename van wijlen M.B.,
- L.B., in haar hoedanigheid van wettelijke erfgename van wijlen M.B.,
- AURIALIS PROJECTS bv, met zetel te 9690 Kluisbergen, Knoktstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0883.568.149,
- INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 138, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0548.895.779, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 4 januari
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 6 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 4, 1°, Discriminatiewet verstaat men voor de toepassing van deze wet onder arbeidsbetrekkingen, de betrekkingen die onder meer omvatten de werkgelegenheid, de voorwaarden voor toegang tot arbeid, de arbeidsvoorwaarden en de ontslagregelingen, en dit: - zowel in de openbare als in de private sector; - zowel voor arbeid in loondienst als voor onbetaalde arbeid, arbeid verricht in het kader van stageovereenkomsten, leerovereenkomsten, beroepsinlevingsovereenkomsten en startbaanovereenkomsten of arbeid als zelfstandige; - voor alle niveaus van de beroepshiërarchie en voor alle activiteitstakken; - ongeacht de statutaire of contractuele regeling van de persoon die arbeid verricht; - met uitzondering evenwel van de arbeidsverhoudingen die worden aangegaan met de in de artikelen 9 en 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen bedoelde organen en instellingen en met uitzondering van de in artikel 127, § 1, 2°, van de Grondwet bedoelde arbeidsverhoudingen in het onderwijs. Krachtens artikel 5, § 2, 2°, Discriminatiewet is de wet, wat de arbeidsbetrekkingen betreft, onder meer, doch niet uitsluitend, van toepassing op de bepalingen en de praktijken met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en beloning, waaronder onder meer, doch niet uitsluitend, wordt begrepen: - de regelingen vervat in de arbeidsovereenkomsten, de overeenkomsten van zelfstandigen, de bestuursrechtelijke statutaire regelingen, de stage- en leerovereenkomsten, de collectieve arbeidsovereenkomsten, de collectieve regelingen voor zelfstandigen, de arbeidsreglementen alsook de eenzijdige werkgeversbeslissingen en de eenzijdige beslissingen opgelegd aan een zelfstandige; - de toekenning en de bepaling van alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer of door de opdrachtgever aan de zelfstandige worden betaald, ongeacht of dit ingevolge een overeenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen, dan wel vrijwillig gebeurt. Verder bepaalt artikel 5, § 2, 3°, Discriminatiewet dat de wet, wat de arbeidsbetrekkingen betreft, onder meer, doch niet uitsluitend, van toepassing is op de bepalingen en de praktijken inzake de beëindiging van de arbeidsbetrekking, waaronder onder meer, doch niet uitsluitend, wordt begrepen: - de toekenning en de bepaling van de vergoeding naar aanleiding van de beëindiging van de professionele relatie; - de maatregelen die worden getroffen naar aanleiding van de beëindiging van de professionele relatie.
- Krachtens artikel 18, § 1, tweede lid, Discriminatiewet moet de persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden aan het slachtoffer een vergoeding betalen die naar keuze van het slachtoffer gelijk is, hetzij aan een forfaitair bedrag zoals uiteengezet in paragraaf 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. Artikel 18, § 2, 2°, Discriminatiewet bepaalt dat indien het slachtoffer morele en materiële schadevergoeding vordert wegens discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire schadevergoeding als volgt wordt bepaald: de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade is gelijk aan de bruto beloning voor zes maanden, tenzij de werkgever aantoont dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden getroffen zou zijn. In dat laatste geval wordt de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt tot drie maanden bruto beloning. Wanneer de materiële schade die voortvloeit uit een discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid echter hersteld kan worden via de toepassing van de in artikel 15 bepaalde nietigheidssanctie, wordt de forfaitaire schadevergoeding bepaald volgens de bepalingen van punt 1°.
- Uit de samenhang van de voormelde bepalingen, waarmee overeenkomstige regels bepaald in de richtlijn 2007/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep werden omgezet, volgt dat niet alleen de persoon die een werknemer tewerkstelt krachtens een arbeidsovereenkomst, maar elke persoon voor wie een welbepaalde andere persoon in uitvoering van een arbeidsbetrekking daadwerkelijk een persoonlijke beroepsactiviteit verricht, moet worden aangezien als een werkgever op wie de in artikel 18, § 2, 2°, bepaalde forfaitaire schadevergoeding in voorkomend geval van toepassing is. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.
- De aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet is geheel afgeleid van de vergeefs aangevoerde schending van de overige in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op voor de eiseres op 918,59 euro en op de som van 22 euro ten gunste van het Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, als voorzitter, de sectievoorzitters Christian Storck, Koen Mestdagh en Mireille Delange en raadsheer Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting van 24 maart 2025 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div